thumb Indo-Europese religie is de hypothetische, gereconstrueerde religie van de Indo-Europeanen, en bestaat uit goden, mythen, concepten en rituelen. Door vergelijkend onderzoek op basis van diverse Indo-Europese tradities en talen zijn hierover hypothesen gevormd. Het onderzoek baseert zich hierbij op bijvoorbeeld filologie, mythologie, geschiedkunde, antropologie en archeologie.

thumb|340px|De moderne spreiding van Indo-Europese talen in Azië en Europa.

Indo-Europese studies De studie naar Indo-Europese religie is voortgekomen uit vergelijkend onderzoek naar Indo-Europese talen. Sinds de zestiende eeuw zijn overeenkomsten opgemerkt tussen Indo-Europese talen, zoals het vroeg gedocumenteerde Sanskriet, Oudperzisch, Oudgrieks en het Latijn. Echt onderzoek naar taalverwantschap volgde in de vroege negentiende eeuw. Indo-Europees werd voor het eerst gebruikt als aanduidingen voor de taalfamilie in 1813.West 2007, p. 1. Sindsdien is door vergelijkend, historisch-taalkundig onderzoek de verwantschap tussen bijvoorbeeld Baltische, Slavische en Indo-Iraanse talen vastgesteld, alsmede tussen uitgestorven talen zoals het Tochaars en Hettitisch vastgesteld. Op grond daarvan is het hypothetische Proto-Indo-Europees gereconstrueerd.

Mythologisch onderzoek begon in de negentiende eeuw. Folkloristen en taalkundigen, zoals Jacob Grimm en Hermann Hirt, zagen verwantschap tussen geattesteerde goden in het Indo-Europese cultuurgebied. Onder invloed van de evolutietheorie veronderstelden godsdiensthistorici, zoals James Frazer, aan het begin van de twintigste eeuw dat religie zich van primitief naar abstract had ontwikkeld, een vorm van culturele evolutie die bekendstaat als unilineaire of eenlijnige evolutie. Zo zouden oeroude goden enkel metaforen zijn voor natuurfenomenen in een animistische context. De dondergod representeert dan bijvoorbeeld het onweer. Leopold von Schroeder stelde een middenweg voor. Volgens hem kenden de Indo-Europeanen een triade: de hoogste god (geloof in een opperste geest), de natuurgod (aanbidding van de natuur) en de zielsgod (geloof in de ziel, voorouders etc.).Arvidsson 2006, pp. 160-161; Von Schroeder 1914, I, p. 455.

Georges Dumézil suggereerde met zijn belangrijke onderzoeken niettemin een oude maar goed ontwikkelde, Indo-Europese religie.Arvidsson 2006, pp. 138-139. Voor hem en anderen gold de religie als een afspiegeling van een triadische sociale structuur: de priesterklasse, krijgersklasse en boerenklasse. De hemelvader Dyeus zou bijvoorbeeld met eerstgenoemde verbonden zijn. Dumézils studies hebben veel navolging gekregen, maar zijn ook bekritiseerd. De sociale driedeling is volgens sommigen onzeker, terwijl de gereconstrueerde goden niet in dit schema passen.B. Lincoln, in Eliade (ed.) 1987, lemma Indo-European Religion, deel 7, p. 201. Diverse van Dumézils etymologieën en reconstructies zijn tevens achterhaald, zoals het postuleren van een Indo-Europese bindgod en centaur.Zie daarvoor bijvoorbeeld Mallory & Adams 1997.

Het onderzoek richt zich niet alleen op vergelijkende mythologie, maar ook op vergelijkende filologie en rituelen. Laatstgenoemde is betrekkelijk onderbelicht. Onderzoekers die aan de kennis van Indo-Europese religie hebben bijgedragen, zijn onder anderen Calvert Watkins, Jaan Puhvel, Bruce Lincoln, Edgar C. Polomé, Miriam R. Dexter, Nick J. Allen, Peter Jackson en Emily B. Lyle.

Methodologie thumb|Diachrone voorstelling van de Anatolische talen, een uitgestorven tak van de Indo-Europese taalfamilie. Een taal veronderstelt een taalgemeenschap. Die gemeenschap had een bepaald intellectueel erfgoed, waaronder religie. Er moet dus een Proto-Indo-Europese cultuur bestaan hebben, en ook een religie.West 2007, pp. 2-5; Watkins 1995, p. 7. Op basis van vocabulaire wordt onderzocht hoe die eruitzag. Dat kan, omdat taalverandering volgens wetmatigheden verloopt en bijvoorbeeld klankverandering regelmatig is. Reconstructie op basis van taal is daarmee eenvoudiger en zekerder dan vergelijkend onderzoek naar bijvoorbeeld mythen en rituelen. Mythologische en religieuze verandering hoeft ook geheel niet regelmatig te verlopen.B. Lincoln, in Eliade (ed.) 1987, lemma Indo-European Religion, deel 7, p. 199. Zo is in het oud-Griekse pantheon alleen Zeus nog duidelijk Indo-Europees in functie en naam. Verder is een enkele parallel tussen bijvoorbeeld een Griekse en een Indiase mythe onvoldoende om een Indo-Europese oorsprong aan te nemen. Culturen kunnen bijvoorbeeld goden en mythen van elkaar overnemen (horizontale transmissie). Reconstructies zijn beter indien ze gebaseerd zijn op materiaal uit veel verschillende gebieden, bijvoorbeeld Scandinavië tot en met India.West 2007, p. 20, p. 23.

