thumb|Portret (profiel) van Jacobus Engelsma Mebius (in: Opwekkingsrede, 1814). Kunstenaar: Leonardus Schweickhardt (1783-1862). Jacobus Engelsma Mebius (Nijehaske, 25 januari 1749 — Hardegarijp, 30 januari 1838) was een Friese predikant en schrijver. Hij was ruim 60 jaar als predikant werkzaam, waarvan de laatste 41 jaar in Rijperkerk en Hardegarijp.
Mebius was lid van de kerkelijke commissie in Friesland (1800-1802), was medeoprichter van het Nederlandse Zendelinggenootschap en richtte enkele Friese afdelingen van het Bijbelgenootschap op.Mebius, Jacobus Engelsma, Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, op huygens.knaw.nl.
In 1809 werd Mebius benoemd tot doctor honoris causa door de hogeschool van Harderwijk.Mebius, Jacobus Engelsma, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek (deel 3), op dbnl.org. Hij was betrokken bij het Haagsch Genootschap ter bestrijding van de neologie, waar hij voor twee theologische verhandelingen een gouden medaille won.
Hij schreef onder meer Hoseas uit het Hebreeuwsch vertaald (Utrecht, 1799) en Gedenkwaardigheden uit de scheppings- en aartsvaderlijke geschiedenis (3 dln., Utrecht, 1799-1800).
Levensloop Jacobus Engelsma Mebius was de zoon van predikant Theodorus Ernestus Mebessen (of: Mebius) en Froukje Engelsma. Hij had een jongere zuster, Christina. Zijn vader leerde hem lezen en schrijven en onderwees hem vanaf zijn vijfde jaar in Latijn. Toen zijn vader twee of drie later op jonge leeftijd stierf (in 1757), werd Jacobus vier jaar lang onderwezen door zijn grootvader van moeders kant, Jacobus Engelsma (predikant in Gorredijk en schrijver van de Volglijst van predikanten). Van zijn grootvader leerde Jacobus naast Latijn ook Grieks.Jacobus Engelsma Mebius, Leerrede over II Cor. XII, ter gelegenheid van het vijftigjarige jubelfeest (oktober 1819). Hierin de biografische passages: blz. 1-2 en blz. 14-29. Hij was vernoemd naar deze grootvader (die geen zoon had), waarbij de familienaam Engelsma aan zijn achternaam was toegevoegd.Persoonlijke gegevens Jacobus Engelsma Mebius, op genealogieonline.nl. Hier staat vermeld: "Werd op verzoek van de grootvader aan moederskant naar hem vernoemd (Jacobus Engelsma) en de naam Engelsma werd aan de familienaam toegevoegd.". Gearchiveerd op 17 september 2016.
Na de Latijnse school in Leeuwarden, werd hij vanaf 1762 student aan de Hogeschool in Franeker. Na het schrijven van zijn dissertatie, studeerde hij in 1769 aan de hogeschool van Utrecht bij hoogleraar Bonnet. Mogelijk was hij, net als zijn grootvader, begunstigde van het Kruis- of Doumaleen in Oldeboorn (waarmee (theologie)studies werden bekostigd).Martha Kist, Geschiedenis van het Kruis- of Doumaleen te Aldeboarn, 2008.
thumb|De Hofkerk in Hardegarijp (uit 1711). Hij werd achtereenvolgens beroepen in Ureterp en Sigerswoude (1769-1775), Aengwirden (1775-1781), Oldeboorn en Nes (1781-1785), Jorwerd (1785-1789) en Rijperkerk en Hardegarijp (1789-1830). In de autobiografische passages van zijn redevoering in 1819 (bij zijn 50-jarige predikantschap) blikt hij op al deze gemeentes terug.
Jacobus Engelsma Mebius trouwde tweemaal. In 1775 huwde hij Elisabeth Wybes (gest. 1800). Zij kregen vijf kinderen: Wybe, Theodorus, Margje, Froukje en Martinus. Twee van zijn zoons werden eveneens predikant: Wybe Engelsma Mebius (onder meer in St. Jacobi Parochie) en Theodorus Engelsma Mebius (in Beers).
In 1807 trouwde hij met Anna Cloppenburg (gest. 1842). Zij kregen geen kinderen.
In juni 1815 werd Mebius, toen 66 jaar oud, plotseling blind. Hoewel zijn linkeroog eerst nog herstelde, verloor hij in het voorjaar erna voorgoed het zicht in beide ogen. Hij bleef echter als predikant werkzaam. In 1829 vierde hij zijn 60-jarige ambtsjubileum. Na zijn emeritaat, in 1830 (81 jaar oud), werd hij doof en kinds. Hij stierf op 89-jarige leeftijd.Naast de eerder genoemde bronnen zijn ook als biografische bronnen gebruikt: Biographisch Woordenboek van Nederlandsche Godgeleerden, op huygens.knaw.nl; Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde, op dbnl.org; en Biographisch woordenboek der Nederlanden, van der Aa, op dbnl.org. Gearchiveerd op 8 maart 2023.
