thumb|Gedenkplaat De Ordedienst (OD) was in Nederland een belangrijke illegale organisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tot 1942, bij de formalisering van de illegale Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) was het hoogstwaarschijnlijk de grootste geheime anti-Duitse organisatie in Nederland, hoewel exacte cijfers daarover ontbreken.

Voorgeschiedenis In de OD hebben verschillende cadetten en adelborsten een belangrijke rol gespeeld. De toekomstige officieren van de land- en zeemacht werden aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda en het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder opgeleid. Na de Nederlandse capitulatie op 15 mei 1940 werden de cadetten naar huis gestuurd, terwijl de KMA en het KIM op 2 juli 1940 op last van de Duitse bezetter gesloten en opgeheven werden. Om hun belangen bij studiefinanciering en dergelijke bij het Afwikkelingsbureau van het Departement van Defensie te behartigen en onderling het sociale contact te onderhouden werd een Contact Commissie Cadetten (CCC) gevormd. Deze bevond zich in Den Haag. De adelborsten hadden een soortgelijke vereniging opgericht, de Contact Commissie Adelborsten (CCA). Er werden o.a borreluurtjes, lunches en onderlinge sportwedstrijden georganiseerd. De CCC en de CCA waren in eerste aanleg allerminst subversieve organisaties. Het waren gezelligheidsverenigingen zonder commercieel doel. Ze hadden daarom geen toestemming van de Duitse autoriteiten nodig. De onderlinge contacten hadden wel tot gevolg dat verschillende cadetten en adelborsten in de OD zeer nauw zouden gaan samenwerken.

Begin Aanvankelijk was het doel om letterlijk een ordedienst op te richten die de openbare orde moest bewaren na het spoedig verwachte vertrek van de Duitsers. Toen dit niet reëel bleek, gingen de leden steeds meer actief verzet plegen, onder andere door middel van sabotage van Duitse netwerken (bijvoorbeeld treinverbindingen en telefoonkabels). De belangrijkste taak was echter het verzamelen van inlichtingen over de vijand, om die naar het Engeland te kunnen sturen. Daar hadden de Nederlandse regering en koningin Wilhelmina zich in ballingschap gevestigd.

Vanaf het begin in 1940 was binnen de OD de heersende opvatting dat er op het moment van de bevrijding van Nederland een gezagsvacuüm zou ontstaan. Dan diende er gezorgd te worden voor de handhaving van de orde en de rust. Op hetzelfde moment diende ook aan de geallieerde legers de helpende hand te worden geboden. De leiding van de OD zag voor haar organisatie hierin een taak weggelegd. Daar er bij de OD al vanaf de oprichting in 1940 de nadruk werd gelegd op de voorbereiding van de situatie die bij het vertrek van de vijand zou ontstaan nam het uitwisselen van gegevens en inlichtingen met de Nederlandse regering in Londen een centrale plaats bij de leiding van de OD in.

Samenstelling De leden van de OD waren voornamelijk oud-militairen, beroepsmilitairen, dienstplichtige militairen en geestverwante burgers. Een aantal beroepsmilitairen was afkomstig uit het voormalige Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Alhoewel zich een groot aantal militairen bij de OD had aangesloten, was de OD niet een op militaire leest geschoeide en geen van bovenaf strak geleide organisatie. De 19 gewestelijke commandanten bezaten grote bevoegdheden en ze waren vaak op zichzelf aangewezen. In zekere zin was de OD een schemerwereld. Soms kende men elkaar, soms bleef de identiteit verborgen. Dit verklaart dat de Sicherheitspolizei (SD) weliswaar verschillende reeksen van arrestaties kon uitvoeren, maar er niet in slaagde deze wijdvertakte organisatie uit te schakelen. De samenstelling van de OD groep die op de lijst stonden van 100 Todeskandidaten tijdens het 2e OD-proces:JWM Schulten, De geschiedenis van de Ordedienst, blz. 195 actief dienende beroepsofficieren 7 gepensioneerde beroepsofficieren 9 reserveofficieren 11 beroepsofficieren 3 dienstplichtigen 12 burgers, nooit in dienst geweest 58

