De Koningskapel was een laatgotische kapel aan het Vrijthof in de Nederlandse stad Maastricht. De in 1478 ingewijde kapel was een stichting van de Franse koningen Karel VII en Lodewijk XI, waarschijnlijk in verband met een miraculeuze genezing, toegeschreven aan de bemiddeling door Sint-Servaas.Koldeweij (1985), pp. 186-187. Het aan drie zijden vrijliggende bouwwerk van mergelsteen was onderdeel van de Sint-Servaaskerk en had binnen die kerk een aantal specifieke functies, aanvankelijk vooral gericht op Franse pelgrims. Begin negentiende eeuw werd de kapel grotendeels gesloopt.
Geschiedenis De Koningskapel werd in 1463 gesticht in opdracht van Lodewijk XI van Frankrijk, wellicht in herinnering aan zijn twee jaar eerder overleden vader. Hij stelde daartoe de som van 1650 Franse ponden ter beschikking, in 1466 vermeerderd met 1200 kronen.Het eerste bedrag vertegenwoordigde 133,5 kilogram zilver, omgerekend circa € 75.000 (gebaseerd op de prijs van zilver in 2016). Het tweede bedrag vertegenwoordigde een hoeveelheid goud van 4140 gram, omgerekend circa € 145.000 (gebaseerd op de gemiddelde goudprijs in de periode 2011-2016). In totaal dus € 220.000. Of in 15e-eeuwse termen: ruim 1800 maal het weekloon van een meester-metselaar in Mechelen in 1465 (Zie: 'De opstand van 1467 te Mechelen'). Deze schenking aan het kapittel van Sint-Servaas, via het Maastrichtse stadsbestuur, kwam tot stand op 5 december 1463 na bemiddeling van Peter Bouten, secretaris van de koning, en Guillaume de Vatrije, ontvanger der gelden in Maastricht. De kwitantie van deze transactie is nog aanwezig in het Maastrichtse stadsarchief, onderdeel van het RHCL. Daarin is te lezen dat het geld bedoeld was voor een kapel met altaar en dat het kapittel het bedrag zou teruggeven, indien aan deze voorwaarde niet kon worden voldaan.Koreman (1982), pp. 32-33.Dickhaut (1989), pp. 374-375.
Wat de intenties van Lodewijk XI (en zijn vader) waren met de stichting van een kapel in het verre Maastricht, is onderwerp van discussie.Penners-Rafuttin (2014), p. 54. In een brief van de koning wordt godsvrucht als reden opgegeven ("uyt sijne loffelijcker devotien"). Geopperd is dat de bedevaartkapel bedoeld was ter herdenking van een wonder dat enkele jaren tevoren in de Sint-Servaaskerk zou zijn geschied. Diverse bronnen noemen Karel VII, de vader van Lodewijk XI, als initiatiefnemer van de kapelstichting.Koldeweij (1985), pp. 174, 176, 184-187. Karels moeder, Isabella van Beieren, was een nicht van hertog Hendrik XVI van Beieren, die te Maastricht genezen zou zijn van de jicht, na aanschouwing van het borstkruis van Sint-Servaas (volgens een legende zouden daarbij de voeten van het crucifix zijn afgevallen). De oudste bron voor deze wonderbaarlijke genezing dateert van 1544. Pas veel later werd deze gebeurtenis in verband gebracht met de bouw van de Koningskapel. Problematisch aan deze verklaring is het feit dat de onderlinge relaties in de Franse koninklijke familie in deze tijd bijzonder slecht waren: Lodewijk XI en Karel VII leefden sinds 1450 tot aan de dood van de laatste in 1461 in onmin en Karel VII stuurde zijn moeder in ballingschap, waarna zij hem onterfde en de Franse kroon aan de koning van Engeland schonk.Penners-Rafuttin (2014), pp. 54-55. Van Lodewijk XI is bekend dat hij (bij)gelovig was, maar hij stond vooral bekend vanwege zijn intriges ("de spin"). Waarschijnlijker is daarom dat de Maastrichtse stichting een weloverwogen zet was in het schaakspel van het Frans-Bourgondische conflict. Met zijn gulle gaven poogde de Franse koning de Bourgondisch-gezinde proost van het Sint-Servaaskapittel, Antonius Hanneron, aan zijn zijde te krijgen, om zo de Bourgondische machthebbers in het tweeherige Maastricht te dwarsbomen: de Brabants-Bourgondische hertog Filips de Goede en de Luikse prins-bisschop Lodewijk van Bourbon (zie ook: Raadkamer van Bourgondië).
