thumb|Johannes Vermeer: Meisje met de parel, circa 1665-1667, Mauritshuis, een van de bekendste werken uit de Gouden Eeuw. Kenmerkend voor dit werk is de studie naar het karakter van een persoon.

De Nederlandse schilderkunst kwam in de Gouden Eeuw, goeddeels samenvallend met de 17e eeuw, tot grote bloei. De vraag naar schilderijen nam enorm toe en kunstschilders moesten zich van elkaar zien te onderscheiden. Dit leidde tot een grote artistieke dynamiek en een eigen stijlontwikkeling. De dominante richting sloot aan bij Italiaans gewortelde stromingen als de barok en het caravaggisme, maar neigde allengs onder invloed van het calvinisme meer naar een ingetogen realisme. Deze schilderwijze zou als uiteindelijk typisch "Hollands" worden bestempeld. Parallel daaraan waren ook het classicisme en het maniërisme van invloed.

Thematisch kwam de bloei in de 17e-eeuwse Nederlandse schilderkunst tot uiting in vrijwel alle genres. Historische en Bijbelse taferelen, vaak allegorisch uitgewerkt, portretten (zowel individuele als groepsportretten), huiselijke taferelen, interieurs, landschappen, stadsgezichten, zeegezichten en stillevens: vrijwel elk onderwerp kende zijn eigen bloeiperiode.

De belangrijkste Nederlandse kunstschilders uit de Gouden Eeuw zijn Rembrandt van Rijn, Johannes Vermeer en Frans Hals,Cf. Hollandse schilders in de Gouden Eeuw, blz. 9 soms aangevuld met namen als Jacob van Ruisdael en Jan Steen. Tot in de huidige tijd geldt de schilderkunst uit die periode als een van de belangrijkste handelsmerken en trekpleisters van Nederland.

Historische context thumb|Jacob van Ruisdael: De molen bij Wijk bij Duurstede, circa 1670, met een weidse, karakteristieke Hollandse lucht, dreigend, getrotseerd door een heroïsche molen. De Noord-Nederlandse gewesten kwamen in de tweede helft van de zestiende eeuw in opstand tegen de Spaanse overheersing, wat uiteindelijk zou leiden tot de vorming van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Een eerste markerend moment in deze vrijheidsstrijd was de beeldenstorm in 1566, toen calvinisten en lutheranen in diverse grote steden de beelden en altaarstukken in katholieke kerken vernielden. De reactie vanuit Spanje was nietsontziend. stuurde de hertog van Alva naar de Nederlanden om de reformatorische opstand de kop in te drukken. Deze actie had echter een averechts effect en leidde enkel tot een verheviging van het conflict. Met name de door moeras, water en rivieren omgeven (en daardoor goed verdedigbare en te foerageren) provincies Holland en Zeeland werden omgevormd tot onneembare vestingen en konden niet worden heroverd. Anderzijds bleken deze provincies in de strijd tegen Spanje evenmin in staat om de gehele Nederlanden te verenigen.

Een tweede cruciale gebeurtenis in de onafhankelijkheidsstrijd met de Spanjaarden was de val van Antwerpen in 1585, tot op dat moment de belangrijkste handelsplaats van de Lage Landen. Deze nederlaag was de aanzet tot een verschuiving van de maritieme welvaart van het zuiden naar de provincies Zeeland en Holland. Daarenboven leidde deze nederlaag tegen de Spanjaarden tot een migratie van duizenden veelal ontwikkelde burgers naar het noorden, mede ook vanwege de onderdrukking van de reformatie. De vluchtelingen brachten industriële en wetenschappelijke kennis met zich mee, die onder meer tot uitdrukking kwam in de latere bloei van de lakenindustrie in steden als Haarlem en Leiden en in de boekdrukkunst, zeevaartkunde en cartografie. Daarnaast vond er een verschuiving plaats op het gebied van de beeldende kunsten. Volgens kunsthistoricus Jan Briels vertrokken rond de eeuwwisseling zeker bijna honderd kunstschilders van zuidelijke herkomst naar de provincies Zeeland en Holland.Jan Briels, De Zuid-Nederlandse immigratie en de dageraad van de Gouden Eeuw, uit: Neerlandia/Nederlands van Nu. Jaargang 109, 2005, dbnl.org Met hen verhuisde niet alleen het aanzien van de kunst, maar ook diverse technieken en een aantal genres die later als typisch voor de schilderkunst in de Gouden Eeuw zouden worden beschouwd.

