Een belastingsfactor is een getal dat aangeeft hoe zwaar een apparaat zoals een (bedraad) telefoontoestel, antwoordapparaat, fax, modem of DECT-basisstation een openbaar telecommunicatienetwerk belast. Hiermee kan worden bepaald hoeveel apparaten op het netwerk mogen worden aangesloten. Aansluitfactor is een term voor in principe hetzelfde.

Inleiding Apparaten aangesloten op het openbare netwerk nemen stroom af en 'belasten' daardoor het netwerk. Nationaal en internationaal zijn daarom eisen gesteld aan de maximale belasting van telefoonlijnen. Deze maximale belasting wordt in het Nederlands taalgebied aangeduid met belastingsfactor (voorheen aansluitfactor), op Europees niveau met loading factor (LF), in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië met ringer equivalence number (REN) en bijvoorbeeld in Canada met load number. Julie K. Petersen, The Telecommunications Illustrated Dictionary (2002), trefwoorden Load Number en Ringer Equivalence Number. Gearchiveerd op 31 mei 2023. De REN in de Verenigde Staten is gedefinieerd in: 47 CFR Part 68 , §68.312 (pagina 336) van de Federal Communications Commission (FCC), op de website van de Telecommunications Industry Association (TIA). De definitie van de REN in Groot-Brittannië is gebaseerd op de elektrische eigenschappen van een telefoonbel van het type 59D, gebruikt door British Telecom. Bij overschrijding van de maximale belasting is het mogelijk dat de apparaten niet meer goed functioneren of de telefoon niet meer overgaat en wordt onredelijk veel beslag gelegd op de beschikbare netwerkcapaciteit.

De belastingsfactor of aansluitfactor is vooral van belang bij parallel geschakelde apparaten, omdat de totale weerstand daarvan lager is dan de laagste van de afzonderlijke weerstanden, waardoor de apparaten gezamenlijk meer stroom afnemen dan één apparaat doet (wet van Ohm). Dit geldt niet alleen voor vaste weerstanden, maar ook voor elektrische componenten die een frequentieafhankelijke wisselstroomweerstand (impedantie) hebben, zoals spoelen. In serie geschakelde apparaten belasten het openbare netwerk juist minder, doordat de weerstanden bij elkaar opgeteld moeten worden.

Eind twintigste eeuw begon het Europees Telecommunicatie en Standaardisatie Instituut (ETSI) in opdracht van de Europese Commissie met de geleidelijke harmonisatie van de Europese standaarden voor telefoonaansluitingen en randapparatuur in een poging een einde te maken aan de verschillende technische eisen die tot dan toe in de Europese landen werden gesteld. De basis hiertoe was gelegd door een discussiestuk ('groenboek') van de commissie uit 1987 Towards a Dynamic European Economy: Green Paper on the Development of the Common Market for Telecommunications Services and Equipment , Europese Commissie, 30 juni 1987, in het Internet Archive. waarin de voortschrijdende technische ontwikkelingen in kaart waren gebracht en het verlangen naar marktliberalisatie en harmonisatie en daarmee verdere Europese integratie uiteen was gezet.Zie ook David Stevens, Toezicht in de elektronische-communicatiesector, Larcier, 2010, p. 56 e.v. Een onderdeel van de harmonisatie was de definitie van de belastingsfactor van apparatuur en de manier waarop deze factor (een getal tussen 0 en 100) kan worden berekend. Volgens de ETSI-norm moeten Europese PSTN-lijnen minimaal een belastingsfactor van 100 aankunnen, en parallel of in serie op een lijn aangesloten toestellen mogen dit getal daarom niet overschrijden. Het verschil met de oude Nederlandse 'aansluitfactor' is dat bij de berekening van de Europese belastingsfactor meer technische aspecten van het apparaat in aanmerking worden genomen en dat de aansluitfactor was gebaseerd op een willekeurige schaal van 0 tot 5 in plaats van 0 tot 100.

Hoewel de voorgeschreven capaciteit van het openbare netwerk op 100 is gesteld, kan de werkelijk beschikbare netwerkcapaciteit bij het aansluitpunt van een consument overigens variëren, doordat deze afhankelijk is van de tolerantiewaarden van de telefooncentrale en de lengte en kwaliteit van de abonneelijn. Woont een abonnee bijvoorbeeld dicht bij een centrale, dan is de lijnimpedantie lager en daarmee de belspanning hoger.

Belastingsfactor Berekening De belastingsfactor kan worden berekend door eerst de volgende metingen te verrichten,De praktische uitvoering van de metingen wordt beschreven in de documenten en . Zie hiervoor de geraadpleegde literatuur. die alle hun eigen belastingsfactor opleveren.