De kapel, die het midden houdt tussen een vrijstaande kapel en een zijkapel, werd in de jaren na 1463 gebouwd en doet qua vormgeving enigszins denken aan de Sainte-Chapelle in Parijs, hoewel veel kleiner en minder ambitieus. Ongeveer gelijktijdig met de bouw van de kapel werden de kloostergangen van de Sint-Servaaskerk in gotische stijl vernieuwd. In de traceringen van de spitsboogramen zijn daar, naast het Bourgondisch kruis, de Franse lelie te herkennen.Wellicht wilde het kapittel, na het aannemen van een grote som geld van de Franse koning, zijn neutraliteit uitdrukken in het Frans-Bourgondische conflict. Zie ook Antonius Hanneron en Raadkamer van Bourgondië. De kapel was in 1478 gereed.Koldeweij (1985), p. 165. De bouwwerkzaamheden werden mogelijk ten dele geleid door de Waalse bouwmeester Cornelis de Wael, die van 1473 tot 1477 genoemd wordt als werkmeester van de Sint-Lambertuskathedraal in Luik en tegelijkertijd in Maastricht aan de Sint-Servaaskerk werkte. Later werkte hij in 's-Hertogenbosch, Utrecht en Haarlem. (2016): ‘Cornelis de Wael, de loopbaan van een Domloodsmeester’, in: Jaarboek Oud-Utrecht 2016, pp. 11-48.
Vanaf 1484 had, overeenkomstig de wens van de koning, de broederschap van kapelaans van het Sint-Servaaskapittel (ook wel "kleine kanunniken" genoemd) zijn dagelijkse zittingen en getijdengebeden in de kapel. Vóór die tijd kwamen de kleine kanunniken bijeen in het aan de overzijde van het Vrijthof gelegen Sint-Servaasgasthuis, maar dit werd door het rumoer van de aanwezige gasten als minder geschikt ervaren. Drie kapelaans, die vast aan de kapel verbonden waren en daar dagelijks de mis lazen in het Frans, werden door de Fransen betaald uit de opbrengsten van landerijen die door de secretaris van Lodewijk XI in Wessem en Beegden waren gekocht.Wellicht is daarmee hetzelfde bedoeld als het bedrag van 2000 dukaten, dat Jean le Feuvre, secretaris van Lodewijk XI, in april 1483 aan het Maastrichtse kapittel overhandigde (Dickhaut, p. 375). In 1488, vijf jaar na het overlijden van Lodewijk XI, ontving het kapittel opnieuw een bedrag van de Fransen. Het geld was deze keer bedoeld om het Sint-Servaasgasthuis uit te breiden met een nachtverblijf, een accommodatie die uitsluitend voor Franse pelgrims was gereserveerd.
In de Koningskapel, die aan San Salvator (Jezus als Verlosser of Zaligmaker) was toegewijd, werden op hoogtijdagen bepaalde relieken getoond om door pelgrims, vooral die uit Frankrijk, te worden vereerd. Het betrof het zogenaamde borstkruis van Sint-Servaas en twee verloren gegane reliekhouders met relikwieën van het Heilig Kruis: de monile van Sint-Servaas, volgens de overlevering door Sint-Servaas zelf gedragen, en een flesje met een splinter van het Heilig Kruis. Volgens sommige berichten werden deze laatste, kleinere reliekhouders om het grotere borstkruis gehangen, zoals dat ook in Aken en Keulen gebeurde. Naast de drie kruisreliekhouders werd in de Koningskapel soms de zogenaamde drinknap van Sint-Servaas aan het volk aangeboden om er geneeskrachtig water uit te drinken (hoewel dat meestal op het koor plaatsvond). Ook in dit opzicht was de Koningskapel een kopie van de Sainte-Chapelle, de reliekenkapel bij uitstek.Koldeweij (1985), pp. 165, 173, 186, 187, 228.
In 1797 werd het Sint-Servaaskapittel opgeheven en de kapittelkerk gesloten, waarbij een groot deel van de kerkinventaris verdween. In 1804 werd de kerk opnieuw ingewijd, nu als parochiekerk. In hetzelfde jaar, nog tijdens de Franse bezetting, werd de Koningskapel wegens bouwvalligheid gesloopt, op het onderste deel van de noordmuur na.
