thumb|Voormalige stelmakerij en lijkkistenfabriek in Wagenborgen Wagenborgen (Gronings: ) is een dorp in de gemeente Eemsdelta in de Nederlandse provincie Groningen. Tot 1990 was Wagenborgen de grootste woonkern binnen de toenmalige gemeente Termunten, daarna maakte het tot eind 2020 deel uit van de gemeente Delfzijl. Het dorp telt inwoners ().
Geografie Wagenborgen wordt sinds de vijftiende eeuw tot het Oldambt gerekend. Het ligt op de grens van twee andere oude landschappen; namelijk Duurswold in het westen, en Fivelingo in het noorden. De basis voor de dorpskern wordt gevormd door een lage keileemwelving met een kleinschalige, esverkaveling die enkele meters boven het omringende land uitsteekt. .Dit gebied wordt de Gast of Garst genoemd, een Oudfriese naam om een akkercomplex aan te duiden. De welving is vergelijkbaar met de hoogten van het Schiereiland van Winschoten en vormde de noordwestelijke begrenzing van de Dollard. Het hoogste punt bij de kerk bevindt zich op 1,7 m +NAP. De hoogte zag er kennelijk wat onregelmatig uit: in 1659 was sprake van de Voorste Bult, de Middelste Bult en de Zuijderbult, waaraan later de Zuidbultsterpolder zijn naam te danken had.Groninger Archieven, toegang 731, inv.nr. 7121, fol. 207.
Wagenborgen heeft zich nooit tot een belangrijke dorpskern ontwikkeld. Vanwege de lage ligging is alle bewoning al in de middeleeuwen op de keileemopduiking geconcentreerd. Op de hoogte bevond zich het schaarse akkerland in kleine percelen, daarbuiten lagen verspreide oude weide- en hooilanden. Het akkerland viel onder het gezag van twee gastrechters, de omliggende hamrikken daarentegen onder de dijkrechters van het kerspel.Zie voor het gastrecht van Wagenborgen uit 1664: R.P. Cleveringa Pzn., 'De Ommelander gastrechters’, in: Groningse Volksalmanak (1939), pp. 128-156, hier 142-156. De boeren die in het dorp woonden, konden maar beperkt gebruik maken van het recht van opstrek. Het nieuwe polderland lag buiten de dorpsgrenzen en viel grotendeels toe aan eigenaren uit naburige dorpen. De oorspronkelijke kleinschalige blokverkaveling is in het kader van ruilverkavelingen omstreeks 1975 opgeruimd. Daarbij verdwenen ook de vele laantjes die de percelen verbonden, zoals de Kostersweg. Door ontwatering en inklinking is het maaiveld hier sinds het begin van de 20e eeuw bijna een meter gedaald.
De Zomerdijk en de Veendijk (die doorliep over de gast), deelden het kerspel sinds de 15e eeuw in tweeën. Het zuidelijke deel behoorde tot het Termunterzijlvest, vanaf 1873 het boezemwaterschap Oldambt, het noordelijke deel tot het Farmsumerzijlvest, vanaf 1871 het boezemwaterschap Duurswold. Binnen het dorpsgebied lagen de waterschappen Tonnistil (1792), Zuidbultsterpolder (1792, gedeeltelijk), Wagenborgerpolder (1794) en Proostpolder (1873). De belangrijkste kanalen waren Wagenborger- of Stinkvaardermaar, Molenwatering of Sier, Hammaar, Kromme Sloot, Bultermaar en Hondshalstermaar. De Stinkvaartsloot is nog voorhanden, het Hondshalstermaar is na 1980 gedeeltelijk opgeslokt door het nieuw aangelegde Hondshalstermeer.
De Hoofdweg door Wagenborgen is de oude weg van Delfzijl naar Slochteren, die rond 1600 Heerenwegh werd genoemd. In het dorp loopt deze ten westen van de zandrug. De Hoofdweg en de parallel oostelijker ervan gelegen Kerkstraat vormen de oude bewoningsassen van het dorp. Later werd de bebouwing voortgezet langs de Boelmanweg. Het ging bij deze drie wegen om lintbebouwing en tot op heden met name om boerderijen en eengezinswoningen. Rondom de stopplaats Wagenborgen aan de NOLS-spoorlijn Zuidbroek-Delfzijl (1910-1934) concentreerde zich begin 20e eeuw ook enige bebouwing. Na 1945 werd de bebouwing van het dorp meer blokvormig uitgebreid, eerst vooral met rijtjeswoningen. In de jaren zeventig en tachtig (Tonnistil en Bomenbuurt) werd meer variatie aangebracht in woningtypen. De uitbreidingen vanaf de jaren negentig bestaan hoofdzakelijk uit twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Het dorp kent nog altijd een redelijk voorzieningenniveau, dat zich uitstrekt langs de historische lintbebouwing.