De kunstwereld in de Gouden Eeuw Kunstmarkt thumb|upright|Bartholomeus van der Helst: Portret van Gerard Andriesz Bicker, circa 1642, een jonge burger. De nieuwe burgerij en regenten vormden een belangrijke groep van opdrachtgevers.

De sinds het einde van de 16e eeuw in de Nederlanden geformaliseerde demarcatie van het katholieke zuiden en het gereformeerde noorden resulteerde in het noorden tot een verdere uitbanning van de katholieke devotionalia, in vervolg op de beeldenstorm. Daardoor bestond er plotsklaps geen artistieke broodwinning meer in de sfeer van kerkelijke decoratie. Gelukkig voor de kunstwereld bleek de reformatorische afkeer van afbeeldingen zich echter te beperken tot kerkinterieurs. Waar de muren daar in ras tempo kaal en witgekalkt werden, lieten degenen die zich enige luxe konden permitteren hun huizen in de 17e eeuw opluisteren met schilderkunst.

Veel meer dan in andere landen werd de Hollandse schilderkunst beheerst door de kunsthandel en het daarmee in verband staande kunst verzamelen. Het verzamelen van kunst vond eerder plaats in met name Italië, maar dan vooral ter decoratie van paleizen of villa's. Het verzamelen puur voor het genoegen was een nieuw fenomeen dat in de Republiek een hoge vlucht nam. In Amsterdam en omgeving bevonden zich in de 17e eeuw honderden collecties, waaronder die van Jan Six en Jan Reynst. Aan deze handel gelieerd opereerden weer verschillende andere handelaren, die een minder kapitaalkrachtig segment van de markt bedienden en vaak honderden schilderijen op voorraad hadden. Vaak hadden ze schilders in dienst. Hun invloed op de schilderkunst was groot. Voor Rembrandt was de belangstelling van kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh een belangrijke reden om in de jaren 1630 van Leiden naar Amsterdam te verhuizen.

Er was geen artistiek bepalend centrum, bijvoorbeeld rondom een absolutistisch vorstenhuis, zoals in veel andere Europese landen. Wel bevonden de meeste schilders en hun afzetgebied zich in de steden, voornamelijk in die van de provincie Holland. Volgens John Michael Montias waren er in 1650 in de steden Haarlem, 's-Gravenhage, Leiden, Utrecht, Delft en Alkmaar 280 meesterschilders werkzaam op een totaal van 192.000 inwoners, een gemiddelde van ongeveer één op 700 inwoners. In Amsterdam waren in datzelfde jaar 175 meesterschilders actief op 175.000 inwoners.Cf. De schilderkunst der Lage Landen, deel 2, blz. 138 Volgens Bert Biemans zijn in de gehele 17e eeuw in de Republiek ongeveer een miljoen schilderijen vervaardigd.Bert Biemans, Een schatting van het aantal schilderijen dat in de zeventiende eeuw in de Republiek is gemaakt, 13 mei 2007

De grote vraag naar schilderijen kan niet los gezien worden van een sterk toegenomen welvaart in de Republiek, die een hoge vlucht nam na de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie in 1602 en pas enigszins getemperd werd na het Rampjaar (1672). Die welvaart was bovendien voor Europese begrippen redelijk breed verdeeld. Ook een verandering in mode en smaak bij het inrichten van een huis was bepalend. Daarnaast pasten schilders hun technieken aan en gingen zij schetsmatiger, monochromer en dus sneller schilderen; ook maakten zij kleinere schilderijen, waardoor de kostprijs daalde. Een schilder als Hendrick Avercamp maakte voor zijn Winterlandschap met schaatsers van rond 1610 eerst nog een gedetailleerde voortekening om die vervolgens glacerend, met steeds een andere dunne transparante kleurlaag, uit te werken. Elke laag olieverf moest eerst volledig opdrogen voordat een volgende kon worden opgebracht. In ongeveer 1625 werd het 'nat in nat' geïntroduceerd, wat inhield dat het hele werk in één keer geschilderd werd. De productietijd werd daardoor teruggebracht van enkele weken naar een paar dagen.Boers, Marion (2012) De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw, blz. 26-27 Vooral stillevenschilders bleven echter de glaceertechniek hanteren.

