Het westwerk van de Sint-Servaasbasiliek is een romaans westwerk uit de elfde en twaalfde eeuw, dat onderdeel is van de Sint-Servaasbasiliek in de Nederlandse stad Maastricht. Het bouwwerk wordt gezien als een van de invloedrijkste westwerken uit de romaanse periode, met verschillende navolgingen. Opvallende elementen van het exterieur zijn de massieve onderbouw en de bogen over het Sint Servaasklooster. Van het interieur zijn de galerijen met de troonloge en de proostenkapel, en de onafgewerkte Keizerzaal van belang. De gebeeldhouwde westwerkkapitelen worden tot de hoogtepunten van de Maaslandse kunst gerekend.Den Hartog (1992), p. 183.
Geschiedenis Bouwgeschiedenis In de negentiende eeuw meende men dat het westwerk uit de Karolingische tijd stamde en zelfs door Karel de Grote gebouwd zou zijn, maar daarvoor is geen enkel bewijs voorhanden.De 'Karolingische mythe' gaat terug op Herbenus (1451-1538), die op zijn beurt verwees naar Jocundus (11e eeuw). Jocundus noemde wel de bemoeienis van Karel de Grote met de Sint-Servaaskerk, maar niet met het westwerk. Bosman (1983), pp. 70-71; Den Hartog (2002), p. 230. Bovendien wijst de architectuur ontegenzeglijk op een latere bouwperiode.
thumb|left|170px|Bouwnaad halverwege de tweede travee De architectuurhistoricus Aart Mekking, die met een groep studenten van de Universiteit Utrecht omstreeks 1980 een uitgebreid bouwhistorisch onderzoek deed in de Sint-Servaaskerk, is van mening dat de eerste bouwfase van het westwerk omstreeks 1020 begon. Aan de buitenzijde van het bouwwerk is halverwege de tweede geleding een bouwnaad zichtbaar, die het einde van de eerste bouwperiode zou markeren.Mekking (1982), pp. 174, 187-201. Het is niet waarschijnlijk dat de romaanse kerk die in 1039 in aanwezigheid van keizer Hendrik III werd ingezegend en waar hij enkele dagen later feestelijk herkroond werd, al een volwaardig westwerk bezat.
Zeker is dat proost Humbertus (proost van Sint-Servaas van ca. 1050-1086) aan het westwerk heeft gebouwd. Op zijn in 1988 ontdekte grafkruis wordt vermeld dat tijdens zijn bewind "drie kapellen aan de zijkanten en eentje aan de westzijde" (capellis III. lateralibus [et] una occidentali) tot stand kwamen. Het is echter niet zeker of deze westelijke kapel vereenzelvigd mag worden met het westkoor.
Waarschijnlijk werd het westwerk pas rond het midden van de twaalfde eeuw voltooid, tijdens het proostschap van Arnold van Wied (1138-1151), de periode waarin volgens kunsthistorica Elizabeth den Hartog de westwerkkapitelen tot stand kwamen.Den Hartog (2002), p. 219. Volgens Mekking verhuisde het in Maastricht werkzame steenhouwersatelier in het voorjaar van 1168 naar Eisenach, waar men in de Wartburg diverse kapitelen aantreft die duidelijk door dezelfde hand vervaardigd zijn als die in de Sint-Servaaskerk.Het jaartal 1168 is gebaseerd op dendrologisch onderzoek in de Wartburg. Mekking (1986), p. 292. Aangenomen mag worden dat het interieur van het Maastrichtse westwerk toen voltooid was. Mekking is van mening dat de torenbekroning, al dan niet met middentoren, pas tegen het eind van de twaalfde eeuw werd voltooid. Zijn onderzoek wees tevens uit dat tijdens deze bouwfase voor het eerst op grote schaal mergel als bouwmateriaal werd toegepast.Mekking (1982), pp. 174, 201-217, 230-231.Mekking (1986), pp. 130, 292-296.