Aan de oostzijde van het dorp ligt het terrein van het voormalige psychiatrisch ziekenhuis en geestelijk gehandicaptencentrum Groot Bronswijk, dat ingericht is in de stijl van een Engelse landschapstuin en lange tijd een apart zelfvoorzienend dorp binnen Wagenborgen vormde, met op het hoogtepunt 1500 inwoners.
De omgeving bestaat hoofdzakelijk uit grootschalige blokverkaveling. Rond het dorp liggen nieuwe dorpsbosjes, zoals het Wagenborgerbos aan de noordzijde van het dorp, het Zeevaartterrein aan de oostzijde en de parkachtige bosschages rond het voormalige Groot Bronswijk. Typerende nieuwe boerderijnamen zijn Zuidergast, Op de Hoogte, Ora et Labora, Thijshoeve en Kwelderstate.
Het centrum van Wagenborgen stond vroeger bekend als de 'Moushörn', de hoek waar boerenkool wordt verbouwd, een benaming die in veel Groninger dorpen voorkwam. De buurtschappen in de omgeving liggen buiten de eigenlijke dorpsgrenzen. Dit zijn Leentjer, Oostwold, Eelshuis en Wilderhof onder Siddeburen, Opmeeden, Schaapbulten en Ideweer onder Meedhuizen, Langezwaag onder Nieuw-Scheemda, Kopaf en Scheve Klap onder Nieuwolda. De boerderijen van Overtocht en Zomerdijk (met het huis Stokkerij of Stinkerij) vielen onder Heveskes en Oterdum, maar de bewoners bezochten gewoonlijk de kerk van Wagenborgen. Ook het gehucht. Stolderij (met twee huizen) viel onder Wagenborgen. Pas in de 19e eeuw ontstond er een buurtje aan de huidige Westerlaan.
Geschiedenis Wagenborgen is ontstaan in de 9e eeuw als een randveenontginning. Een schatvondst met 500 Karolingische munten in 1889 maakt het waarschijnlijk dat er toen al mensen woonden.P.C.J.A. Boeles, 'Les trouvailles de monnaies Carolingiennes dans les Pays-Bas', in: Jaarboek van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Munt- en Penningkunde onder de zinspreuk 'Concordia res parvae crescunt' te Amsterdam 2 (1915), pp. 1-98, hier 83-94. Zowel hier als in Wilderhof is aardewerk uit deze periode aangetroffen.Henny Groenendijk, 'Nu ook vroegmiddeleeuws aardewerk uit Wagenborgen', in: Historisch Jaarboek Groningen (2001), pp. 135-136. Net als in Wilderhof speelde grootgrondbezitters en kloosters hierbij mogelijk een rol.Otto S. Knottnerus, Natte voeten, vette klei. Oostelijk Fivelingo en het water, Bedum 2008. Waarschijnlijk was er sprake van een kleinschalige opstrekkende verkaveling ten noorden van het dorp, maar hebben de bewoners zich later vanwege wateroverlast op de hoogste delen teruggetrokken.
De oorsprong van de plaatsnaam is niet zeker. De oudste vormen zijn Wagenbarge (1337), Wagenborghen (1441), Wagenbergen (1446), to Waegheberghe (1479), Wagenberge (1558) en Wagenborgen (ca. 1660). Vermoedelijk is de oorspronkelijke betekenis 'hoogte van de persoon Wago'; later is de persoonsnaam opgevat als de soortnaam wagen- 'kar, voertuig' met het in deze streek ongebruikelijke suffix -berg 'terreinverheffing, heuvel'. Die uitgang werd weer vervangen door -borg 'burcht, aanleunend tegen het Middelnederlandse wagenborch 'een soort verschansing van wagens'.G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018, trefwoord: Wagenborgen. O.S. Knottnerus, 'Alle verdronken Dollarddorpen' (2004-2008). Wobbe de Vries, Groninger plaatsnamen, 1946, p. 255. Mogelijk bestaat er echter een samenhang met de oorspronkelijke naam van het nabijgelegen dorp Weiwerd, die zou teruggaan op de Oudfriese stam wâg, wei 'golf, water', Middelnederlands wage 'bewogen water, vloed, hoge golf'.G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018, trefwoord: Weiwerd. Een volksetymologie beweert dat als men gewaagd werd, men zich hier tegen de zee kon bergen.
