thumb|Houtsnede op de titelpagina van Colijn Caillieu's Tdal sonder wederkeeren. Uitgegeven en waarschijnlijk ook geïllustreerd door Jan van Doesborch op 10 juli 1528. De houtsnede beeldt de twee luitenants van Vrouw Dood af (links heer Accident, rechts heer Antijke) en in het midden wordt Vrouw Dood zelf afgebeeld, omringd door haar slachtoffersSusie Speakman Sutch, ‘Dichters van de stad. De Brusselse rederijkers in hun verhouding tot de Franstalige hofliteratuur en het geleerde humanisme (1475-1522)’, in: Jozef Janssens & Remco Sleiderink (red.), De macht van het schone woord. Literatuur in Brussel van de 14de tot de 18de eeuw. Leuven: Davidsfonds/Literair, 2003, p. 144.

Colijn Caillieu (Brussel, ca. 1430-1440 – 1503) was van 1474 tot 1485 de eerste stadsdichter van Brussel. Op het tijdstip van zijn overlijden was hij ook factor (de artistieke leider) van een niet nadergenoemde rederijkerskamer.Een theorie die naar voren wordt geschoven in R. Jacobs, ‘Over Colijn van Ryssele, de mysterieuze’. Vlaanderen 31 (1982), p. 280-283 is dat Colijn factor was van de in 1477 opgerichte kamer ‘De Corenblomme’.

Van de vele werken die hij geschreven moet hebben zijn enkel Tdal sonder wederkeeren en Vrou Margriete bewaard gebleven. Colijn Caillieu wordt door veel experts vereenzelvigd met Colijn van Rijssele (ook wel de amoureuze Colijn en Colijn Keyart genoemd), waardoor hij ook de auteur van het magistrale De Spiegel Der MinnenDirk Coigneau, ‘Van de Bliscappen tot Cammaert. Vier eeuwen toneelliteratuur in Brussel’, in: Jozef Janssens & Remco Sleiderink (red.), De macht van het schone woord. Literatuur in Brussel van de 14de tot de 18de eeuw. Leuven: Davidsfonds/Literair, 2003, p. 218. en het toneelstuk Van Narcissus ende Echo zou zijn.

Biografie Wanneer Colijn Caillieu precies geboren werd is onbekend. Vermoed wordt dat hij in het tweede kwart van de 15e eeuw in Brussel het levenslicht zag.J. Duverger, Brussel als kunstcentrum, p. 76. De eerste vermelding van Colijn Caillieu in de Brusselse administratie dateert van rond 1471. In dat jaar moest het Brusselse stadsbestuur bezuinigen. Caillieus toelage werd echter vrijgesteld van de besparingen, zodat hij in alle rust kon blijven voortwerken.‘Dat Claes de Pijpere, Claes van der Porregat, ende de weduwe van Meldert, om huerer outheit wille, ende Colijn de dichtere om synder abelheit wille behouden selen ende voirtaen noch heffen des hem van der stad wegen van gratien verleent es, ende dat alle andere die men van gratien van der stad wegen iet gegeven heeft, desen tijt duerende niet hebben en selen.’ Geciteerd in P. de Keyser, ‘Nieuwe gegevens omtrent Colijn Caillieu, Jan de Baertmaker (Smeken), Jan Steemaer (Pertcheval) en Jan Van den Dale’ in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 53 (1934), p. 269-279.Samuel Mareel, Voor vorst en stad: Rederijkersliteratuur en vorstenfeest in Vlaanderen en Brabant (1432-1561). Amsterdam: Amsterdam University Press, 2010, p. 149. Geraadpleegd op https://www.oapen.org/search?identifier=350733

Dat Colijn Caillieu over een sterk commercieel inzicht beschikte, bewees hij in 1474. In dat jaar wist hij het stadsbestuur namelijk zo ver te krijgen dat ze speciaal voor hem de (bezoldigde) functie van stadsdichter creëerde.‘Colijne Caillieu hem gemeynlic behulpende metter cunst der retoriken, dichten, spelen, esbatementen, baladden, refreynen ende dieregelike dagelix ter eeren van deser stad ende recreatie van den gemeynen volke der selver stad.’ Geciteerd door P. de Keyser in zijn editie van Colijn Caillieu ‘s Tdal sonder wederkeeren, p. 27-28. Het Brusselse stadsbestuur wilde immers de populaire en capabele Colijn niet aan een andere stad verliezen.‘aengesien sijn voirs. Cunst ende abelheyt daerof hij in vele steden ende plaetsen hier omtrent vernaemt es.’ Geciteerd door P. de Keyser in zijn editie van Colijn Caillieu ‘s Tdal sonder wederkeeren, p. 27-28.