Als bewijs voor een reconstructie is er enerzijds taalkundig, etymologisch bewijs. Zo zijn soms namen en daarmee verbandhoudende woorden, zoals epitheta, gereconstrueerd die informatie verschaffen over de godheid en zijn of haar functies.Anderzijds kunnen ook karakteristieken van goden of patronen in mythen als bewijs dienen. Dat zijn dan structurele aanwijzingen. Die zijn echter minder solide. In bijvoorbeeld de Welshe, Romeinse, Griekse en Indiase mythologie komen smid-goden voor, respectievelijk Gofann, Vulcanus, Hefaistos en Tvastr. Die zijn niet etymologisch verwant, maar men kende wel woorden voor enkele metalen. Structurele aanwijzingen bestaan slechts in het onderscheid dat in klassieke bronnen gemaakt wordt binnen de samenleving in vier klassen.Plato, De Staat; Strabo, Varro, De lingua Latina; in Iran onderscheidde men ook een vierde klasse van ambachtslieden. Naast priesters, krijgers en landbouwers tevens ambachtslieden. Die aanwijzingen zijn summier en rechtvaardigen de conclusie van een Indo-Europese oorsprong niet.Zie ook Mallory & Adams 1997, pp. 139-140.

Goden en mensen Het Proto-Indo-Europees had de wortel *dey-/*diw- voor 'heldere hemel' en de lucht bij daglicht. Verwant is de wortel *deih2- 'schijnen', vanwaar bijvoorbeeld het Oudierse dia 'dag', Latijnse dies 'dag', Armeens tiw 'dag' en Hettitische siwat 'dag'.Mallory & Adams 1997, p. 149. Met het toevoegen van de achtervoegsels *-ew- of *-w- ontstonden tevens de vormen *deiw- en *dyew-. Deze vormvarianten verklaren twee groepen woorden die respectievelijk 'god' en 'hemel' betekenen.Clackson 2007, p. 66.*deiw-: Sanskriet déva- 'god'; Latijn deus 'god'; Latijn divus 'goddelijk'; Litouws diēvas 'god' etc.*dyew-: Sanskriet dyáu- 'hemel(-god)'; Grieks Zdeús; Hettitisch šiuš; Oudiers dé etc. thumb|De Indo-Europese woorden voor 'helder', 'dag', 'hemel' en 'god' zijn verwant. De (mannelijke) heldere hemel vormde volgens Indo-Europeanen de tegenpool van de (vrouwelijke) aarde, zoals ook de goden de tegenpool van de sterfelijke mensen waren. Vermoedelijk is het bijvoeglijk naamwoord *deiw- de oorspronkelijke afleiding, en ontstond de tweede later.Clackson 2007, p. 74. Uit de eerste verlengde wortel ontstond in het Middel-Indo-Europees het mannelijk zelfstandig naamwoord *deiwós, 'god', letterlijk 'hemelse' of 'oplichtende'. Dit werd het gangbare woord voor 'god', blijkens de etymologie en betekenis van diverse geboekstaafde woorden in oude of conservatieve talen.Mallory & Adams 1997, p. 230. TaalFonetische vormBetekenisAvestaansdaēva'demon'Oudnoordstívar'goden'Grieksdios'hemelse'Hettitischšiuš'god'Latijndeus'god'Litouwsdiēvas'god'Sanskrietdeváh'god' Etymologisch gezien zijn de Indo-Europese goden zodoende geassocieerd met de hemel, de dag en het daglicht. Vandaar bijvoorbeeld de gereconstrueerde Dyeus-pater (hemelvader), Zon en Dageraad. Daarmee staan ze tegenover de mens, die geassocieerd is met de aarde. Het Proto-Indo-Europese woord voor 'aarde' was *dhéghom-. In diverse takken van de taalfamilie ontwikkelden zich hieruit woorden voor 'mens', zoals het Frygische zemelos, Latijnse homo (cognaat van humus, 'aarde'), Oudlitouwse žmuō, Proto-Germaanse *guman (vergelijk gom in bruidegom), en Keltische *gdon-yo.West 2007, p. 124; B. Lincoln, in Eliade (ed.) 1987, lemma Indo-European Religion, deel 7, p. 198. Een tweede onderscheid tussen mens en god werd gemaakt door de mens sterfelijk (*mórtos, 'sterveling') en de goden onsterfelijk te noemen.Mallory & Adams 1997, p. 366; West 2007, p. 127; B. Lincoln, in Eliade (ed.) 1987, lemma Indo-European Religion, deel 7, p. 198. De parallelle tegenstelling aarde–hemel en mens–god is echter niet volledig. Er schijnt een tweede godengroep bestaan te hebben die verbonden was met de aarde en ondergronds water, en waarvan de namen de wortel *ne- 'neer(waarts)' bevatten. Vandaar mogelijk het Griekse Neptunus en Nereus, Germaanse Nerthus en Vedische Nirṛti.Mallory & Adams 1997, p. 230; West 2007, pp. 122-124;

