Het westwerkaltaar, ook westwerkretabel of dubbelreliëf, is een romaans altaar in het westwerk van de Sint-Servaasbasiliek in de Nederlandse stad Maastricht. Het altaar uit het midden van de twaalfde eeuw wordt toegeschreven aan het zogenaamde Heimo-atelier, een Maaslands atelier van steenbeeldhouwers met Noord-Italiaanse wortels. Het mergelstenen altaar bestaat uit een mensa (altaartafel) en een daarop geplaatst gebeeldhouwd retabel met twee reliëfvoorstellingen. Van dit dubbelreliëf is het onderste deel in de negentiende eeuw zwaar geschonden; het bovenste deel behoort tot de belangrijkste voorbeelden van Maaslandse beeldhouwkunst.

Geschiedenis De romaanse signatuur van zowel de altaartafel als het retabel duiden op een ontstaan kort na 1150. In deze periode maakte de Sint-Servaaskerk en het daaraan verbonden kapittel een bloeitijd door. Verschillende Maastrichtse proosten stonden als kanselier van het Heilige Roomse Rijk nauw in contact met de Rooms-Duitse keizers. Proost Arnold van Wied wist als trouwe vazal van Rooms-koning Koenraad III in 1139 gedaan te krijgen dat deze de Maasbrug aan het kapittel schonk, een schenking die waarschijnlijk de middelen voortbracht voor een nieuwe bouwcampagne. In de jaren daarna werd het oostkoor ingrijpend verbouwd naar het voorbeeld van de keizerlijke Dom van Speyer,Den Hartog (2015), p. 296. waarbij de huidige apsis met dwerggalerij en koortorens ontstond, en werd ook het westwerk vernieuwd. Beide vertonen qua bouwsculptuur grote overeenkomsten met de door Arnold en zijn zuster Hedwig gebouwde Sint-Clemenskerk in Schwarzrheindorf (bij Bonn) en de stiftskerk van Essen, tegenwoordig Dom van Essen.Mekking (1986), p. 130.Den Hartog (2002), p. 219.

De architectuurhistoricus Aart Mekking plaatste het ontstaan van het westwerk, inclusief het altaar, in 1167 of 1168, tijdens het proostschap van Christiaan van Buch. Mekking baseerde zich daarbij onder andere op de sterke overeenkomst tussen de kapitelen van het Maastrichtse westwerk en die van de westfaçade van de Wartburg in Eisenach.Mekking (1986), pp. 195-202, 211, 220, 292-296. De kunsthistorica Elizabeth den Hartog zag enkele jaren later meer overeenkomsten met de bouwsculptuur van de Dom van Essen en plaatste het ontstaan van het altaar een decennium eerder, onder de proosten Arnold van Wied en Gerard van Are.Den Hartog (2002), p. 295.

thumb|200px|Reconstructie middeleeuws interieur naar het westen (Hustinx) Het westwerkaltaar stond vanouds opgesteld in het westwerk, aangeduid als het Nieuwwerck, tussen het westkoor en het schip. Naar welke zijde de gebeeldhouwde kant van het reliëf was gericht is niet duidelijk. Aan de andere zijde ervan bevond zich een altaar gewijd aan Maria. De tegenwoordig nog in de kerk aanwezige dertiende-eeuwse sedes sapientiae stond waarschijnlijk op dit altaar.Mekking (1986), pp. 269-270. Elke zaterdag werd hier een mis ter ere van Maria opgedragen. Hoogtepunten in het liturgisch jaar waren de kerst- en paasnachtmissen aan dit altaar, en op 8 september, het octaaf van Maria-Geboorte, werden alle getijdengebeden hier gehouden.Tagage (1987), p. 268. Boven het Maria-altaar werd in de vijftiende eeuw een oksaal gebouwd voor het kerkorgel.

Tot de opheffing van het kapittel aan het begin van de Franse tijd bleef de middeleeuwse opstelling min of meer gehandhaafd. Na een korte periode van profanisatie (1797-1804), waarin het meeste kerkmeubilair en veel kunstschatten verdwenen, heropende de kerk in 1804. Om onbekende redenen werd het westwerk toen afgescheiden van de kerk door middel van een muur. Het westwerkaltaar is waarschijnlijk in deze periode verplaatst naar het zuidertransept. De twee delen van het dubbelreliëf werden van elkaar gescheiden en het rechthoekige deel werd in een muur ingemetseld. Toen men daar kerkbanken wilde plaatsen, bleken de uitspringende delen van het reliëf in de weg te zitten en kapte men die eenvoudig weg. Waarschijnlijk heeft men nog vóór 1852, volgens Mekking al in 1841, getracht deze daad van vandalisme uit te wissen door het reliëf aan te vullen met gips.Mekking (1986), p. 259.

