Het politieke systeem van Italië is ingericht als een vertegenwoordigende democratie in de vorm van een parlementaire republiek. Italië heeft geen federale structuur.
Algemene organisatie Italië is georganiseerd volgens het principe van de scheiding der machten: de wetgevende macht berust bij het parlement en de uitvoerende macht bij de regering, terwijl de rechterlijke macht wordt uitgeoefend door onafhankelijke rechters. De president bekleedt het hoogste ambt en symboliseert de eenheid van het land.
De belangrijkste wet van Italië is de grondwet; een verzameling artikelen die de fundamentele principes van de republiek en de rechten en plichten van de burgers beschrijft en die de werking van de republiek vastlegt. De wetgevende macht berust bij het parlement, zoals omschreven is in art. 71 van de grondwet, en is verdeeld in twee kamers: de Kamer van Afgevaardigden en de Senaat. Alle wetten dienen bekrachtigd te worden door de president. Hij kan een wet één keer naar het parlement terugsturen, wanneer hij van oordeel is dat die wet strijdig is met de grondwet (vetorecht), maar niet vaker. De voorzitter van de ministerraad (premier) regeert op basis van een parlementaire meerderheid, gevormd na algemene verkiezingen.
Scheiding der machten
Alleen in dringende noodsituaties kan de regering besluiten nemen met de kracht van wet. Deze heten dan wetsdecreten en dienen binnen een vervaltermijn van 60 dagen door het parlement bekrachtigd te worden. Bovendien kan het parlement door een machtigingswet aan de regering de toestemming verlenen om in een bepaalde zaak met wetgeving te komen, waarbij het parlement de grenzen en termijnen afbakent, waarbinnen de regering deze wetten kan uitvaardigen. De besluiten van de regering worden dan wetgevende decreten genoemd.
Er zijn ook enkele situaties waarbij de wetgevende macht bij het volk ligt, zoals bij het correctief referendum en in grondwettelijke zaken bij het bekrachtigend referendum aangaande grondwetgeving. In het algemeen ligt het initiatief tot wetgeving dus bij iedere parlementariër en ook bij het volk, door middel van het burgerinitiatief, waarbij het wetsvoorstel door minimaal 50.000 handtekeningen ondersteund dient te worden, en ten derde bij de regering, wier wetsvoorstellen hoe dan ook medeondertekend moeten worden door de president.
Ten slotte is er een belangrijk controleorgaan op rechtshandelingen en wetgeving van de overheid (dat niet veel verschilt van het judicial review in de Verenigde Staten, maar veel uitgebreider is dan het systeem in het Verenigd Koninkrijk), waarbij een rechtbank een wet ongrondwettelijk kan verklaren (hoewel slechts met betrekking tot de hem voorgelegde casus). Veel vaker wordt deze vorm van controle gebruikt door zaken op verzoek van een rechter voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof, dat wetten ongrondwettelijk kan verklaren (ook nadat die zijn aangenomen). De betreffende wetten verliezen in dat geval hun geldigheid en het Hof verbiedt het parlement om opnieuw met dezelfde wetgeving te komen.
Voor wat betreft de rechtshandelingen wordt de controle uitgeoefend door een groot aantal regionale administratieve tribunalen (TAR), die per regio georganiseerd zijn. De Raad van State is hierbij de beroepsinstantie. Met de goedkeuring van de Codice del processo amministrativo (Wetboek aangaande het bestuurlijk proces) in 2010 is de controle op bestuurlijke rechtshandelingen van de overheid en andere openbare lichamen veel steviger geworden. Er is nu de mogelijkheid om in kort geding opschorting te vragen, zowel in eerste als in tweede instantie, en ook om schadevergoeding te vragen voor de door de overheidsbesluiten geleden schade.
Wetgevende macht
De wetgevende macht berust bij het parlement, dat is onderverdeeld in twee kamers: de Senaat en de Kamer van Afgevaardigden. Beide kamers hebben het recht van initiatief, dat wordt uitgeoefend door de parlementariërs, met dezelfde door de grondwet aangegeven bevoegdheden. Elk wetsvoorstel dient in beide kamers bij meerderheid te worden aangenomen, zo niet dan is het voorstel verworpen.
