thumb|Roman de Renart, uit een Frans handschrift van circa 1300 Van den vos Reynaerde is een episch dierdicht dat geldt als een hoogtepunt in de hoge Middelnederlandse literatuur. Het is gebaseerd op het Latijnse dierenepos Ysengrimus. In totaal telt het 3469 versregels en is geschreven in het Middelnederlands. Waarschijnlijk werd het geschreven tussen 1257 en 1271.

Strikt genomen betreft het verhaal geen fabel, maar een epos (heldendicht) in de vorm van een dierenverhaal. Wel bevat het elementen die typerend zijn voor fabels – zoals antropomorfisme: dieren die spreken en handelen als waren zij mensen – en lijkt het verhaal geïnspireerd op bekende fabels uit de oudheid.

Benamingen Het epos en de vos worden tegenwoordig ook aangeduid als Reinaart de vos, Reinaert de vos of Over de vos Reinaert. Voor literatuurkenners volstaat de Reynaert. Vossenverhalen gebruiken variaties zoals Reintje of Reintje de Vos. Een eerdere versie dan de Reynaert is de 12e-eeuwse Franse Roman de Renart.

Oorsprong Het verhaal zou in de 13e eeuw zijn geschreven door een zekere Willem, over wie in de eerste regels gezegd wordt dat hij nog iets anders gemaakt heeft, namelijk Madocke (tegenwoordig: Madoc) (Willam die madocke makede; in moderne versies vaak: Willem die ook Madoc schreef). Jacob van Maerlant vermeldt dit werk aan het eind van zijn Rijmbijbel.Alexia Lagast, "A la recherche de l’oeuvre perdue: kritische status quaestionis van het onderzoek naar de Madoc", Millennium 24 (2010), 19-33 Nog een aanwijzing is dat men bij de laatste verzen van het verhaal een acrostichon opmerkt: BI WILLEME. Deze vermeldingen worden echter ook wel gezien als een parodie op middeleeuwse auteursprologen en slotwoorden. Een mogelijke kandidaat is Willem van Boudelo, alias Willem Corthals.

De wortels van het Reynaertverhaal reiken diep in het verleden, tot Aesopus en Phaedrus, de grootste fabeldichters uit de klassieke oudheid. Een van de directe voorlopers is het omstreeks 1100 in het Latijn geschreven Ysengrimus, een eerste grote verzameling met fabels en verhalen over dieren met daarin een wolf centraal. De dieren hebben daar voor het eerst eigennamen. De dichter van dat werk is vermoedelijk "Magister Nivardus". Waarschijnlijk was hij een clericus die zeer goed de situatie van de Sint-Pietersabdij én het religieuze leven in Hulst en de wijde omgeving kende.

thumb|Negentiende-eeuwse editie voor kinderen Het Middelnederlandse Reynaertverhaal is echter in hoofdzaak gebaseerd op een Frans verhaal: Le Plaid, letterlijk vertaald 'het pleidooi'. Dit verhaal verscheen rond 1160 en was het eerste deel van een grotere verzameling vossenverhalen: Le Roman de Renart, geschreven door Perrout de Saint Cloude. De Vlaamse Reynaert volgt tot halverwege de plot van Le Plaid vrij getrouw om dan met Reynaerts tweede biecht een eigen weg in te slaan.

Van dit dierenepos is een manuscript integraal bewaard gebleven in het Comburgse handschrift, een codex die dateert van tussen 1380 en 1425 en afkomstig is uit het Gentse, vermoedelijk uit een kopiistenatelier. 'Van de vos Reynaerde' bevindt zich op de folio's 192 t/m 232.

Verhaal thumb|Reynaert de Vos miniatuur|Grimbeert verschijnt voor de koning en koningin, Sint-Niklaas, De Ster beeldengroep door Albert De Smedt Tijdens de hofdag van koning Nobel verschijnen alle dieren, behalve Reynaert de vos. Verschillende dieren doen hun beklag over de schurkenstreken van Reynaert: Isengrijn de wolf zegt dat hij de wolvin Hersinde heeft verkracht, de hond Courtois beschuldigt hem van diefstal en Pancer de bever getuigt over een moordaanslag op Cuwaert de haas en schending van de koningsvrede. Grimbeert de das, een neef van Reynaert, is de enige aan het hof die Reynaert verdedigt. Dan draagt de haan Cantecleer het lijk van de door Reynaert gedode hen Coppe aan. Koning Nobel besluit daarop om de vos voor het hof te dagen.

