Wiehenvenator is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Tetanurae, dat tijdens het Middelste Jura leefde in het gebied van het huidige Duitsland. De enige benoemde soort is Wiehenvenator albati.

Vondst en naamgeving In 1998 vond geoloog Friedrich Albat de resten van een grote theropode in een verlaten steengroeve van het bedrijf Pott bij de Lutternsche Egge, in het Wiehengebirge bij de stad Minden. Dit werd van oktober 1998 tot oktober 2001 verder uitgegraven. Het was de eerste grote theropode die in Duitsland was gevonden en kreeg van de pers ruime aandacht en de bijnaam Das Monster von Minden. In 1999 schatte een artikel in de Duitse uitgave van het blad van de National Geographic Society de lengte van het dier op vijftien meter, wat het tot de grootste toenmalig bekende vleesetende dinosauriër zou maken. Deze schatting werd overigens door verschillende onderzoekers betwijfeld. Daarnaast waren er vele speculaties over de verwantschappen van het dier. left|thumb|upright=1.5|De locatie van de vindplaats In 2016 werd de typesoort Wiehenvenator albati benoemd en beschreven door Oliver Walter Mischa Rauhut, Tom R. Hübner en Klaus-Peter Lanser. De geslachtsnaam verbindt een verwijzing naar het Wiehengebergte met een Latijns venator, "jager". De soortaanduiding eert Albat als ontdekker. Omdat de naam werd gepubliceerd in een elektronisch tijdschrift zijn Life Science Identifiers nodig voor de geldigheid ervan. Deze zijn 95638CFF-5618-4D31-9086-D821F6EE6B39 voor het geslacht en 262FA776-9ABC-4565-9A17-931CB4BEFBFC voor de soort.

Wiehenvenator is gebaseerd op een reeks syntypen die gevonden zijn in een laag van de Ornatentonformatie die dateert uit het middelste Callovien. Samen vormen ze een gedeeltelijk skelet met schedel. Het betreft de specimina WMN P27475: een rechterpraemaxilla, WMN P27504: een rechterbovenkaaksbeen, WMN P27457: een rechtertraanbeen, WMN P27477: een rechterpostorbitale, WMN P27470: een mogelijke voorste tak van een rechterquadratjugale, WMN P27461, 27462, 27466: delen van een rechterdentarium, WMN P27454, 27456, 27459, 27467, 27473, 27483: zes losse tanden, WMN P27499, 27500, 27501: drie staartwervels, WMN P27464, 27465, 27476, 27480, 27503: vijf ribben, WMN P27455: een paar vergroeide middelste segmenten van achterste buikribben, WMN P27482: een vingerkootje, WMN P27479, 27502: beide kuitbeenderen, WMN P27458: het rechtersprongbeen, en WMN P27484: een stuk rechterhielbeen. Al deze beenderen behoren vermoedelijk tot één individu. Hetzelfde zou kunnen gelden voor de twee op wat grotere afstand gevonden elementen WMN P29131 en WMN 47417: twee staartwervels. Het exemplaar is jongvolwassen en ouder dan tien jaar.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Wiehenvenator in grootte vergeleken met een mens Wiehenvenator heeft een lichaamslengte van acht à negen meter. Vergelijking van het bovenkaaksbeen met dat van Torvosaurus gurneyi wijst op een lichaamslengte van zo'n acht meter. De staartwervels en kuitbeenderen zijn even lang, respectievelijk wat langer, dan de overeenkomende elementen van Torvosaurus tanneri die op negen meter geschat is. Uitgaande van de omvangrijker schattingen was Wiehenvenator in 2016 op Torvosaurus gurneyi na de grootste bekende theropode uit Europa.

De beschrijvers wisten enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen. Sommige daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide kenmerken. Het traanbeen heeft, vóór de opening in de zijwand, een ovale verdieping in het gedeelte dat deel uitmaakt van de uitholling rond de fenestra antorbitalis. De voorste tak van het traanbeen is zeer kort en hoog met een lengte die minder bedraagt dan de helft van de hoogte van het element als geheel. Het postorbitale been heeft in het bovendeel van de voorkant van de neergaande tak een facet dat overdwars opvallend hol is, met een duidelijk opstaande binnenrand en buitenrand. Er bevindt zich een schuine richel op de binnenzijde van het kuitbeen op ongeveer het niveau van de bult voor de aanhechting van de Musculus iliofibularis. Het bovendeel van de opgaande tak van het sprongbeen is naar buiten gebogen, zo scherp dat een duidelijke knik in de buitenrand ontstaat.

Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De voorrand van de opgaande tak van de praemaxilla staat van de voorrand van het hoofdlichaam af door een lichte uitholling. De eerste premaxillaire tand is veel kleiner dan de tweede, net als bij de Spinosauridae. De binnenste opening in de praemaxilla ligt boven de tweede tandkas, niet de derde. Het gedeelte van de uitholling rond de fenestra antorbitalis dat op het bovenkaaksbeen ligt, is in omvang beperkt. De opgaande tak van het bovenkaaksbeen toont een kleine pneumatische uitholling ofwel excavatio pneumatica.

Skelet Schedel thumb|Wiehenvenator heeft een rechthoekige kop De schedel van Wiehenvenator, ongeveer negentig centimeter lang, heeft een min of meer rechthoekig profiel en is lang en laag. De neusgaten zijn zeer grote liggende ovalen. Ook de fenestra antorbitalis is laag en langgerekt. De oogkas had vermoedelijk de vorm van een verticale ovaal; er zijn geen aanwijzingen voor een onderste punt die het profiel van een sleutelgat zou hebben opgeleverd.

De snuitpunt is in zijaanzicht nogal stomp, iets naar achteren hellend, met een in zijaanzicht rechthoekige praemaxilla. Iets boven het hoofdlichaam daarvan is er een kleine deuk in het profiel. Er bevindt zich een groot foramen onder de opgaande tak, dat naar beneden uitloopt in een uitholling die weer door twee kleinere foramina doorboord wordt. Het foramen loopt naar boven over in een richel die de voorste begrenzing vormt van de uitholling rond het neusgat. Naar binnen vormt het foramen een schuin naar boven lopend kanaal dat boven de tweede tandkas uitkomt, in plaats van de derde tand. De snuit als geheel moet in bovenaanzicht erg smal en scherp zijn geweest. De eerste premaxillaire tand moet veel kleiner zijn geweest dan de tweede met een verhouding van de doorsnede van de tandkassen van twee tegen drie centimeter. Zo'n extreme verhouding is zeldzaam onder theropoden. De eerste tand is ook extra naar binnen geplaatst. Het bovenkaaksbeen, een halve meter lang, is langwerpig en naar voren hoog oplopend tot een hoogte van drieëntwintig centimeter, de opgaande tak meegerekend. Op dit punt is het element ook opvallend overdwars dik, vijfenveertig millimeter. De voorste tak is lang met een lengte van achttien centimeter vóór de fenestra antorbitalis en veertien centimeter vóór de omringende fossa daarvan; de hoogte bij de basis van de opgaande tak is zeventien centimeter. De opgaande tak heeft aan de basis een holle voorrand maar die gaat met een plotse knik over in een rechter meer naar achteren gericht stuk. Het 111 millimeter lange raakvlak met de praemaxilla helt naar achteren. De achterste tak is, hoewel lager dan de voorste, toch nog vrij hoog met een slechts geleidelijk naar beneden aflopende bovenrand. De achterste tak heeft vrij hoog een nauwe diepe groeve waar de voorste tak van het jukbeen in past. De uitholling rond de fenestra antorbitalis is smal, ook vooraan. Volgens de beschrijvers ontbreekt daarom een fenestra maxillaris maar is er wel een grote fenestra promaxillaris, niet van bezijden zichtbaar, die toegang biedt tot een holte in de basis van de opgaande tak. De buitenwand van het bovenkaaksbeen is glad maar doorboord door vele foramina. De kleinere openingen daaronder zijn laag geplaatst in een zigzaglijn; grotere foramina bevinden zich hoger. Het kan zijn dat het bovenkaaksbeen een klein deel uitmaakte van de onderrand van het neusgat. Het bovenkaaksbeen draagt dertien tanden met een lengte van de tandrij van eenenveertig centimeter. De derde tand was kennelijk het dikst omdat daar de tandkas de grootste dwarsdoorsnede heeft, van vijfenveertig millimeter. De tandkassen zijn erg hoog. Tussen de tiende en elfde tandkas