Doordat de oude orgels in de Franse tijd waren verdwenen, moest men op zoek gaan naar een nieuw hoofdorgel, dat in de voormalige Dominicanenkerk werd gevonden. Het gotisch oksaal werd omstreeks 1840 afgebroken, waarna het orgel verhuisde naar het westwerk, waar het zich nog steeds bevindt. In 1845 werd vóór het orgel het meer dan levensgrote standbeeld van Karel de Grote van beeldhouwer Willem Geefs opgesteld. De plaatsing in het westwerk was symbolisch, aangezien men in die tijd dacht dat het westwerk en de Keizerzaal uit de tijd van Karel de Grote dateerden.Timmers (1971), p. 276.

thumb|200px|Blauwdruk (Cuypers?) voor de nieuwe opstelling in het westwerk In 1902, tijdens de grote Cuypers-restauratie van de Sint-Servaaskerk, werd de altaarmensa gerestaureerd, waarbij onder andere twee kapitelen en een basement werden vervangen. De mensa werd zodanig geplaatst dat het leek alsof het beeld van Karel de Grote op het altaar stond. Het retabel werd tegen de achterzijde van het standbeeld geplaatst. Wellicht werden in dezelfde periode de beide neoromaanse altaren in de noordoostelijke en zuidoostelijke kapellen vervaardigd, die duidelijk geïnspireerd zijn op het westwerkaltaar.Den Hartog (2002), p. 408.

Een eeuw na deze restauratie was de kerk opnieuw toe aan herstel en werd een groot deel van de neoromaanse Cuypers-uitmonstering ongedaan gemaakt. Het beeld van keizer Karel verdween naar een minder prominente zijruimte in het westwerk en het westwerkaltaar kreeg zijn oorspronkelijke plaats terug, hoewel de dominante aanwezigheid van het orgel op de achtergrond de relatie tussen westwerk en altaar blijft verstoren.

Beschrijving thumb|170px|'Leeg' westwerk, 19e eeuw thumb|170px|19e-eeuwse reconstructie Architectonische opbouw Het westwerkaltaar van de Sint-Servaaskerk was - in het verleden meer dan nu - een integraal onderdeel van de architectonische opbouw van het westwerk, volgens Mekking "een van de meest indrukwekkende architectonische en liturgische disposities die de architectuur in het Heilige Romeinse Rijk in de Middeleeuwen heeft voortgebracht".Mekking (1986), p. 222. Een gordelboog en twee kleinere rondbogen scheiden het westwerk van de rest van de kerk. Onder de centrale scheiboog stond het westwerkaltaar opgesteld, een situatie die in 1990 hersteld is. Aan weerszijden van het altaar bevinden zich trappartijen, die vanuit de zijbeuken van de kerk toegang geven tot het westwerk. De toegangen zijn tegenwoordig afgesloten met een hekwerk.

Het westwerkaltaar bestaat uit een langgerekte altaarbasis of mensa, waarop centraal het retabel of dubbelreliëf is geplaatst. Oorspronkelijk stonden aansluitend aan het retabel vier rechthoekige panelen opgesteld (te zien op de tekening van Philippe van Gulpen hiernaast), maar deze zijn sinds de jaren 1980(?) spoorloos. De Sedes Sapientiae die volgens sommige auteurs op het altaar aan de achterzijde van het westwerkaltaar stond, bevindt zich thans in een van de zijkapellen van de noordbeuk.Mekking (1986), p. 269.Den Hartog (2002), pp. 369, 404. Het beeld van de tronende Maria met Kind dateert uit de dertiende eeuw, maar raakte in de plunderingen na het beleg van 1579 zijn kroon en rozenkrans kwijt. (1990): '"Op zoek" naar Maria in de Sint Servaas', in: De Sint Servaas, tweemaandelijks restauratie-informatiebulletin #90-50, p. 399.

