thumb|Minmi, wellicht de oudste zijtak van de ankylosauriërs De Ankylosauria zijn een groep gepantserde plantenetende ornithischische dinosauriërs uit de groep van de Thyreophora.
Definitie De naam Ankylosauria werd het eerst gebruikt door Henry Fairfield Osborn in 1923 voor een onderorde en was afgeleid van het geslacht Ankylosaurus.
De klade, aftakking, Ankylosauria werd in 1997 voor het eerst gedefinieerd door Kenneth Carpenter als de groep bestaande uit alle thyreofore Ornithischia die nauwer verwant zijn aan Ankylosaurus dan aan Stegosaurus. In 1998 gaf Paul Sereno een overeenkomende definitie: alle Eurypoda die nauwer verwant zijn aan Ankylosaurus dan aan Stegosaurus. In 2004 werd Ankylosauria door Sereno voorzichtiger gedefinieerd als de groep omvattende alle soorten die nauwer verwant zijn aan Ankylosaurus magniventris dan aan Stegosaurus stenops, Pachycephalosaurus wyomingensis of Parasaurolophus walkeri. De ingewikkelde definitie weerspiegelt de vele onzekerheden over de precieze verwantschappen binnen de Ornithischia. In hetzelfde jaar kwam Jonathan Richard Wagner met een nog ingewikkelder definitie: alle soorten nauwer verwant aan Ankylosaurus magniventris dan aan Heterodontosaurus foxii, Pachycephalosaurus wyomingensis, Stegosaurus armatus, Iguanodon bernissartensis of Ceratops montanus. Dit om de omgrenzing overeen te laten komen met het gebruikelijke begrip dat men van ankylosauriërs heeft: platte, brede dieren met vele pantserplaten. Tot de groep behoren de Nodosauridae en de Ankylosauridae: vormen zonder en, meestal, mét een beenknuppel aan het eind van de staart.
Evolutie Splitsing tussen stegosauriërs en ankylosauriërs thumb|Ankylosauriërs stammen af van meer basale Thyreophora, waarvan Scelidosaurus het best bekende voorbeeld is Over de vroege evolutie van de Ankylosauria is weinig bekend. Het betreft Thyreophora, gepantserde plantenetende dinosauriërs waarvan de wat latere takken al vrij vroeg overgegaan moeten zijn van een tweevoetige naar een viervoetige wijze van voortbeweging. Men verdedigde zich niet meer tegen roofdieren door weg te lopen maar door het met ze uit te vechten waarbij allerlei huidverbeningen, osteodermen, dienden als "wapening" in beiderlei zin: zowel bepantsering als wapen. left|thumb|Aan de meest basale bekende stegosauriër, Huayangosaurus, is nog goed te zien dat hij kort na de afsplitsing van de ankylosauriërs leefde De Ankylosauria zijn de zustergroep van de Stegosauria binnen de Eurypoda, een deelgroep van de thyreoforen. Aangezien er stegosauriërs bekend zijn uit het middelste Jura, moeten de ankylosauriërs minstens zo oud zijn. Misschien splitsten ze zich af tijdens het Aalenien, ruim 170 miljoen jaar geleden. Eenduidige ankylosaurische resten van die ouderdom ontbreken echter. Hoogstwaarschijnlijk namen de ankylosauriërs een ander evolutionair pad dan hun stegosaurische neefjes. Die laatsten gingen als het ware de hoogte in. Hun rompen werden steeds hoger, overdwars afgeplat. Hun nek werd wat langer en hun kop kleiner. Op soms een schouderstekel na, verdween de bepantsering aan de zijkant van de romp. Rijen hoge platen stonden op de rug en een soepele staart, aan het uiteinde bezet met lange stekels, vormde het voornaamste wapen. Het vermogen tot rennen ging geheel verloren en de achterpoten werden recht.