Kunstschilders in de Republiek werkten over het algemeen niet in opdracht, afgezien van portretten, verscheidene bloemstukken of een sporadische opdracht van publieke aard. Dat een schilderij ondertekend was, wilde in de eerste helft van de zeventiende eeuw niet zeggen dat het altijd eigenhandig gemaakt was. Meestal had de meesterschilder alleen het ontwerp vervaardigd en de meest belangrijke onderdelen geschilderd. Het kwam ook voor dat hij het alleen flink had bijgewerkt. Door de felle onderlinge concurrentie nam wel het belang toe van een volledig eigenhandige creatie, maar tot halverwege de zeventiende eeuw bracht dat geen wezenlijke verandering teweeg in de manier waarop een schilderij gemaakt werd.Boers, Marion (2012) De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw, blz. 22

Manieren van verkoop Door de ontwikkeling van nieuwe genres als landschappen, zeegezichten en stillevens werd een nieuwe markt van belangstellenden aangeboord. Door de verschillende manieren van het aan de man brengen van kunst werden volop mogelijkheden gecreëerd om een schilderij aan te schaffen. Wie geld genoeg had om de "volle prijs" te betalen, kon bijvoorbeeld bij kunstwinkels terecht en wie weinig geld te verteren had, kon een gokje wagen om via een loterij een schilderij te vergaren. Ook bij de schilder thuis konden vaak schilderijen worden aangeschaft. Kunstschilders werden hierdoor een soort ondernemer, veelal ook gespecialiseerd in een bepaald genre waarvan ze meestal niet meer afweken. Ze probeerden op de eerste plaats zo veel mogelijk te verkopen. Om geen klanten te verliezen, brachten de schilders vertrouwde composities op de markt, alsook beproefde onderwerpen, waarbij ze een bepaald type koper op het oog hadden.John Loughman (1999) De markt voor Nederlandse stillevens, 1600-1720, in: Het Nederlandse Stilleven 1550-1720, blz. 94

Verder werden er veilingen gehouden en kon men op jaarmarkten en kermissen een schilderij kopen of er een winnen bij schutterswedstrijden en dobbelspelen (rijfelarijen). Schilderijen werden ook op straat verkocht, in herbergen, bij boekhandelaren en in Amsterdam was de meest zichtbare verkoop op bruggen en sluizen waar veel mensen langs kwamen.

Kunstbezit Vanaf ongeveer 1625 konden steeds meer mensen zich een origineel schilderij veroorloven, sommigen hadden zelfs vele tientallen schilderijen in bezit.Boers, Marion (2012) De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw, blz. 28 Toch was in de provincie Holland minder dan tien procent van de bevolking rijk genoeg om een origineel schilderij te kopen.Boers, Marion (2012) De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw, blz. 33 In een stad als Dordrecht, waar de economische vooruitgang minder was, kon echter voornamelijk alleen de rijkste bovenlaag zich een schilderij veroorloven. Zo goed als alle schilderijen werden aangeschaft door patriciërs, bemiddelde kooplui, meester-ambachtslieden met een groot eigen bedrijf, kleinere kooplui, voorname ambtenaren en personen die vrije beroepen als notaris, dominee en advocaat bekleedden. Ook schoolmeesters konden het zich permitteren, net als winkeliers en zelfstandige ambachtslieden. Een geschoolde ambachtsman had rond 1650 genoeg geld om een kopie te kopen en een middenstander of beter opgeleide ambachtsman kon zich een origineel werk van een schilder van de tweede garnituur veroorloven. Schilderijen werden indertijd als een betaalmiddel beschouwd. Tal van schilders kochten er goederen mee. Daardoor konden ook kleine kooplieden in het bezit van een schilderij komen. Van Jan Steen is bijvoorbeeld bekend dat hij een schilderij tegen wijn inruilde.Boers, Marion (2012) De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw, blz. 32