Toestand van apparaat Te meten parameter Waarde voor 100 LU Belastingsfactor Rust, doorverbondenDe Engelse term is transferred (state), d.w.z. het apparaat heeft de verbinding (lus) doorgegeven aan een in serie geschakeld apparaat. Zou de verbinding zijn doorgegeven aan een parallel geschakeld apparaat, dan zou het eerste zich in de ruststand bevinden. (Een installatie moet zodanig zijn aangelegd dat slechts één apparaat tegelijk spraaksignalen kan overbrengen of ontvangen, wat inhoudt dat het apparaat op dat moment het hoofdtoestel is en de andere bijtoestellen zijn.) Weerstand naar aardeDe totale gelijkstroomweerstand tussen elke ader en aarde moet groot genoeg zijn. R = 10 MΩ 1000/R Rust, doorverbonden Impedantie naar aarde bij 50 Hz Z = 200 kΩ 20.000/Z Rust, doorverbonden GelijkstroomweerstandDe totale gelijkstroomweerstand op de lijn moet groot genoeg zijn. R = 1 MΩ 100/R Rust Laagste impedantie bij 25 en 50 HzDe totale impedantie bij een belsignaal moet groot genoeg zijn. De frequentie van de wekspanning (belspanning) bij PSTN-lijnen van KPN Telecom is overigens altijd 25 Hz. Z = 4 kΩ 400/Z Rust, doorverbonden Laagste impedantie in de frequentieband 0,3 tot 3,4 kHzEen parallel geschakeld apparaat zou signaalverlies veroorzaken als de totale impedantie tijdens spraakcommunicatie te laag is. Z = 10 kΩ 1000/Z Rust, doorverbonden Laagste impedantie bij 12 en 16 kHz ± 1%Voor apparaten die niet bedoeld zijn om 12- en 16kHz-telimpulsen ('telefoontikken') te kunnen detecteren. Deze parameter is niet van belang voor aansluitingen op een PSTN-lijn van KPN Telecom, aangezien het KPN-netwerk sinds 2002 geen telefoontikken (50Hz-signalen) meer aanbiedt. Z = 10 kΩ 1000/Z Rust Gelijkstroom tijdens het rinkelenEen gelijkstroom opgewekt door het apparaat tijdens het belsignaal (bijvoorbeeld als gevolg van het gebruik van een overspanningsbeveiliging) is ongewenst omdat het dan voor de telefooncentrale kan lijken of de telefoon is opgenomen, reden waarom de totale gelijkstroom laag genoeg moet zijn. I = 0,6 mA 100×I/0,6 Rust, lus Laagste verlies door asymmetrische impedantie t.o.v. aarde in de frequentieband van 50 tot 3400 HzDe symmetrie van de aders ten opzichte van aarde moet zo goed mogelijk zijn om overspraak te voorkomen. De waarde is op twee manieren te meten, zoals aangegeven in de eerste kolom. LCV = 46 dB 100×10(46-LCV)/20 Doorverbonden Rust, doorverbonden RuisParallel of in serie geschakelde apparaten mogen geen ongewenste stoorsignalen veroorzaken. N = -64 dBmp 100×10(64+N)/10 Afkortingen LU = Loading Unit ('belastingseenheid'). LCV = longitudinaal conversieverlies.Zie ITU-T Recommendation G.117 (1996). dBmp = het aantal decibel in verhouding tot 1 mW bij psofometrische weging (afleesbaar op een psofometer).

De uiteindelijke belastingsfactor van een apparaat is de hoogste factor die bij de metingen gevonden is, naar boven afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal.

Overigens is de belastingsfactor behorend bij een bepaald type en model apparaat slechts een gemiddelde, omdat de gebruikte elektrische componenten (weerstanden e.d.) een toegestane afwijking hebben, de zogenoemde tolerantie.

Aansluitfactor De aansluitfactor wordt bepaald door de elektrische eigenschappen van het toestel in ruststand en bij een binnenkomend gesprek, dus tijdens het rinkelen. In de meeste gebieden van Nederland mag de som van de aansluitfactoren van alle apparaten aangesloten op een PSTN-lijn niet hoger zijn dan 5.

Berekening De aansluitfactor kan worden berekend door eerst de volgende drie metingen te verrichten, die alle hun eigen aansluitfactor opleveren.

A: gelijkstroomweerstand De gelijkstroomweerstand van het toestel in rust bepaalt allereerst aansluitfactor A, zoals weergegeven in de volgende tabel.

