Ulsda (Gronings: Olsde) is een gehucht onder het dorp Beerta in de gemeente Oldambt in de Nederlandse provincie Groningen. Het ligt tussen de spoorlijn Groningen - Bad Nieuweschans en de autoweg A7. Direct aan de andere kant van de A7 ligt Klein Ulsda dat echter in de gemeente Westerwolde ligt.

In 1840 omvatte de buurtschap Ulsda 6 woningen met 44 inwoners. Nu staan er nog 4 woningen.

Geografie Ulsda ligt op een ruim 3 meter hoge keileemrug of stuwwal (een drumlin) in het zeekleigebied van het Oldambt. Dankzij deze hoge ligging bleef het ook tijdens de grootste uitbreiding van de Dollard droog. Oorspronkelijk lag het dorp op de oostelijke oever van de rivier Reider Ae. Door het ontstaan van de Dollard in de 15e eeuw werd Ulsda echter een eiland ('Olsden' op de kaart van Anthoni Brunij uit 1590), dat ingeklemd lag tussen twee rivierarmen en omgeven was door kwelders. In 1657 werd het verdronken land weer terug gewonnen, maar nu lag Ulsda aan de westelijke oever van de Westerwoldse Aa.

Geschiedenis

Ontstaan Vermoedelijk kwamen de eerste bewoners vanuit het zuiden. Het gebied werd afgaande op de oudste vermeldingen vermoedelijk al in de vroege middeleeuwen bewoond. Vermoedelijk richtte het dorp zich vanaf ongeveer de 12e eeuw met de voortgaande verveningen naar het noorden. Samen met omringende gebieden sloot het zich als het Ulsder vijfdedeel (zie kerk en recht) aan bij de 'terra' (landstreek) Reiderland die viel onder de Friese Vrijheid. Met het ontstaan van de Dollard sloot het gedeelte van het vijfdedeel rond Ulsda, Winschoten, Beerta en Westerlee zich in 1498 aan bij het Oldambt.

De oudst bekende vermeldingen van het dorp zijn Ulsda (1420), Olswyda (1447), Ulswida (1462). De uitgang -wida of -widu (bos, hout) wijst erop dat dit dorp ouder is dan de omliggende veennederzettingen. Vergelijkbare toponiemen zijn Ontstwedde (Unesuuido). Vlagtwedde (Vlagtwede), Bunde (Bunwyda, 1429) en Winsewida (Winschoten of Sint-Vitusholt). Volgens een notitie uit 1563 is het vormals een groet ansehenlich dorp ghewest, dat zich uitstrekte vanaf de Tjamme bij Beerta tot aan de Duitse grens. Landrichter Jacob Engelken noemde het zelfs een kleen stedeken, zeker in vergelijking met Winschoten, waar volgens hem niet meer dan drie huizen rond de kerk hadden gestaan.Groninger Archieven, 2100, inv.nr. 712.1, p. 7 (1563). Smith dateert dit stuk ten oprechte op 1567.

Kerk en recht miniatuur|Boerderij Ulsda 7. In de bodem onder deze boerderij en de buren daarvan zijn sporen gevonden die in verband worden gebracht met de kerk van Ulsda. Ulsda behoorde met Winschoten tot het bisdom Osnabrück. Het was het meest noordelijke dorp binnen dit diocees en vormde de zetel van een seendgerecht. Tevens was het de hoofdplaats van het zogenoemde Ulsder vijfdedeel, een onderdistrict van het Reiderland. De rechtstoel verhuisde in de vijftiende eeuw naar Winschoten. De landerijen van Ulsda grensden in het noordoosten aan de kerspelen Houwingaham en Wynedaham, die tot het bisdom Münster behoorden. Aan de zuidwestkant lagen de kerspelen Winschoten en Bellingwolde. Mogelijk hoorden Koudehoek en Den Ham aanvankelijk bij Ulsda.

De parochie was gewijd aan de heilige Lambertus, wiens verering vooral in het bisdom Osnabrück was verspreid.O.D.J. Roemeling, Patroonheiligen, priesters en predikanten in Groningen en Drenthe tot omstreeks 1640 (zeer voorlopige versie), Leeuwarden 2019, p. 906-908. In een notitie uit 1504 of 1505 wordt gesproken over Sunt Lambert van den Ulsda.O.D.J. Roemeling, Heiligen en Heren. Studies over het parochiewezen in Noord-Nederland vóór 1600, Leeuwarden 2013, p. 62, 373, 384. Het 17e-eeuwse kerspelzegel van Beerta, overgenomen uit Ulsda, toont daarentegen Laurentius, een heilige wiens verering doorgaans met de vroegste ontginningsfase verbonden wordt. Volgens een notitie in het misboek zou de kerk in 1280 vanuit Wymeer zijn gesticht, maar dat kan onmogelijk kloppen: Ulsda is ouder en lag in een ander bisdom.