Tijdens zijn termijn als stadsdichter schreef Caillieu het presentspel Vrou Margriete, ter ere van de geboorte van Margaretha van Oostenrijk op 10 januari 1480.J. Cuvelier, ‘Een viertal onbekende werken van de Brusselse 15d eeuwsche Rederijkers Colijn en Smeken en van de Bruggeling Anthonis de Roover.’ In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1937, p. 88-89. In dat spel maakt Colijn een persiflage op het Bijbelse Driekoningenverhaal. In het verhaal reizen drie koningen (die adel, clerus en stedelijke burgerij vertegenwoordigen) naar Brussel om drie geschenken aan Margaretha van Oostenrijk te presenteren.Susie Speakman Sutch, ‘Dichters van de stad. De Brusselse rederijkers in hun verhouding tot de Franstalige hofliteratuur en het geleerde humanisme (1475-1522)’, in: Jozef Janssens & Remco Sleiderink (red.), De macht van het schone woord. Literatuur in Brussel van de 14de tot de 18de eeuw. Leuven: Davidsfonds/Literair, 2003, p. 143.

Het andere overgeleverde werk van Colijn Caillieus hand, Tdal sonder wederkeeren, was een vertaling van de Franstalige didactische allegorie Pas de la Mort van Amé de Montgesoies.J.E. van Gijsen, ‘Liefde, Kosmos en Verbeelding. Mens- en wereldbeeld in Colijn van Rijsseles Spiegel der Minnen.’ p. 17. In deze allegorie wordt de overgang van leven naar dood gepresenteerd als een steekspel. De dichter hoort hoe twee luitenants van Vrouw Dood (heer Accident en heer Antijke)Heer Accident is de personificatie van het vroegtijdige overlijden na een ongeval of ziekte, terwijl heer Antijke het zinnebeeld is van de dood door vergevorderde leeftijd. haar voorstellen om een groots toernooi te organiseren, waarin zij als haar kampioenen aantreden. Vrouw Dood gaat daar enthousiast op in.Susie Speakman Sutch, ‘Dichters van de stad. De Brusselse rederijkers in hun verhouding tot de Franstalige hofliteratuur en het geleerde humanisme (1475-1522)’, in: Jozef Janssens & Remco Sleiderink (red.), De macht van het schone woord. Literatuur in Brussel van de 14de tot de 18de eeuw. Leuven: Davidsfonds/Literair, 2003, p. 145.

Met deze vertaling demonstreerde Caillieu zijn grote literair talent. Hij beperkte zich immers niet tot het getrouw weergeven van de oorspronkelijk tekst. Naast een aantal wijzigingen aan de brontekst koos hij er immers voor om in zijn vertaling een negenregelige strofe te gebruiken, die dan nog eens telkens eindigde in een spreekwoord. Deze strofische vorm was heel wat gecompliceerder dan de eenvoudige octaaf van het origineel en zijn gebruik ervan toont aan dat Caillieu goed op de hoogte was van de literaire mode in Franse kringen.

Caillieu moet deze vertaling geschreven hebben tussen 1457 (de originele publicatiedatum van de Pas de la Mort) en 1493. In dat jaar voltooide Johannes Pertcheval immers zijn Den camp vander Doot, waarin verwezen wordt naar Tdal sonder wederkeeren.Vergelijking tussen originele Franse tekst en Pertchevals vertaling: Dois tu oublier ou que soye; Soudi dan vergeten hoe gij zijt gestaect Ce traittié qui tant point et mort; Den voerscreuen tractaet zo eyselic inder noot Que fist Ame, de mont le soye; De welc Colijn caellui heeft gemaect Plus riche que dor ne de soye; Te brusel wonachtig die zo bijt en raect Du merueilleux pas de la mort; Genaemt zijnde den Pas vander doot. Geciteerd in J.E. van Gijsen, ‘Liefde, Kosmos en Verbeelding. Mens- en wereldbeeld in Colijn van Rijsseles Spiegel der Minnen.’ p. 18.

In 1485 werd Colijn Caillieu als stadsdichter opgevolgd door Jan Smeken, die op dat moment factor van rederijkerskamer De Lelie was. Voor de ontdekking van Caillieus naam in het Liber authenticus van het broederschap der Zeven Weeën veronderstelde sommige auteurs daardoor dat Caillieu rond 1485 moet overleden zijn.Willem Van Eeghem, ‘Rhetores Bruxellenses (15e-16e eeuw)’, in: Revue belge de philologie et d’histoire 14 (1935), p. 430 en p. 446-447; J. Duverger, Brussel als kunstcentrum in de XIVe en XVe eeuw. Antwerpen: De Sikkel & Gent: Vynck, 1935, p. 88.