Weerstand (MΩ) Aansluitfactor A 1,0 tot 2,0 1,5 2,0 tot 4,0 1,0 > 4,0 0,5

B: impedantie De impedantie van het toestel bij 25 Hz in relatie tot de capaciteit van het toestel in rust bepaalt vervolgens aansluitfactor B, en wel als volgt:

Impedantie (kΩ) bij 25 Hz Capaciteit (µF) ≤ 0,2 ≤ 0,5 ≤ 1,1 Aansluitfactor B 3,5 tot 6 2,5 2,5 2,5 6 tot 9 2,0 2,0 2,0 9 tot 13 1,5 1,5 2,0 of 1,5 bij ≤ 0,6 µF en ≥ 12 kΩ 13 tot 20 1,0 1,0 1,5 > 20 0,5 1,0 1,5

C: laagste impedantie De laagste impedantie in de spraakband, 300 tot 3400 Hz, bepaalt ten slotte aansluitfactor C volgens onderstaande tabel.

Impedantie (kΩ) Aansluitfactor C 15 tot 18 2,5 18 tot 24 2,0 24 tot 36 1,5 36 tot 50 1,0 > 50 0,5

Resultaat De uiteindelijke aansluitfactor van het apparaat is nu de hoogste factor die bij de drie metingen gevonden is, dus A, B of C.

Zoals in de tabellen hierboven te zien is, varieert de aansluitfactor van apparatuur tussen 0,5 en 2,5, zodat minimaal twee apparaten parallel op een lijn kunnen worden aangesloten om het belastingsmaximum van 5 van het openbare netwerk niet te overschrijden.Merk op dat een huis- of bedrijfscentrale (PBX of PABX) de totaal beschikbare netwerkcapaciteit van 5 mag benutten. De oude PTT-toestellen T65,Het standaardmodel vanaf 1965 tot 1987. Daarvoor was Model 1955, vervaardigd van bakeliet, het derde naoorlogse standaardmodel, geproduceerd door Heemaf, dat sinds 1931 voor de PTT telefoontoestellen maakte. Unifoon en Diavox hadden een aansluitfactor 2,5. De latere T88Geïntroduceerd in 1988 en bedoeld als opvolger van de T65, maar door de liberalisatie van de telefoniemarkt een jaar later zou de markt met vele andere merken en modellen worden overspoeld. had een aansluitfactor 1. Een T65 of ander vierdraadstoestel aangesloten volgens de tweepuntsschakelingBij een tweepuntsschakeling loopt de stroomkring van beide toestellen gedeeltelijk door het andere toestel heen, waardoor zij elkaars stroomkring kunnen onderbreken wanneer de hoorn wordt opgenomen. Voor dit bedradingsschema is een vieraderig telefoonsnoer nodig. en met uitgeschakelde bel had een aansluitfactor 0.

Aansluitfactor per model thumb|Een Diavox (gemaakt door Ericsson) met aansluitfactor 2,5 Onderstaande tabel geeft een overzicht van de aansluitfactoren van het PTT-telefoonassortiment in 1992 en bekende oudere toestellen.Bron: PTT Telecom.

+ Aansluitfactoren van PTT-telefoons Factor Modellen assortiment 1992 0,5 Malmö 4/Malmö 16 1 Amsterdam, Cannes, Locarno, Malmö, Malta, Montreux Basic, Montreux 12, Rio 12, Sydney II, T88 NH, Vox 120 1,5 Headvox, Helsinki 10, Locarno 16, Monza 10, Monza deluxe/speaker, Nice 10, Paris 10, Stockholm, Toronto, Twintoon plus, Twintoon 10N, Utrecht, Vox 105, Vox 122 2 Beocom 1000, Coinvox 5, Genève 12, Golf, Groningen 9, Miami 185M/585M, Napels 10, Palermo, Palermo plus, Palermo plus AT, Palermo 10, Palermo 18/18HV, Palermo 22, Torino/Torino Elite, Vox 300, Vox 500, Vox 520/530 Factor Andere toestellen van voor 1992 1 T88, T88 N/T88 N-OV 1,5 Twintoon B Basic, Twintoon 10 IDK, Twintoon 10 IDK/KTD, Twintoon 10 TDK 2 Florence, Memofoon (diverse typen) 2,5 Diavox IDK, Diavox (S) TDK, T65 kiesschijf, T65 TDK, Unifoon IDK, Unifoon TDK

Goedkeuringsmerk thumb|De aansluitfactor vermeld op een etiket