Op de plek van de vroegere kerk is geen tufsteen aangetroffen. Burgemeester Vasbinder van Bellingwolde vond in 1955 op een perceel dat bekend stond als 'Oude Kerkhof' enig muurwerk dat was opgetrokken uit 'kloosterstenen'. Een veldverkenning in 2007 leverde een schedelfragment en een ornamentaal baksteenfragment op, dat kennelijk van de kerk afkomstig was. De tufsteenrestanten die in de kerk van Beerta zijn verwerkt, stammen echter hoogstwaarschijnlijk uit Ulsda. Dat zou betekenen dat de kerk ouder was dan de 13e eeuw, toen de baksteenbouw werd ingevoerd. Mogelijk beeldt het gestileerde zegel van het landschap Reiderland de kerk van Ulsda uit. Dit zegel toont een basiliek, net als de kerk van Ulsda met twee torens. Dat de belangrijkste kerk van de regio werd afgebeeld op een districtszegel was niet ongebruikelijk.Henny Groenendijk en Remi van Schaïk, 'Parochiekerken in het middeleeuwse landschap van Westerwolde', in: Groninger Kerken 42 (2025), nr. 2, p. 25-44, hier p. 35-36.Er zijn meerdere kerken die met dit zegel in verband worden gebracht. Gedacht wordt onder andere aan de kerk van 'Reide' (als naamgever, mogelijk Westerreide), de kerk bij Sint-Vitusholt of de kerk van Midlum. De afbeelding op het middeleeuwse zegel van Reiderland werd in 1894 overgenomen in het wapen van de gemeente Bellingwolde, waarbij men speculeerde dat dit het klooster Palmar uitbeeldde. De historicus Haio van Lengen gaat er daartegen van uit dat de wapenfiguur fictief is en een verwijzing vormt naar het Hemelse Jeruzalem.

Ontginningen Het ligt voor de hand dat de omliggende veengebieden van Beerta, Hamdijk, Den Ham en Bellingwolde vanuit Ulsda zijn ontgonnen. De ontginners kwamen - kennelijk in tegenstelling tot de oorspronkelijke bewoners - uit de Friese kustgewesten, hetgeen zou kunnen verklaren waarom het hele gebied later bij het Reiderland is gaan horen.

Wateroverlast en neergang miniatuur|350x350px|Kaart van de oosttelijke Dollardboezem rond 1605. In het midden het eiland Ulsda. Het noorden is links. Onder in het middel het gehucht Stocksterhorn, rechtsboven de Bellingwolderschans en linksboven de Langeakkeren, waarop in 1628 de Langeakkerschans werd gebouwd. Later ingetekend zijn de locaties van de verdronken dorpen Megenham, Wynedaham en Houwingaham. De kaart stamt uit een dossier uit c. 1635 over de onderhandelingen tussen de stad Groningen en graaf Ulrich II van Oost-Friesland, in verband met schadevergoeding voor de bouw van de Langeakkerschans op Oostfries grondgebied. Door toenemende wateroverlast in de 15e eeuw zette de neergang in. Ulsda raakte hierdoor ingesloten door het water en werd een eiland. In 1462 was het dorp door 'de inundatie ende overloep des waters vernichtet ende vergaen' en werd de parochie samengevoegd met die van Beerta.

Het kerkgebouw werd omstreeks 1504 gesloopt. De beelden van Sunte Lambert en andere heiligen werden samen met het misboek en het zegelstempel naar Beerta overgebracht. De vicariis (onderpastoor) van Beerta bleef zich echter pastoor van Ulsda noemen. De resterende stenen werden na een geschil hierover verdeeld: Beerta kreeg de grote toren en de half afgebroken muren van de kerk, waarvan de huidige kerk kon worden gebouwd, Bellingwolde kreeg de kleine toren. Volgens een overlevering werden de stenen via een lange rij mensen doorgegeven totdat ze op hun nieuwe plek waren aangeland.

De inwoners van Wynedaham (de Hamsters) en mogelijk ook die van Houwingaham vielen tot het midden van de zestiende eeuw kerkelijk onder Beerta, waar ze ook belasting betaalden en na hun dood begraven werden. Nadat omstreeks 1525 de Hamdijk was aangelegd, ging dit gebied uiteindelijk bij Bellingwolde horen. In 1578 bezat de pastoor van Beerta nog twaalf akkers en vijf deimt land in Den Ham.

Later grondgebruik links|miniatuur|Het eiland Ulsda begin 17e eeuw met bebouwing en links een ticheloven. Het noorden is onder. Fragment van een grotere kaart van de omgeving van Ulsda waarop ook oude loop ten zuiden van het eiland en de hergraving van de Pekel A in 1596 over de kwelders ten noorden daarvan zichtbaar zijn.