Organisatie tot 1942 De Ordedienst ontstond in 1940 na de capitulatie van Nederland door initiatieven die van Johan Hendrik Westerveld uitgingen, en door het opgaan in de OD van spontaan ontstane lokale verzetsorganisaties, die ongeveer dezelfde doelstellingen nastreefden. Het groeiproces naar een landelijke organisatie kreeg in het najaar van 1940 en in de loop van 1941 en 1942 gestalte. Onder de vlag van de OD werden verschillende verzetsorganisaties met wisselend succes verenigd. De groep van 'Oom Alexander' Joan Schimmelpenninck in Den Haag ontwikkelde zich aanvankelijk onafhankelijk van de OD van Westerveld en had voornamelijk het karakter van een inlichtingengroep. Leden van de organisatie werden gerekruteerd uit de kringen van adelborsten (marine-officier in opleiding) en cadetten (landmacht-officier in opleiding), een groep in wie Schimmelpenninck groot vertrouwen stelde. Door de nauwe banden die Schimmelpenninck met de OD had, ging zijn groep als het ware geruisloos in de OD over en kreeg Schimmelpenninck na de arrestatie van Versteegh, die J.Westerveld was opgevolgd, de leiding over de OD. Het algemeen hoofdkwartier van de OD (AHK-OD) bevond zich in Den Haag en had verbinding met de andere gewesten in Nederland waar OD-verzetsgroepen gevestigd werden of toetraden. De verbindingen met de gewesten werden voornamelijk verzorgd door C. Navis, J.F.H. de Jonge Melly, F. Dudok van Heel, P.C. Vroom, A.W.M. Abbenbroek, Gerard Dogger en enkele andere jongere medewerkers, die uit de groep van Oom Alexander voortgekomen waren. Ook werd geprobeerd contact te leggen met Engeland om inlichtingen te kunnen verschaffen aan de regering en koningin Wilhelmina. Na de arrestatie van jhr. Schimmelpenninck op 13 november 1941 namen Gerard Dogger en Anton Abbenbroek tijdelijk de leiding op zich. Dogger ging vervolgens met Peter Tazelaar naar Engeland en Abbenbroek wordt op 6 maart 1942 gearresteerd zodat de OD op dat moment wederom van een algehele leiding was beroofd.

Tegenslagen Tijdens haar bestaan had de OD te maken met veel tegenslagen. Op 3 mei 1942 werden als uitkomst het 1e OD-proces 58 leden van de OD, samen met 14 verzetsstrijders van de groepen Schoemaker en Mekel in het concentratiekamp Sachsenhausen geëxecuteerd. De SD was toen reeds bezig het 2e OD-proces voor te bereiden. In de gevangenis van Scheveningen, het 'Oranjehotel' zaten zo'n 300 gearresteerde OD-ers, waaruit 100 "Todeskandidaten" voor het 2e OD-proces werden uitgezocht. Op 27 April 1943 tijdens het 2e OD-proces werden uiteindelijk 21 OD-ers ter dood veroordeeld, waarvan 17 werden geëxecuteerd. Dit is de groep van Schimmelpenninck. De anderen kregen 'gratie', maar werden samen met de andere Todeskandidaten doorgestuurd naar concentratiekampen. Slechts 40 van hen overleefden de oorlog. Bij de zogenaamde registratie van beroepsofficieren op 15 mei 1942 werden er ook nog eens 2.000 voormalige officieren krijgsgevangen genomen en bij de OD zorgde dit voor een grote leegloop. 70 van deze 2.000 militairen gaven geen gevolg aan de oproep zich te melden en doken onder, waaronder C.Navis. Sommigen weken uit naar Engeland of stelden zich een tijd lang terughoudend op.

Ondanks de tegenslagen wist de OD zich te herpakken. De OD zat zonder chef-staf, maar Navis ging op zoek naar een nieuwe. Vanuit het buitenland werkten onder anderen Dogger en Tazelaar. Er kwam verandering toen de reserve ritmeester jhr. Pieter Jacob Six (1894-1986) de leiding kreeg van de landelijke OD organisatie. Six luidde bij de verzetsbeweging een nieuwe fase in.

Reorganisatie Om een betere structuur aan te brengen kwam er een reorganisatie binnen de OD onder leiding van Six. Mede omdat er zoveel leden waren gearresteerd liet hij geen sabotage meer bedrijven en ook hield hij zich niet bezig met de hulp aan onderduikers. Hij trof vooral voorbereidingen zodat de OD in de laatste fase van de oorlog aan de strijd zou kunnen deelnemen. Hij leidde een dubbelleven. In het publieke leven was hij jonkheer Six, een telg uit een gefortuneerd Amsterdams regentengeslacht. In het verzet opereerde hij veelal onder een schuilnaam. Zijn ware identiteit was slechts bij zeer weinigen bekend.