Echter, op 18 maart 1498 werd een Colijn ‘van Ryjsele’ lid van de Brusselse Broederschap van de Zeven Weeën, een gebedsgemeenschap die was opgericht door de leden van de Brusselse rederijkerskamer de Lelie. In het Liber authenticus van dit Broederschap staat opgetekend dat Colijn Caillieu in 1503 kwam te overlijden en dat hij op dat moment factor was van een onbekende rederijkerskamer.

Daarnaast wordt Colijn Caillieu door veel moderne letterkundigen geïdentificeerd als Colijn van Rijssele en Colijn Keyart. Respectievelijk de auteur van de Spiegel der Minnen en Van Narcissus ende Echo. Daarover meer in de volgende paragraaf.

Andere namen De identificatie van Colijn Caillieu met Colijn van Rijssele en Colijn Keyart verliep volgens een getrapt proces.J.E. van Gijsen, ‘Liefde, Kosmos en Verbeelding. Mens- en wereldbeeld in Colijn van Rijsseles Spiegel der Minnen.’ p. 13-19. Het begon bij de studie van de oudst overgeleverde versie van De Spiegel der Minnen uit 1562. In deze door Dirck Volkertsz. Coornhert verzorgde uitgave wordt Colijn van Rijssele als auteur genoemd.

Een precieze datering van dit werk bleek onmogelijk, al zijn er verscheidene zaken die erop wijzen dat het ergens in de vijftiende eeuw moet zijn geschreven.Voor een overzicht, zie J.E. van Gijsen, ‘Liefde, Kosmos en Verbeelding. Mens- en wereldbeeld in Colijn van Rijsseles Spiegel der Minnen.’ p. 14. Uit een analyse van de tekst blijkt ook dat het taalgebruik zeer duidelijk Brabants getint is.J.E. van Gijsen, ‘Liefde, Kosmos en Verbeelding. Mens- en wereldbeeld in Colijn van Rijsseles Spiegel der Minnen.’ p. 27. Volgens verscheidene experts vertoont het taalgebruik van De Spiegel der Minnen sterke overeenkomsten met dat van het toneelstuk Van Narcissus ende Echo.

Van Narcissus ende Echo is in twee versies overgeleverd. Een gedrukte versie uit 1621, uitgegeven door Jan van WaesbergheDen Handel der Amoureusheyt. Inhoudende Vier Poetische Spelen, 1. Van Aeneas ende Dido. 2. Narcissus ende Echo. 3. Mars ende Venus. 4. Leander ende Hero. Poetelijck geinventeert ende Rethorijckelijck ghecomponeert, door Heer ende Meester Johan Baptista Houwaert. Rotterdam, Jan van Waesberghe de Jonge, 1621 (ex.: Gent U.B., H 962). en een door Reyer Gheurtsz gemaakt handschrift uit 1552. In het handschrift van Gheurtsz introduceert de titelpagina de schrijver als de amoureuze Colijn. Na het slot van het stuk wordt deze amoureuze Colijn geïdentificeerd als Colijn Keyart. In de gedrukte versie wordt een andere auteur aangewezen, maar die claim wordt door experts afgewezen.W. Waterschoot, 'Den Handel der Amoureusheyt (1621) Een geval van onaffe kopij?' Jaarboek De Fonteine. Jaargang 1991-1992.(1994), p. 87-95. Geraadpleegd op https://www.dbnl.org/tekst/_jaa005199101_01/_jaa005199101_01_0005.php. Gearchiveerd op 22 juni 2020.Annelies van Gijsen, 'De tussenspelen uit de twee Handels der Amo(u)reusheyt.' Jaarboek De Fonteine. Jaargang 1991-1992.(1994), p. 59-86. Geraadpleegd op https://www.dbnl.org/tekst/_jaa005199101_01/_jaa005199101_01_0004.php. Gearchiveerd op 1 april 2023.

Naast het taalgebruik komen De Spiegel der Minnen en Van Narcissus ende Echo ook overeen qua rijmschema en rijmwoorden. Belangwekkender is echter het feit dat beide teksten schatplichtig blijken te zijn aan dezelfde oudere bronnen, namelijk L’istoire de Narcisus et de Echo en Michault Taillevents Le Debat du Cuer et de l’Ueil.J.E. van Gijsen, ‘Liefde, Kosmos en Verbeelding. Mens- en wereldbeeld in Colijn van Rijsseles Spiegel der Minnen.’ p. 16 en p. 229. Tevens is het zo dat De Spiegel der Minnen verscheidene keren lijkt te verwijzen naar de gebeurtenissen in Van Narcissus ende Echo.In beide teksten sterft Narcissus immers de verdrinkingsdood, wat sterk afwijkt van andere versies die dichter bij het origineel van Ovidius blijven. Voor meer uitleg zie J.E. van Gijsen, ‘Liefde, Kosmos en Verbeelding. Mens- en wereldbeeld in Colijn van Rijsseles Spiegel der Minnen.’ p. 16.