De eigenaren uit Beerta verhuurden sinds 1504 het recht om op Ulsda potklei, vlinten en bakstenen te delven.

In 1562 kocht de stad Groningen het grootste deel van het eiland, nadat de heer van Westerwolde, de hertog van Aremberg, er aanspraken op maakte. Een deel van de gronden was inmiddels verpacht aan de eigenaars van twee tichelwerken, die de potklei gebruikten als grondstof voor het maken van dakpannen. Deze aankoop legde de stad geen windeieren: op grond van het recht van aanwas kon de stad zijn grondbezit verder uitbreiden.

Ulsda werd in 1581 tijdelijk door de watergeuzen veroverd. Vier jaar later was het eiland verpacht aan de drost van Wedde.

Steenhuizen

Twee steenhuizen Nog in 1602 bevond zich midden op het eiland een berchtgen ofte hoege plaetse, waarvan men zei dat er vroeger een edelmans hues gestaan had. Mogelijk was dit de woning van Liwert of Wyawert Hayens, die in 1420 wordt genoemd als hoofdeling te Ulsda. In 1447 werd een steenhuis in het rechtsgebied van Ulsda (Olswyder Vyfftendele) verkocht aan de kerk en de proost van Weener, die het met geweld in bezit wilde laten nemen. Een medegerechtigde uit Beerta maakte bezwaar; hij wilde de kwestie liever to Olswyda oft in den Beerde beslechten en dreigde met tegenmaatregelen als de proost zijn wil zou doordrijven.A.S. de Blécourt, Oldambt en Ommelanden, 1935, p. 321-322, bijl. 11. De tekst is dubbelzinnig: de uitdrukking mit welde slyten zou eventueel ook om het afbreken van het huis kunnen gaan. Zie voor het origineel Groninger Archieven, 2100: Stadsarchief van Groningen, inv.nr. 1461.27. Mogelijk gaat dit om de borg van Ulsda. In 1563 was de hoogbejaarde Hayo Tonckens namens de stad Groningen huismeester op Ulsda.Nederlands Patriciaat 34 (1948), p. 310. Hij was de voorvader van het Drentse bestuurdersgeslacht Tonckens. Starkenborgh tekende omstreeks 1680 op zijn Dollardkaart eveneens een steenhuis op Ulsda, met de notitie: Ulsda voor deesen een Eylandt genaemt na een adelijcke familie.

Tussen Ulsda en De Bult bevond zich een nog een tweede steenhuis, waarvan in het begin van de negentiende eeuw het fundament werd gevonden, bestaande uit zeven kilo wegende bakstenen. Burgemeester Jacobus Heres te Oudeschans dacht daarbij aan 'Exterhuis' (zie hieronder).Hendrikus Kremer, Beknopte aardrijks- en geschiedkundige beschrijving der provincie Groningen, Groningen 1839, p. 236. Een 'Nederlandsche pond' was een kilo.

'Exterhuis' Volgens de (onbetrouwbare) Dollardkaart van 1574 bevond zich in de omgeving van Ulsda het steenhuis Oldt-Exterhueß of Olt-Exterhuis. Dit wordt niet door andere bronnen ondersteund en berust (volgens Woebcken) vermoedelijk op een misverstand. De auteur van de kaart had kennelijk gebruik gemaakt van een oudere documenten waarin het steenhuys in der Op Ext (Boven-Eexta) werd vermeld. Er vond bovendien een verwisseling plaats met Stocksterhorn, waardoor Exterhuis in de omgeving van Drieborg werd gekarteerd. Op dezelfde wijze belandde ook Eexterhoff of Exterhof op de kaart (in de omgeving van Hamdijk). Een recente theorie, die evenmin als de vorige op schriftelijke bronnen is gebaseerd, veronderstelt dat leden van de familie Tiddinga de naam Exterhuis vanuit Eexta meenamen naar hun borg te Beerta. Ds. Hendricus van Berkum veronderstelt in zijn Kerkelijke geschiedenis van Nieuw-Beerta uit 1856 dat het voormalige gehucht Aaksterij te Nieuw-Beerta zijn naam aan Olt-Exterhuis ontleende.

Herleving Vanaf eind 16e eeuw werden de kwelders rond Ulsda stap voor stap weer in cultuur gebracht, voorzien van zomerkaden en ten slotte beschermd door lage zeedijken. Door de aanleg van een nieuw kanaal in 1596 kreeg de Pekel A een directe verbinding met de Westerwoldse Aa. De voormalige rivierloop (Heerensloot of Olde Rensel) werd vervolgens afgedamd.