Het dorp behoorde aanvankelijk tot Fivelgo en wordt genoemd in een landregister uit 1337..D.J. Roemeling, Patroonheiligen, priesters en predikanten in Groningen en Drenthe tot omstreeks 1640, zeer voorlopige versie, Leeuwarden 2019, p. 942-944. Het was een klein kerspel met 650 gras (220 hectare) land. De plaats duikt tevens op onder de naam Wenbergum in een kerspellijst van het bisdom Münster van omstreeks 1475, die is gebaseerd op oudere gegevens. De parochie moest volgens deze lijst een bedrag van 4 schelling aan belasting betalen; een relatief gering bedrag ten opzichte van de andere dorpen.Stratingh en Venema, De Dollard, 1855, p. 334. Vermoedelijk zegt dit iets over de grootte van het dorp. In 1435 sloot Wagenborghen zich aan bij een twaalfjarig verbond van dorpen uit het Wold-Oldambt; in 1441 ondertekenen de vertegenwoordigers van Wagenborghe, namelijk een zekere Popke samen met de dorpspastoor ook de dijkbrief van het Oldambt, waarin werd afgesproken om het hoofd te bieden aan de uitbreiding van de Dollard. De Wagenborger Hamrickslande werden in 1454 in het dijkregister van de nieuw te bouwen Dollarddijk opgenomen. Door de Dollardinbraken kwam Wagenborgen geïsoleerd te liggen ten opzichte van de overige dorpen van het Wold-Oldambt. Vanaf het einde van de vijftiende eeuw ging het deel uitmaken van de landstreek Klei-Oldambt.R. Alma, 'Het Oudfriese Landrecht van het Oldambt', in: Us Wurk 49 (2000), p. 2-45, hier 5.
Wagenborgen lag echter gescheiden van de overige dorpen van deze streek. Het gebied tussen de Zomerdijk en de Heemweg hoorde tot 1808 bij Nieuwolda.
De parochierechten van Wagenborgen bevonden zich hoogstwaarschijnlijk in handen van het Grijzemonnikenklooster te Termunten, dat tevens 25 akkertjes op de Garst en de nodige landerijen rondom het dorp bezat.Het collatierecht van Wagenborgen bevond zich later in provinciehanden en werd in 1695 verkocht .E.H. Roelfsema, De klooster- en proosdijgoederen in de provincie Groningen, Groningen/Den Haag 1928, p. 89. Hoe het klooster aan deze bezittingen is gekomen, is niet bekend. Mogelijk gingen ze terug op de stichters van het klooster Menterwolde (rond 1220) of op ouder kloosterbezit. De provincie verkocht het collatierecht in 1694 aan enkele vooraanstaande Ommelanders, die dit in 1763 doorverkochten aan een groep van 25 eigenerfde boeren uit het dorp zelf.Het collatierecht werd aangekocht door de boeren met meer dan 24 deimten (12 hectare) land. Ena H. Roelfsema, De klooster- en proosdijgoederen in de provincie Groningen, Groningen / Den Haag 1928, p. 89. Op het erf der vaderen, p. 121-125. Daarnaast wist het kerspel ook het grootste deel van het Proostmeer te verwerven, dat - zoals de naam aangeeft - oorspronkelijk eigendom was van de proost van Farmsum (de eigenaar van de borg aldaar). In 1557 was sprake van een schuttersgilde te Wagenborgen.
In de vijftiende eeuw zijn tientallen dorpen vanwege het inbreken van de Dollard verdronken. Vanaf het midden van de 15e eeuw kwam het water tot vlak bij Wagenborgen. Rondom Wagenborgen werden daarom onder andere de Zomerdijk, de Veendijk en later ook de Weerdijk aangelegd. De dijk rondom de doorbraakkolk De Overtocht, inden Hoep genaamd, wordt in 1465 vermeld; vier jaar later is sprake van den nijen dijck to Wagenborge over de Gast. Het hamrick van Wagenborgen beneden der Gast und binnen Kadijcks werd in 1471 toegelaten tot het Farmsumerzijlvest. Bij stormvloeden stroomde het water zelfs over de lage delen van de gast, zoals bij de voormalige Rotkolk.