De mensa De altaarbasis van het westwerkaltaar is 5 m 60 breed en 1 m 75 hoog. De naar de kerk gerichte oostzijde is versierd met zes zuiltjes, waartussen zich vijf rondbogige nissen bevinden. De zwartgeverfde zuiltjes ondersteunen een stenen altaartafel, die versierd is met een palmettenfries. De fries is door Cuypers grotendeels gereconstrueerd; alleen het rechterdeel zou origineel kunnen zijn. De zuiltjes hebben gebeeldhouwde basementen met hoekblaadjes of dierenkopjes, en gestileerde bladwerkkapitelen. Zowel de basementen als de kapitelen zijn ongeveer 20 cm hoog. Het tweede basement van links is een negentiende-eeuwse kopie van het vierde basement. Van de kapitelen zijn het vierde en zesde kopieën.Den Hartog (2002), pp. 404-410.Van Nispen tot Sevenaer (1926/1974), pp. 378-379.

Lijst van basementen en kapitelen De basementen en kapitelen van de zuilen van de altaarmensa worden hieronder beschreven. Van de zes basementen is er een vernieuwd in de tijd van Cuypers, van de kapitelen zijn er twee vernieuwd. De overige, inclusief de zuiltjes, dateren uit de twaalfde eeuw. Nummer Afmetingen basementDen Hartog (2002), tabel p. 408. Beschrijving basementDen Hartog (2002), pp. 405-408. Afbeelding basement Afmetingen kapiteel Beschrijving kapiteel Afbeelding kapiteel 1 b: 26 cmh: 20 cm samengesteld basement met sterk afgesleten hoekornamenten ("sporen") in de vorm van liggende dieren 150px b: 23,5 cmh: 20 cm gestileerd bladwerkkapiteel met palmetten en gebladerte 150px 2 niet bekend 19e-eeuwse kopie van basement 4 150px b: 23,5 cmh: ca. 20 cm gestileerd bladwerkkapiteel met palmetten en gebladerte 150px 3 b: 24,5 cmh: 20,5 cm samengesteld basement met hoekornamenten in de vorm van gebladerte 150px b: 23,5 cmh: 19,5 cm gestileerd bladwerkkapiteel met palmetten en gebladerte 150px 4 b: 25 cmh: 20 cm samengesteld basement met hoekornamenten in de vorm van gebladerte 150px niet bekend 19e-eeuwse kopie van kapiteel 1 150px 5 b: 24,5 cmh: 20,5 cm samengesteld basement met hoekornamenten in de vorm van gebladerte 150px b: 24 cmh: ca. 20 cm gestileerd bladwerkkapiteel met palmetten 150px 6 b: 25 cmh: 20,5 cm samengesteld basement met hoekornamenten in de vorm van dierenkoppen 150px niet bekend 19e-eeuwse kopie van kapiteel 3 150px

Het dubbelreliëf Het retabel of dubbelreliëf bestaat, zoals de naam al suggereert, uit twee delen die beide een gebeeldhouwd reliëf dragen. Het onderste, rechthoekige deel meet 176 x 111 cm; het bovenste, halfronde deel 176 x 74 cm. Oorspronkelijk waren beide panelen bezet met ingelegde edelstenen, zoals nog te zien is aan de gaten die daardoor ontstaan zijn.

thumb|200px|Het dubbelreliëf Het rechthoekige paneel toont een zittende Madonna met kindje Jezus in de stijl van een Maaslandse Sedes sapientiae (Zetel der Wijsheid). De afbeelding is aangebracht in een mandorla, die wordt vastgehouden door twee staande engelen. Na de vroeg negentiende-eeuwse vernielingen is nog 20% van het beeldhouwwerk origineel; de rest bestaat uit gipsaanvullingen. Tot de oorspronkelijk delen behoren de troon en de voeten van Maria, de vleugels en aureolen van de engelen en de omlijsting en mandorla. Op de omlijsting staat te lezen: tu sis salvatrix et virginitatis fictrix araque regalis attritio vera draconis ("wees onze zaligmaakster, voorbeeld van maagdelijkheid, koninklijk altaar en ware vernietigster van de draak"). Het randschrift op de mandorla, voor zover nog te lezen, luidt: virgo deum peperit do[...]vi servit curia celi ("de maagd die God voortbracht [...] dient de hemelse scharen").Mekking (1986), pp. 264-269.Den Hartog (2002), pp. 404-405.