verdikt de binnenwand van het bovenkaaksbeen zich plotseling zodat een getrapte dwarsdoorsnede ontstaat. De tanden worden van achteren ondersteund door niet-vergroeide interdentaalplaten met verticale richels aan de binnenzijde. De interdentaalplaten vormen een opstaande richel maar een paradentale groeve aan de bovenzijde daarvan ontbreekt. De richel ligt op ongeveer twee derden van de hoogte van het bovenkaaksbeen en bereikt zijn hoogste punt tussen de derde en vierde tand om naar voren geleidelijk naar beneden te lopen. Tussen de tweede en derde tand loopt een groot dentaal foramen, vermoedelijk een opening voor een bloedvat, hoger dan de richel uit. De onderkanten van de interdentaalplaten liggen duidelijk hoger dan het niveau van de buitenranden van de tandkassen. De interne vleugel van het bovenkaaksbeen ontspruit duidelijk boven het niveau van de richel. thumb|De bewaarde elementen van de schedel Het traanbeen is zoals bewaard achttien centimeter hoog; enkele centimeters van de onderkant van de neergaande tak ontbreken. Het heeft het normale profiel voor basale theropoden: een omgekeerde en naar links geroteerde L. In dit geval is de voorste tak echter uitzonderlijk kort en hoog: het stuk heeft een verticale dikte van 122 millimeter. De bovenrand van de tak is bol; de onderrand heeft in het midden een bol stuk. Een echte hoorn ontbreekt op het traanbeen maar de achterste bovenhoek heeft een klein afgerond uitsteeksel naar boven toe. De neergaande tak is hol over de achterrand en licht bol over het onderste stuk van de voorrand. De voorste tak is overdwars vrij dun maar de neergaande tak is dik. De uitholling rond de fenestra antorbitalis loopt door tot in de hoek tussen de bovenste en neergaande tak en over de voorste onderkant van de neergaande tak. Beide stukken lopen echter niet direct in elkaar over maar worden gescheiden door een naar voren bollende uitstulping van de buitenwand van het traanbeen, anders dan bij Torvosaurus. Deze uitstulping steekt echter niet sterk in de fenestra antorbitalis uit en loopt maar iets verder uit dan de binnenwand. Buitenwand en binnenwand zijn gescheiden door een verticale groeve die meteen het bovenste en onderste deel van de uitholling verbindt. In het midden van de groeve bevindt zich een kleine opening, wellicht de voorste uitgang van het foramen lacrimale. De onderste uitholling vormt een driehoekige beenplaat in zijaanzicht die door een lage verticale richel in een voorste en achterste portie wordt verdeeld. De voorkant van de uitholling begrenst de eigenlijke fenestra antorbitalis met een lage opstaande rand. De bovenste uitholling loopt door in een fenestra lacrimalis die de opening vormt van een enkelvoudige ronde luchtkamer. Voor deze opening ligt een kleine maar diepe ovale inzinking, elf millimeter breed en acht millimeter hoog, aan de buitenzijde van de basis van de voorste tak. De uitholling loopt door over de volle zijkant van de voorste tak, zonder bovenste opstaande rand, wat een vrij zeldzaam kenmerk is dat niet bij Torvosaurus voorkomt. Van de verdikte achterhoek van het traanbeen uit loopt een verdikte richel schuin naar beneden over de binnenzijde van de neergaande tak. De richel begint op ongeveer twee derden van de hoogte aan de achterrand en eindigt onderaan aan de voorrand, onderwijl lager wordend. Dit geeft de hele binnenkant van de neergaande tak een gewrongen uiterlijk waarbij het bovenste achtervlak overgaat in het onderste zijvlak. De achterrand van de neergaande tak is overdwars dikker dan de voorrand. Op de achterrand bevindt zich tussen het voornoemde bovenste achtervlak en onderste zijvlak een opstaande rand die schuin naar beneden en de buitenwand van het traanbeen loopt.