Na zijn overlijden verscheen er een necrologie in de Algemeene konst- en letterbode (dl. 2, 1838).Berigten, Algemeene konst- en letterbode (dl. 2, 1938), op books.google.nl.
Autobiografische passages Mebius In de redevoering die Jacobus Engelsma Mebius uitsprak ter gelegenheid van zijn vijftigjarige evangeliedienst in vijf Friese gemeenten (uitgesproken op 31 oktober 1819 te Rijperkerk), blikt hij uitgebreid terug op zijn 50-jarige predikantschap, zijn jeugd en zijn onverwachte blindheid.
Mebius vangt de rede aan met het moment dat hij blind wordt:
Mebius voelde zich echter gesterkt door een zin uit het Nieuwe Testament, "Mijne genade is U genoeg; want mijne kracht wordt in zwakheid volbragt" (II Cor. XII, vs. 9), en hij pakte zijn werkzaamheden weer op:
Vanaf bladzijde 14 (citaten na te lezen in de voetnoten) schrijft hij uitgebreid over zijn vroege jeugd, zijn vader en grootvader en zijn studententijd. Hij noemt zijn ouders "waarde en teederlievende ouders" en stelt dat het gemis aan een openbare school werd goedgemaakt doordat zijn vader hem thuis kon onderwijzen."Ik werd in het begin van het jaar 1749 onder het dorp Mijehaske, op de streek genaamd de Heerenwal, geboren uit Theodorus Ernestus Mebius, Predikant aldaar, en Froukje Engelsma, oudste dochter van Jacobus Engelsma, eenen toen in Vriesland welbekenden Evangelie dienaar op de Gordijk; en kort daarna door den Heiligen doop aan God, Vader, Zoon en H. Geest opgedragen. Lang was ik het voorwerp der vereenigde liefde en zorge mijner waarde en teederlievende ouders, daar mijne eenige zuster eerst bijna vijf jaren na mij geboren werd. Door deze gunstige schikking des allerhoogsten werd het gemis van eene openbare school op mijne geboorteplaats vergoed, dewijl mijn vader zelf daarom de moeite op zich nam, om mij al vroeg in het lezen en schrijven te onderwijzen; zoo dat ik bij de geboorte mijner zuster reeds allerlei boeken in onze taal lezen konde", Leerrede, blz. 14. Zijn vader leert hem vanaf zijn vijfde jaar Latijn, tot aan zijn overlijden in 1757."(...) om de latijnsche taal te leren. Mijn Vader vatte dus ook gereedelijk dit werk op zich, kort, na dat ik vijf jaren oud was, en zette dit onvermoeid voort tot in 1757, wanneer eene bloedspuwing en daarop gevolgde longteering in Augustus een einde van zijn, voor mij zoo dierbaar leven maakte", Leerrede, blz. 14. Hij gaat dan bij zijn grootvader van moederszijde, Jacobus Engelsma, op de Gordijk wonen en deze leert hem tevens Grieks. In 1763 brengt zijn grootvader hem hoogstpersoonlijk naar de hoge school te Franeker, maar wordt op de terugreis verkouden en aan zijn werkzame leven komt een einde."Hij bracht mij toen nog zelf na de groote vacantie in 1763 naar de hooge School te Franeker, wanneer hij op de terugreis verkouden geworden zijnde welhaast zijn werkzaam leven moest verlaten", Leerrede, blz. 15. Tweemaal wordt Jacobus Engelsma Mebius zelf ernstig ziek: eenmaal door een galkoorts op de Gordijk, en eenmaal door roodvonk in Leeuwarden."Nog moet ik tot eer der Goddelijke genade opmerken, hoe ik twee maal uit zware ziekten door 's Heern magt gunstig hersteld ben. Eerst in de herfst van 1760, toen ik op de Gordijk met eene zoo zware galkoorts overvallen werd, dat ik naderhand van mijn aanwezen zeven dagen lang geheel onbewust was, en men reeds vrijdags wanhoopte, dat ik de koorts van dien dag zoude doorstaan; terwijl echter eerst op den volgende maandag de crisis kwam, wanneer de zaak eenen gunstigen keer nam; en daarna in 't begin van het jaar 1763, wanneer mijn ligchaam zoodanig opzwol van wege de gevolgen der roodvonk, die in dien strengen wintertijd niet genoeg uitgezet was, dat de kundige Geneesheer Gonggrijp te Leeuwarden mij niets kon toebrengen, om mij van den voortgang dezer toenemende en voor mijn leven allergevaarlijkste opzwelling te bevrijden", Leerrede, blz. 15-16.