Uitvoerende macht Regering De uitvoerende macht berust bij de regering, waarbinnen volgens art. 92c1 van de Grondwet drie verschillende organen worden onderscheiden: de voorzitter van de ministerraad (eerste minister, premier), de ministers en de ministerraad (die in Italië niet kabinet genoemd kan worden, zoals in andere landen). De laatste wordt gevormd door de eerste twee organen samen. De regeringsvorming vindt plaats op basis van de artikelen 92c2, 93 en 94 van de grondwet en door in de praktijk gevormde gebruiken.
De regering dient het vertrouwen te hebben van beide kamers van het parlement en heeft de bevoegdheid om wetsdecreten uit te vaardigen, die binnen 60 dagen door het parlement bekrachtigd moeten worden.
Op basis van de financieringswet 2008, geamendeerd door wet 172 van 13 nov 2009, bestaat de regering uit 13 ministers, terwijl de gehele regering (met ministers zonder portefeuille, viceministers en staatssecretarissen) uit maximaal 60 personen mag bestaan.
Voorzitter van de ministerraad miniatuur|Mario Draghi, voorzitter van de ministerraad sinds 13 februari 2021 De voorzitter van de ministerraad (ook vaak eerste minister of premier genoemd) is het hoofd van de regering. Hij wordt door de president benoemd en is in rang de vierde burger van het land, hoewel hij de echte leider van het politieke bestel is. Zoals in alle parlementaire republieken is de president de eerste burger van het land, ook al heeft hij beperkte bevoegdheden.
In theorie is de beoogd premier vrij in zijn benoemingen, maar omdat hij een regering moet vormen die het vertrouwen moet krijgen van het parlement in een vertrouwensstemming, kiest hij zijn ministers uit de partijen die samen de meerderheid vormen in het parlement. De constitutionele praktijk laat zien dat de president gesprekken begint met de parlementaire groepen in het parlement om een keus te maken voor een persoon die het vertrouwen kan krijgen van het parlement. Na zijn benoeming presenteert de premier aan de president een lijst met namen van kandidaten met wie hij de ministerraad wil vormen, wanneer hij het vertrouwen heeft gekregen van beide kamers van het parlement.
De premier coördineert de activiteiten van de ministers en is verantwoordelijk voor het beleid van de regering. Hij is niet, zoals soms het geval is in andere landen, iemand die hiërarchisch boven de andere ministers staat. Uiteraard vervult hij als hoofd van de regering functies en taken waarnaar alle ministers zich moeten richten. Aan de andere kant kan de premier geen directe bevelen geven aan de ministers aangaande werkzaamheden op hun ministerie, maar alleen richtlijnen van algemene aard. Hij kan hen ook niet ontslaan. Hij functioneert dus als een primus inter pares, de eerste onder zijn gelijken. In algemene zin vervult de premier dus drie taken: hij neemt initiatief, hij wijst richting en hij coördineert het regeringswerk.
Ministeries Ministeries met taken op het gebied van de openbare orde en algemeen beleid: Ministerie van Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking Ministerie van Binnenlandse Zaken Ministerie van Justitie Ministerie van Defensie Ministeries met economisch-financiële taken: Ministerie van Economie en Financiën Ministerie van Economische Ontwikkeling Ministerie van Landbouw, Voedsel en Bosbeheer Ministeries met sociale en culturele taken: Ministerie van Onderwijs, Universiteiten en Wetenschappelijk Onderzoek Ministerie van Erfgoed, Culturele Zaken en Toerisme Ministerie van Werk en Sociale Zaken Ministerie van Volksgezondheid Ministeries met taken op het gebied van infrastructuur en diensten: Ministerie van Infrastructuur en Transport Ministerie van Milieu en Bescherming van Land en Zee
Rechterlijke Macht De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de Magistratuur (alle rechters gezamenlijk). Zij werken autonoom en onafhankelijk van de andere machten. De gewone rechters zijn houders van een jurisdictionele functie en werken in naam van het volk. De Hoogste Raad voor de Magistratuur bestuurt de rechters onafhankelijk en is geheel onttrokken aan controle door de Minister van Justitie.