In het voorjaar van 1943 vroeg dominee J.Koopmans aan de koster van de Koepelkerk, Heijmen Westerveld, om de kerk ter beschikking te stellen aan een geheime organisatie. Na goedkeuring vestigde op 25 maart 1943 jonkheer J.P.Six het Algemeen Hoofdkwartier van de OD in de Koepelkerk aan de Stadhouderskade in Amsterdam.Ordedienst (OD) en verzet door militairen, verzetsmuseum.nl In de consistoriekamer van de kerk werd de kernstaf van de landelijke OD gevestigd. Deze kernstaf bestond uit hooguit tien personen die van tijd tot tijd in de kerk bijeen kwamen. Andere stafsecties waren op andere plaatsen in de stad gevestigd. Daarnaast had Six in de stad zijn zogenaamde spreekadressen. Op deze plaatsen werd vergaderd en werden besprekingen gevoerd.

Radiocontact met Londen Een grote verbetering bracht de arts Allard Oosterhuis, de leider van de verzetsgroep 't Zwaantje tot stand toen de OD via de "Zweedse weg" de beschikking kreeg over zendapparatuur. Met deze zendapparatuur werd een radioverbinding met de Nederlandse regering in Londen tot stand gebracht. De radioverbinding met Londen werd er ook de oorzaak van dat er tussen Six en Jan Thijssen, het hoofd van de Radiodienst van de OD, een diepgaand conflict ontstond. Thijssen richtte vervolgens met een aantal geestverwanten de Raad van Verzet (RVV) op (die vooral steun kreeg uit communistische hoek). Zonder toestemming van Six ging hij de radiozender voor eigen doeleinden gebruiken. Zo zag hij kans om de Nederlandse regering in Londen te informeren over de April-meistakingen en de belangrijke rol van de RVV bij deze stakingen. Aldus kreeg Londen de indruk dat de RVV een zeer belangrijke organisatie was. Daarnaast ontstond er tussen Six en Thijssen een verschil van mening over de inzet van het binnenlands radionet. Het conflict escaleerde waarna Thijssen op 31 december 1943 wegens eigengereid optreden uit de OD werd gezet.

Op 27 mei 1943 ontving Six van de Nederlandse regering in Londen een telegram waarin werd vermeld dat de OD het vertrouwen genoot van de Nederlandse regering in Londen en belast werd met de handhaving van de orde en de rust op het moment van de bevrijding van Nederland. Vanaf dat moment besloot de leiding van het Bureau Inlichtingen (BI) om nauw met de OD te gaan samenwerken. Het BI parachuteerde in de daarop volgende maanden agenten boven bezet Nederland. De agenten kregen de opdracht het radiocontact te verzorgen tussen de OD en het BI en de Nederlandse regering in Londen. Vanaf dat moment werden de militaire inlichtingen rechtstreeks radiografisch naar Londen doorgeseind.

De Zendgroep Barbara In de nacht van 22 op 23 juni 1943 werd de agent Garrelt van Borssum Buisman samen met de radiotelegrafist/codist Hendrik Letteboer in de omgeving van Mariënberg boven Overijssel geparachuteerd. De beide agenten legden de basis voor de Zendgroep Barbara. Begin juli 1943 kwam de agent Van Borssum in contact met Allard Oosterhuis. Van Borssum, de organisator en de leider van de Zendgroep Barbara, had van de Nederlandse regering in Londen de opdracht gekregen om de contacten met de OD, die in de loop der tijd waren verwaterd, aan te halen en te verbeteren. Oosterhuis bracht Van Borssum in contact met jhr. Six. Nadat Six Van Borssum op zijn betrouwbaarheid had gescreend, wees hij twee medewerkers van de staf van de OD aan om samen te werken met de radiotelegrafisten van de Zendgroep Barbara. Deze medewerkers waren Chris Tonnet en Gerben Sonderman. De komst van de agenten gaf Six de zekerheid dat de taak die zijn organisatie binnen het Nederlands verzet op zich had genomen door de Nederlandse regering in Londen serieus werd genomen.

Een golf van arrestaties