Vijf jaar studeert hij in Leeuwarden en één jaar in Utrecht. Achteraf denkt hij met schrik aan zijn eerste twee studiejaren terug (hij is dan veertien jaar oud): hij verkeert onder "losbandige jonge lieden" en brengt veel tijd door met spel en vrolijke gezelschappen."Dan ik moet voortgaan ter beschouwing van mijnen Academischen loopbaan gedurende vijf jaren te Franeker, en een te Utrecht. Maar hier kan ik niet dan met schrik gedenken aan mijn twee eerste jaren te Franeker. Als jongeling van veertien jaren, na de dood van mijnen Grootvader als aan mij zelven alleen overgelaten, verkeerde ik onder vele losbandige jonge lieden in eenen tijd, dat het bederf aan de hooge School eenen zeer hoogen trap beklommen had", Leerrede, blz. 16. Hoewel hij nooit vloekt, begint hij wel te twijfelen aan godsdienst en aan de goddelijkheid van Christus."Alleen behield ik nog eenen volstrekten afkeer van het vloeken en misbruiken van Gods naam, gelijk ook van straatschendingen, maar het spel en vrolijke gezelschappen waren mijn vermaak, en namen veel van mijn tijd weg", Leerrede, blz. 16.
In de zomervakantie begint hij "Oostersche talen" te leren. Zijn doel van zijn theologiestudie is niet "door het examen te komen", maar "om van mijne twijfelingen genezen te worden" (blz. 17). Pas in Utrecht vindt hij vrede en rust en voelt hij het vertrouwen om de evangeliedienst te aanvaarden."Deze stand van zaken bleef voortduren, tot dat ik aan de Hooge School te Utrecht in het begin van het jaar 1769 den oordeelkundigen en diepdenkenden Hinlopen in eene leerrade over Hebr. VIII: vs. 10, 11 en 12, het nieuw verbond hoorde uitleggen, en met eene buitengewone klaarheid en levendigheid alle fijne bedenkingen tegen hetzelfde in de toepassing hoorde opruimen. Hier werden ook alle mijne bedenkingen tegen eene Evangelische denkwijze klaar en onwederlegbaar opgelost. (...) In dezen weg dan ook smaakte ik vervolgens eenen aanvankelijken vrede en ruste der ziele, en was nu ook volkomen met de leer van onze Kerk vereenigd", Leerrede, blz. 19.
In 1769, hij is dan twintig jaar oud, wordt hij, na een preek in de vacante gemeente Ureterp, beroepen in Ureterp en Zijgerswolde. Hij moet echter in september van dat jaar nog examen doen.
Hij haalt tot slot nog vele bladzijden lang herinneringen op aan alle verschillende gemeenten, zoals zijn beginnersmoeilijkheden als jonge, beginnende predikant"Er heerschte in dien tijd eene zware veeziekte in ons land. Bij die gelegenheid reisden velen uit mijne Gemeente en andere plaatsen naar Drenthe en nog hooger op, om gezond vee te koopen, en in ons gewest overtebrengen. Dan vuil gewin zoekers reisden meermalen slechts naar plaatsen, waar ook de ziekte heerschte, zoo dat de gekochte beesten meermalen, terwijl zij door onze dorpen geleid werden, reeks ziek bevonden werden. Als Leeraar konde ik ook nu niet nalaten om ernstig mijne Gemeente tegen deze slechte manier van handelen te waarschuwen (...). Velen van dezelven nogtans, namen mij dit wegens mijne jongheid kwalijk, en verlieten mijnen dienst, onder voorgeven, dat ik nog een kind was, en mijne leerredenen dus geen aanhooren waardig waren", Leerrede, blz. 21-22. en dat hij zijn 'geliefde gemeente' Jorwerd moest verlaten, omdat hij met de komst van meer kinderen een ruimer inkomen nodig had."De verkeering alhier met oude en verlichte Christenen was ook zeer aangenaam, en mijn dienst hun ook tot genoegen en zegen. (...) werd ik herwaarts geroepen, en moest dus deze geliefde gemeente verlaten; door dien ik en mijne vrouw ons bestaan toen nog meet in de opkomsten van mijn ambt moesten vinden, en ons huisgezin toenam, en de dienst alhier eene ruimere belooning aanbood", Leerrede, blz. 26.
Werken (selectie) Dissertatio philologica-exegetica continens observationes miscellaneas de vero, et genuino sensu quorumdam selectorum locorum sacri codicis (proefschrift Franeker, 1768)