Het Italiaanse rechtssysteem berust op het Romeinse recht. De Code Napoléon heeft als voorbeeld gediend voor de Italiaanse wetboeken. Het strafsysteem is gebaseerd op het accusatoir proces, wat inhoudt dat er een onafhankelijke rechter is, dat er een eerlijke procesgang is met voor beide partijen evenveel rechten en dat het proces openbaar en mondeling is.
De eerste fase van een proces, de schriftelijke voorbereiding, vindt plaats achter gesloten deuren, wat herinnert aan het inquisitoir proces. Sommigen noemen het Italiaanse rechtssysteem daarom een ‘gemengd’ systeem. Zowel in het burgerlijk recht, als in het strafrecht, als in het bestuursrecht is het recht op twee beroepsmogelijkheden gegarandeerd. In eerste instantie buigt de rechtbank zich over een zaak. In tweede instantie behandelt een hof van beroep het vonnis van de eerste rechtbank. Hier kan het vonnis bekrachtigd of verworpen worden. In derde instantie is beroep mogelijk bij het Hof van Cassatie. Er wordt dan niet meer inhoudelijk naar de zaak gekeken, maar er wordt alleen gekeken of de zaak procedureel correct behandeld is. Na deze twee beroepsmogelijkheden is het uitgesproken vonnis definitief.
President van de Republiek
miniatuur|Sergio Mattarella, president van de republiek sinds 2015 De president van de Republiek is het staatshoofd en vertegenwoordigt de nationale eenheid. Hij bekleedt de hoogste functie in Italië en hij heeft enkele van de prerogatieven van de vroegere koningen van Italië. Hij is als het ware het scharnierpunt van de drie machten: hij benoemt de uitvoerende macht en hij is de voorzitter van de gerechtelijke organisatie. De president is bovendien opperbevelhebber van de strijdkrachten, hoewel dit juridisch gezien erg complex ligt, aangezien de president formeel geen politieke macht heeft. Deze functie vertaalt zich in het voorzitterschap van de Hoogste Raad van Defensie, maar vanzelfsprekend gaat het niet om het effectieve, technisch-operationele commando.
Het commando van de strijdkrachten ligt dus formeel bij het staatshoofd, maar in de praktijk wordt het uitgeoefend door de minister van Defensie en daarmee door de regering. In het algemeen zijn de bevoegdheden van de president vrij gering. Omdat Italië een parlementaire republiek is, wordt het politieke gezag uitgeoefend door het parlement en de regering. Omdat de regering het hoogste orgaan van de uitvoerende macht is, heeft zij ook het openbare bestuur als taak (net als overigens de regeringen van de lagere bestuursniveaus). Op deze manier vormt de regering als het ware de ‘motor’ van de politiek. De premier is zo dus de figuur met de meeste politieke macht in Italië.
De president wordt gekozen door een kiescollege dat is samengesteld uit beide kamers van het parlement met daarbij 58 vertegenwoordigers van de regio’s. Zijn ambtstermijn duurt 7 jaar. Zijn verkiezing vereist in de eerste drie stemrondes een tweederdemeerderheid, maar in de daaropvolgende stemrondes volstaat een gewone meerderheid +1 stem. De enige twee presidenten die in de eerste stemronde werden verkozen waren Francesco Cossiga (1985) en Carlo Azeglio Ciampi (1999).
Ondanks dat het niet expliciet in de wet staat, kan een president na afloop van zijn termijn herkozen worden: Giorgio Napolitano was de eerste president die opnieuw werd gekozen. Zijn tweede mandaat begon in 2013.
De president behoort een neutrale positie in te nemen in het politieke debat en hij vervult een institutionele rol om de voortgang van het politieke proces te garanderen. De president kan ook wetten verwerpen die overduidelijk tegen de grondwet ingaan. Hij weigert dan te ondertekenen, omdat hij handelt als bewaker van de grondwet. Toch kan hij deze bevoegdheid slechts eenmaal bij eenzelfde wet uitoefenen.