Gebruik De symboliek van de architectuur van het westwerk (zie hieronder) en de voor een leek moeilijk te begrijpen thematiek van de kapitelen, maken duidelijk dat dit gedeelte van de kerk niet bedoeld was voor het gewone kerkvolk. Dit was het domein van de kanunniken en de proost, vooral bedoeld om indruk te maken op bezoekers van wie eveneens een zeker intellectueel niveau verwacht werd.In de woorden van Elizabeth den Hartog: "In my opinion, the persons for whom the capitals were intended belonged to the same category of people for whom luxury bibles, editions of St. Augustine's De Civitate Dei, encyclopaedic works and bestiaries were made. Only this select group of people would have been familiar with the meaning of the illustrations depicted on the capitals." Den Hartog (2002), p. 219. Hier werden hoge gasten ontvangen, belangrijke vergaderingen gehouden, verdragen gesloten en oorkonden ondertekend. In de noordelijke galerij van het westwerk bevond zich de privékapel van de proost. Deze was vanouds toegewijd aan Sint-Agatha, na 1165 ook aan Karel de Grote. Hier stond waarschijnlijk een houten beeld van de keizer.Den Hartog (2002), pp. 219-221, 230-232. De latere volksverering van Karel de Grote, vanaf de late veertiende eeuw, vond niet in het westwerk plaats, maar elders in de kerk.
thumb|left|170px|Triomfboog, troonloge en westwerkaltaar, reconstructie van A. Schaepkens, ca. 1840 Het westkoor in het westwerk was vanouds aan Maria gewijd. Hier bevond zich een Maria-altaar waarop waarschijnlijk een Mariabeeld stond, de nog in de kerk aanwezige dertiende-eeuwse Sedes sapientiae. Het Maria-altaar stond waarschijnlijk achter het nog ter plekke aanwezige westwerkaltaar (met onder andere een Maria-reliëf). In de Ordinarius Chori, een liturgisch handboek uit de late dertiende eeuw, wordt vermeld dat het westwerk een belangrijke liturgische functie vervulde op bepaalde feestdagen, zoals in de Kerstnacht en tijdens de Paaswake.De tweede mis in de Kerstnacht begon met de openingszang Lux fulgebit ("Een helder licht straalt over ons"). Ook in de Paaswake speelt de komst van het licht, symbool van Christus, een belangrijke rol. Het westwerk met het grote oculusvenster achter de troonloge, was daarvoor de geëigende plaats. Tagage (1987), p. 268. Tijdens het octaaf van Maria-Geboorte verhuisde het complete kapittel naar het westwerk ("Nieuwwerck"), om daar een week lang de getijden bij te wonen.Tagage (1987), p. 268.
Tijdens de plundering door de Spanjaarden in 1579 werden niet alleen de (zilveren?) kroon en rozenkrans van het Mariabeeld gestolen, maar ook de collectebus, die bedoeld was voor het onderhoud van het altaar en voor het opdragen van missen. Dat dit niet het einde was van het Maria-altaar in het westkoor blijkt uit een schenking in 1618, bedoeld voor zondagse missen aan dit altaar. Uit een mededeling in 1784 kan worden afgeleid dat in het "Nieuwwerk agter aan de Kerk" koorbanken stonden die voorheen (dus vóór 1784) gebruikt werden door cellebroeders om hier de mis bij te wonen.Tagage (1990), pp. 398-399.
Na de opheffing van het Sint-Servaaskapittel en een korte periode van secularisatie, werd de kerk in 1804 opnieuw in gebruik genomen, niet meer als kapittelkerk maar als parochiekerk. Een van de eerste acties van het nieuwe parochiebestuur was de bouw van een muur die het westwerk afscheidde van het kerkschip, wellicht vanwege bouwvalligheid van dit deel. Het dubbelreliëf van het westwerkaltaar werd in deze tijd ernstig verminkt. Later verdween de scheidingsmuur weer en werd het westwerk ingericht ten behoeve van het kerkkoor en het orgel. In 1845 werd op de grens van het westwerk en het schip het gipsen standbeeld van Karel de Grote van de hand van de Belgische beeldhouwer Willem Geefs geplaatst, ter vervanging van een ouder beeld, dat in 1812 in de toen gesloopte vieringscrypte was begraven.Dickhaut (1988), p. 298.