Reynaert lokt Bruun de Beer, die als eerste wordt gestuurd om hem te halen, in een val. Reynaert vertelt Bruun dat er honing zit in een opengespleten boom op het erf van Lamfreit de timmerman. Reynaert slaat de wiggen uit de boom en de beer komt hierdoor vast te zitten, waarna de dorpelingen hem vreselijk aftuigen. De beer weet uiteindelijk te ontkomen via de rivier en komt zwaar toegetakeld terug in het hof. Vervolgens gaat Tybeert de Kater als tweede op pad om Reynaert te ontbieden, maar ook hij wordt te grazen genomen. Reynaert spiegelt Tybeert vette muizen voor en weet hem in een strik te jagen in de schuur van de pastoor. Tybeert wordt afgerost en schiet er een oog bij in. In doodsangst valt hij het geslachtsdeel van de pastoor aan, tot ontzetting van diens vrouw Julocke. Na de terugkeer van Tybeert aan het hof geeft Grimbeert zich als derde op om zijn geliefde oom naar het hof te brengen. Door Reynaert wijs te maken dat hij bij verstek zal worden berecht als hij nu niet zou opdagen, krijgt hij hem mee. Onderweg doet Reynaert het verhaal van zijn misdaden bij wijze van geïmproviseerde biecht. Nauwelijks heeft hij de absolutie ontvangen en veertig slagen met een twijg ter boetedoening, of hij kijkt alweer likkebaardend naar de hoenders van een nonnenklooster. Maar dan komen ze aan het hof en blijkt de derde dagvaarding dus de goede (middeleeuwse getallensymboliek).

Met een nieuwe list probeert Reynaert zijn veroordeling te ontlopen. Hij vertelt over zijn jeugdjaren en hoe hij vroeger heel onschuldig met kippen speelde, tot hij er per ongeluk een doodbeet en verzot raakte op de smaak van bloed. Koning Nobel en de zijnen laten zich echter niet vermurwen en de grote baronnen veroordelen hem ter dood. Grimbeert en andere medestanders gaan weg omdat ze geen getuige willen zijn van de executie. Nadat ook zijn vijanden vertrokken zijn om een galg op te richten, vraagt Reynaert of hij zijn zonden mag opbiechten, zodat na zijn terechtstelling geen onschuldigen voor hem zouden boeten. Hij krijgt toestemming en hangt een verhaal op, waarin hij na een tijdje laat vallen dat hij over een gestolen schat beschikt en dat hij door die diefstal een complot tegen de koning heeft verijdeld. Nu heeft hij de aandacht vast, maar omdat hij als gereputeerde leugenaar over weinig geloofwaardigheid beschikt, gaat hij zijn eigen vader en zijn bondgenoot Grimbeert beschuldigen, naast Isengrijn, Bruun en Tybeert. Zijn vader had zogezegd de schat van koning Ermenrike ontdekt en op een geheime plaats verborgen. Met de vier andere verraders spande hij samen tegen de koning, maar Reynaert kwam hen op het spoor doordat Grimbeert zijn mond voorbij praatte tegen zijn vrouw Hermeline. Hij begon zijn vader te bespieden en ontdekte zo de schat, die moest dienen om tegenstanders van de samenzwering af te kopen en wapenvolk in te huren. Reynaert versleepte de schat naar een ander hol en voorkwam zo het onheil. Zijn vader hing zich op van gramschap, de andere samenzweerders bleven in hoog aanzien staan.

De koning en de koningin nemen Reynaert nu apart om meer over de schat te vernemen. De schat ligt volgens Reynaert begraven in Kriekeputte. De koning laat zijn wantrouwen uiteindelijk varen wanneer Cuwaert de haas erbij wordt gehaald en het bestaan ervan bevestigt. Daarop vraagt de koning Reynaert om hem de weg te wijzen. De vos weigert, omdat hij naar eigen zeggen in de ban is gedaan door de paus en met zo'n volk kan de koning zich immers niet eervol op weg begeven. Reynaert wil bovendien naar Rome en het Heilig Land om vergeving te krijgen. Nobel gelooft Reynaert en maakt Reynaerts veroordeling ongedaan. De vermeende verraders, verwittigd door Tiecelijn de raaf, worden ingerekend, behalve de achtergebleven Tybeert. Reynaert maakt zich nu vlug uit de voeten, maar niet zonder zijn vijanden nog eens te grazen te nemen. Uit het vel van Bruun krijgt hij een pelgrimstas en de poten van Isengrijn en Hersinde worden afgestroopt om hem tot schoenen te dienen. Dan vertrekt hij zogenaamd op bedevaart naar Rome. Vóór zijn vertrek wordt hij eerst thuisgebracht door Cuwaert de haas en Belijn de ram. In zijn burcht Malpertuus bijt Reynaert Cuwaert de strot door en samen met zijn vrouw en welpjes eet hij de haas op. Hij stopt de kop van Cuwaert in zijn pelgrimstas en geeft die mee met Belijn, onder voorwendsel dat het om brieven gaat voor koning Nobel waarmee Belijn veel eer zal halen als hij zich voordoet als hun auteur.