B. Lincoln, in Eliade (ed.) 1987, lemma Indo-European Religion, deel 7, pp. 200-201.

Kosmos thumb|Charon, zoals voorgesteld door Gustave Doré (Dante Alighieri, Inferno, canto III, 1857.

Kosmologie Sommige onderzoekers, zoals J. Haudry, menen dat in de Indo-Europese kosmologie een driedeling bestond. Er zouden in die voorstelling drie hemelrijken bestaan hebben, die elkaar niet domineren. De hemelgod Dyeus, verbonden met de dag, heerst in dit schema niet over de nacht. Dat geldt voor de Romeinse Jupiter, Griekse Zeus en Oudindische Dyaus. De nacht wordt beheerst door godheden zoals Ouranos. Zonsopgang en -ondergang vormen het derde deel, dat beheerst werd door goden als de Romeinse Saturnus, Griekse Kronos en Oudindische Savitṛ. De drie rijken zouden wentelen rondom een wereldas (axis mundi), voorgesteld als bijvoorbeeld een paal, zuil of boom (vergelijk Yggdrasil en Atlas). Daarbij is aangenomen, dat de driedeling parallel loopt aan mythen zoals de opvolging van het koningschap, bijvoorbeeld in de Griekse mythologie van Ouranos > Kronos > Zeus, en de opvolging van tijdperken in de Griekse, Perzische en Indiase overlevering.Mallory & Adams 1997, p. 131. De voorstelling van zaken is echter onzeker. De vermelde palen in bijvoorbeeld Germaanse en Indiase tradities zouden ook (deels) van (Finno-Oegrische en Centraal-Aziatische) sjamanistische oorsprong zijn.West 2007, p. 346.

Hiernamaals Aangenomen is, dat de Indo-Europeanen in een hiernamaals geloofden, waarover een doodsgod of vergoddelijkte mens (Tweeling) heerste, samen met andere mindere godheden. Die plaats was ommuurd, blijkens Indo-Europese woorden waarmee dat hiernamaals werd aangeduid, zoals het Oudnoordse garðar (Hel), van *ghórdos 'omwalling'. Vermoedelijk bestond het rijk uit weiden. Het is niet duidelijk waar men het hiernamaals plaatste. In veel overleveringen wordt die als onderaards voorgesteld, maar soms ook als bereikbaar over water. De enige windrichting die in de Indo-Europese tradities ontbreekt als locatie, is het oosten. Evenmin is duidelijk hoe de kwaliteit van het dodenrijk was: goed of slecht. Mogelijk kende men beide aspecten, zonder echter het concept van zonde te kennen.Mallory & Adams 1997, pp. 1512-153.

Na het overlijden wordt het lichaam ontbonden en keren de delen terug naar de aarde: adem wordt lucht, het vlees aarde etc. De geest van de overledene zou een reis afleggen die eindigt in het oversteken van een rivier of beklimmen van een heuvel. In dat hiernamaals leeft de geest voort, maar soms keert hij terug naar de wereld van de levenden. Dat een reis afgelegd wordt, is gesuggereerd door eufemistische woorden voor 'overlijden' (vergelijk heengaan) in diverse Indo-Europese bronnen. Dit concept wordt verder onderbouwd door het meegeven van goederen in graven en rituelen. Mogelijk geloofde men dat een oude, grijze man in het hiernamaals hielp bij de overtocht. Vergelijk bijvoorbeeld het Griekse Charon, Oudnoordse karl,Völsunga-saga 10. Keltische Barinthus. De eerste twee stammen van *gerha-, de derde van het proto-Keltische *Barrfind, 'withoofd'.Mallory & Adams 1997, pp. 151-153; B. Lincoln, in Eliade (ed.) 1987, lemma Indo-European Religion, deel 7, p. 203.

Pantheon