Eind negentiende eeuw, tijdens de grote kerkrestauratie onder leiding van Pierre Cuypers, heeft deze nog overwogen om de kapel te herbouwen, blijkens een tekening in zijn archief. Waarschijnlijk werd toen het muurrestant geconsolideerd en door middel van een hek afgesloten van het plein. De funderingen van de verdwenen muren waren in een perkje zichtbaar gemaakt. Een met hardsteen omlijst poortje in de resterende muur vormde de toegang tot de aan de kloostergang grenzende dienstgebouwen. Bij de grootschalige Vrijthof-opgravingen in de tweede helft van de twintigste eeuw werd de Koningskapel ongemoeid gelaten. In de jaren 1980 werd het hek verwijderd en sindsdien is de kapelruïne vrij toegankelijk vanaf het Vrijthof.
Cultureel erfgoed Historische afbeeldingen
Van de Koningskapel zijn enkele gedetailleerde tekeningen bewaard gebleven. Een vijftiende-eeuwse tekening van bruine inkt op perkament zou zelfs de bouwtekening kunnen zijn geweest. De tekening is onderdeel van een groter geheel, waarop ook de kloostergang van de kerk (in dezelfde tijd vernieuwd) en het beeld van Sint-Servaas zijn afgebeeld.Mekking (1986), pp. 147-148. Bijzonder is een miniatuur in een laat-vijftiende-eeuws Zuid-Nederlands handschrift in de British Library. De Chroniques abrégées des Anciens Rois et Ducs de Bourgogne bevat vrome teksten en tekeningen, die primair bedoeld waren voor Bourgondische ogen, mogelijk bedoeld voor de opvoeding van Filips de Schone. Afgebeeld is de twaalfde-eeuwse heilige Bernardus van Clairvaux en een groep cisterciënzers die op weg gaan om te prediken in Bourgondië. Het afgebeelde gebouw is niet zoals te verwachten de Abdij van Clairvaux, maar de Sint-Servaaskerk! De met Frans geld gebouwde Koningskapel is prominent afgebeeld op deze tekening, wat gezien zou kunnen worden als een provocatie.'Detailed record for Yates Thompson 32' op website British Library. Gearchiveerd op 2 december 2022.
Van de zeventiende-eeuwse tekeningen toont die van Remigio Cantagallina uit 1612 (thans in de KMSK-collectie in Brussel) de meeste details. Op de tekening zijn ook het ommuurde, naast de kapel gelegen ellendigenkerkhof te zien,Het ellendigenkerkhof was bedoeld voor behoeftige vreemdelingen (Ubachs/Evers, p. 163 'Ellendigenkerkhof'). Op een bouwtekening van de Hoofdwacht uit 1733 staat het aangegeven als "begraef plaets vant St.vaesgasthuijs". en daar vlakbij, de Sint-Servaasfontein.Koreman (1982), pp. 14-15. Niet iedereen wist de verhoudingen juist te treffen: op een tekening van Valentijn Koltz uit circa 1670-1678 lijkt de Koningskapel groter dan het koor van de Sint-Janskerk en heeft de kapel bovendien een rechte koorsluiting. In de achttiende eeuw tekende onder anderen Jan de Beijer het Vrijthof met een enigszins achter de Hoofdwacht verscholen Koningskapel. De gotische koorpartijen van de Koningskapel en de Sint-Janskerk aan weerszijden van het romaanse koor van de Sint-Servaaskerk, moeten vóór de bouw van de Hoofdwacht in 1736 een fraaie symmetrische aanblik hebben geboden.
Kapelrestanten thumb|Noordelijk muurrestant Koningskapel. In het plaveisel de contouren van verdwenen muren en steunberen In het plaveisel van het Vrijthof zijn de contouren van de Koningskapel weergegeven door middel van afwijkende patronen in de bestrating. Het resterende deel van de noordmuur geeft nauwelijks een indruk van de uitbundige architectuur van de kapel en is bovendien her en der aangevuld, zodat een muur van gelijkmatige hoogte ontstond. Wel is te zien dat de kapel bestond uit een eenbeukig schip van drie traveeën en een driezijdig gesloten koor. De gezamenlijke lengte van schip en koor bedroeg 13,3 m; de breedte van het schip 6,75 m (binnenmaten). De oorspronkelijke hoogte van de kapel is onduidelijk; hier spreken de diverse tekeningen elkaar tegen. Het noordelijk muurrestant is circa 380 cm hoog. Van de overige muren resteren slechts de funderingen, die in 1963 nog zichtbaar waren (zie afbeelding hierboven). Sinds de herinrichting van het Vrijthof omstreeks 1980 zijn deze door contrasterende kasseien in het plaveisel gemarkeerd.