Verbouwingen, restauraties Het westwerk is in de loop der eeuwen grotendeels ongewijzigd gebleven. Alleen de torenspitsen en de beschildering van het interieur zijn diverse malen aan de smaak der tijd aangepast. Bij het bouwhistorisch onderzoek begin jaren tachtig meende men in het westwerk sporen te zien die wezen op de aanwezigheid van een achthoekige stenen middentoren.Bosman (1983), p. 71.Mekking (1986), pp. 237-239. Door anderen werd het bestaan van een romaanse middentoren ontkent.Brouwers/Dickhaut (1984), pp. 114-115. Op een laat-vijftiende-eeuwse miniatuur zijn alleen de beide hoektorens te zien, geen middentoren. Volgens de Maastrichtse humanist en geschiedschrijver Matthaeus Herbenus werd de middentoren speciaal voor de in 1515 gegoten luidklok Grameer gebouwd. Deze werd in 1556 vervangen of aangepast door Jan Pyens (of Piem), om plaats te bieden aan de nieuwe beiaard. Deze laatgotische toren bestond uit een achtkantige opbouw met vensteropeningen en een houten torenspits bekleed met lood en leien. In 1768 kreeg het westwerk een totaal ander aanzien door de nieuwe torenbekroning van de Luikse architect Étienne Fayen (ook gespeld: Fayn of Faën), vermoedelijk in opdracht van proost Petrus Renier van Wassenaer Warmond. Fayen vulde de gehele ruimte tussen de stenen opbouwen van de hoektorens op en plaatste daarop drie met elkaar verbonden baroktorens. In diezelfde periode werd de beiaard vervangen door een nieuwe van de Leuvense klokkengieter Andreas van der Gheijn, en werd op de middentoren een uurwerk aangebracht van de Maastrichtse klokkenmaker François de Beefe.
thumb|left|170px|Interieur vóór restauratie (A. Schaepkens, 19e eeuw)
Tussen 1887 en 1901 werd het westwerk door architect Pierre Cuypers gerestaureerd, waarbij onder andere het sterk aangetaste muurwerk werd hersteld. De barokke torenbekroning van Fayen maakte plaats voor de nog bestaande hoektorenspitsen en een hoge neogotische middentoren, die in 1890 werd voltooid.Cuypers maakte twee ontwerpen voor de middentoren, die beide verwezen naar de toren van Pyens. Ontwerp A was een belfortachtige constructie met halverwege een gaanderij en twee overdekte luchtbruggen naar de zijtorens. Ontwerp B, waarvoor het kerkbestuur uiteindelijk koos, had een robuuste onderbouw en een hoog opgaande torenspits. Een van de argumenten om voor dit ontwerp te kiezen was de onderbouw, die een stevige basis zou vormen voor Grameer en het klokkenspel. In de notulen van het kerkbestuur uit 1887 wordt deze beslissing als volgt gemotiveerd: "Wat de plannen van den westelijke middentoren aanbelangt, zoo is het kerkbestuur geneigd de voorkeur te geven aan het ontwerp B; eensdeels omdat dit ontwerp de oorspronkelijke schepping teruggeeft van den middeleeuwschen architect die de Gotische verbouwing der Kerk op meesterlijke wijze doorvoerde, en ten andere omdat volgens dit ontwerp de zware last van den toren met de groote klok (Grameer) en het klokkenspel zijn steun vindt op de stevige ondermuren, terwijl de onmiddellijke steun der constructie A slechts neerkomt op balken en timmerwerk". Van Hellenberg Hubar (1982), p. 48. In het interieur van het westwerk werden twee stookkelders aangelegd voor een verwarmingsinstallatie. Hier en daar werden extra deuren en vensters aangebracht. Het westkoor en de galerijen kreeg een typisch negentiende-eeuwse polychromie, waarbij vooral de bont beschilderde zuilen en vergulde kapitelen de aandacht trokken. De Keizerzaal werd ingrijpend gerestaureerd, waarbij twee van de vier grote bogen werden voorzien van tussenbogen met nieuwe zuilen en kapitelen, een herstel van de oorspronkelijke toestand.Brouwers/Dickhaut (1985), pp. 190-191. Ook de tegelvloer dateert uit deze tijd.Mekking (1982), pp. 167-171.