Wanneer klerk Botsaert de boodschap tevoorschijn haalt, beseft koning Nobel dat hij zich in de luren heeft laten leggen en dat hij zijn eer heeft verloren. Beschaamd laat hij het hoofd zakken, om dan een ijzingwekkend gebrul uit te stoten. De algehele ontluistering wordt enigszins gered door de oplossing waarmee het luipaard Fyrapeel op de proppen komt. Op zijn voorstel wordt Belijn als zoenmaal gegeven aan Bruun en Isengrijn. Wolven en beren zullen voortaan vrij jagen op de verwanten van Belijn en Reynaert. Op voorstel van Fyrapeel wordt tevens beslist om met alle edelen naar de burcht van Reynaert te gaan, om hem te doen hangen. De vos is intussen echter al met zijn gezin de wildernis in gevlucht.

Achtergronden In de traditie van de oudste dierenverhalen werden dieren met legendarische halve waarheden en hele verzinsels opgezadeld. De vos wordt beschreven als uitgesproken demonisch: hij is wreed, bedrieglijk, hebzuchtig, vals, ontuchtig en genadeloos. Hij ontziet niemand. In dit negatieve verwachtingspatroon ontwierp de dichter dit dierenverhaal omstreeks 1260 voor een hoofs of adellijk publiek, dat de gangbare opvattingen bevestigd wenste te horen en van een vos niets goeds verwachtte. De Dietse hofliteratuur kent een grote bloei en er is dus ruimte voor een goed dierdicht. De Reynaert stelde hen niet teleur. De vos is een lepe, doortrapte bandiet, want niet alleen heeft hij kippen doodgebeten, daarnaast staat hij Bruun en Tybeert naar het leven en lokt hij de naïeve Cuwaert genadeloos in een dodelijke val.

Willem was een nauwgezet man, die zich voor het samenstellen van zijn Reynaertepos goed gedocumenteerd had met en over de eerder genoemde bestaande dierenverhalen. Het werk is dus niet ontsproten aan de dichterische Volksseele, zoals lang werd vermoed. Evenmin is het ontstaan in de opkomende kleine burgerij.

Dierenwereld als allegorie miniatuur|Jacques Panneels & Charles de Vos, Le renard ou le procez des bestes, 1739, The Phoebus Foundation De belangrijkste reden waarom dit verhaal als een dierenverhaal is opgetekend, is het antropomorfisme. Dieren op menselijke wijze laten spreken en handelen is een bijzonder geschikte manier om mensen op indirecte wijze iets duidelijk te maken. Een dergelijk dierenverhaal toont immers een wereld in spiegelbeeld. Dieren treden handelend, denkend en sprekend op, alsof het mensen zijn. Mensen worden daarentegen doorgaans als domme, instinctieve en redeloze wezens afgeschilderd. Door het publiek deze allegorische spiegel voor te houden, wordt het volk geconfronteerd met hun eigen tekortkomingen zoals hebzucht, vraatzucht en corruptie.

Als bijkomend voordeel kan de auteur zijn beschrijving van de omgekeerde wereld volgens het principe 'man bijt hond' een eerder komisch effect geven. Op die manier is het mogelijk om, indirect en zonder mensen bij naam te noemen, op een aangename en ludieke wijze commentaar of kritiek te geven op de manier waarop het er in de mensenwereld aan toegaat. De auteur kan ook kritiek geven op machtige personen zonder te hoeven vrezen voor represailles, omdat deze kritiek indirect gebeurt, discreet en de personen niet bij naam genoemd worden.

Het beeld van de vos