De ankylosauriërs daarentegen, gingen de diepte in. Hun koppen en rompen werden platter en hun poten korter. De achterpoten behielden een gebogen knie. De nek bleef kort met zeven tot acht wervels. Zware pantsergordels bedekten hun nek en torso. Kop en onderkaken waren voorzien van caputegulae, "koptegeltjes". Op de achterste hoeken van het schedeldak en de wangen stonden driehoekige hoorns. Om de bovenkant van de nek lagen twee halsbergen bestaande uit overdwars vergroeide segmenten. Over de rug liepen rijen ovale platen, voorzien van een opstaande scherpe kiel. Die bedekten ook de zijkanten van de poten. Soms vergroeiden die op de achterkant van de romp tot een continu stijf heupschild. Kleine ronde beenschubben vulden de ruimten tussen de grote elementen en beschermden ook de buik. De flanken en de zijkanten van de staart, die een veertigtal wervels telde, waren voorzien van scherpe, verticaal afgeplatte, driehoekige stekels. Die dienden kennelijk als wapen.
Ten dele toonden de stegosauriërs en ankylosauriërs ook een parallelle evolutie. Drie belangrijke schedelopeningen, de fenestra antorbitalis, het bovenste en het onderste slaapvenster, sloten; bij nodosauriden sloot het onderste slaapvenster slechts gedeeltelijk. Bij beide groepen werden de wervelbogen van de ruggenwervels hoger, het meest extreem bij de stegosauriërs. De ruggenwervels kregen bij beiden schuiner omhoogstekende zijuitsteeksels. Ook werd in beide gevallen het bekken steeds breder, met wijd uitwaaierende voorbladen van de darmbeenderen zodat een enorme buikholte ondersteund kon worden. In dit opzicht gingen de ankylosauriërs het verst. Bij veel soorten is de romp zo grotesk afgeplat dat bijna alle illustraties dit onvoldoende weergeven. Het midden van de flank van de buik staat soms drie maal verder van de middenlijn van het lichaam verwijderd dan de poten. Het heupgedeelte werd verder verstijfd doordat het heiligbeen, zelf drie of vier wervels tellend, vergroeide met tot wel zes van de negentien ruggenwervels, en tot drie van de brede voorste staartwervels.
Vroege splitsingen binnen de Ankylosauria thumb|De oudste bekende fossielen van ankylosauriërs bestaan grotendeels uit losse botten zoals deze kaak van Sarcolestes De alleroudste bekende ankylosauriërs bestaan alle uit slecht bewaard skeletmateriaal. Wellicht ankylosaurische fragmenten zijn bekend uit het Callovien en Oxfordien van Engeland, tussen de 165 en 160 miljoen jaar oud. Sarcolestes is gebaseerd op een stuk onderkaak; Priodontognathus op een stuk bovenkaak; Cryptosaurus op een dijbeen. Nog ouder, Bajocien-Bathonien ofwel 168 miljoen jaar, is wellicht het skelet van de Chinese Tianchisaurus dat zelfs redelijk compleet is opgegraven. Het is echter slecht beschreven, onbetrouwbaar gedateerd en ook nog eens zoek. left|thumb|Mymoorapelta is een van de oudste ankylosauriërs waarvan vrij volledige skeletten bekend zijn De oudste ankylosauriërs waarvan we goede resten hebben, zijn Mymoorapelta en Gargoyleosaurus die ruim 150 miljoen jaar geleden leefden tijdens het late Jura. Deze behoorden tot de ondergroep van de Nodosauridae. Over een duur van minstens twintig miljoen jaar is de loop der gebeurtenissen dus niet aan de hand van fossiele vondsten na te gaan. In 1978 stelde Walter Preston Coombs dat alle ankylosauriërs strikt te verdelen waren in twee hoofdgroepen: de Nodosauridae en de Ankylosauridae die zo'n 110 miljoen jaar geleden opdoken. Dat zou betekenen dat de ankylosauriden een verborgen ontwikkelingslijn hebben van zestig miljoen jaar — gesteld dat Tianchisaurus geen ankylosauride is zoals oorspronkelijk beschreven — want ze zouden zich dan al direct na de laatste gemeenschappelijke voorouder der Ankylosauria van de nodosauriden hebben afgesplitst. Deze gedachte werd reeds in het midden van de jaren tachtig ondergraven door exact cladistisch onderzoek dat leek te tonen dat sommige vroege vormen bij geen van deze groepen in te delen waren. Er zouden dus basale, onder in de stamboom staande, ankylosauriërs zijn buiten een klade Nodosauridae + Ankylosauridae. Voor deze werd het oude begrip Polacanthidae weer uit de kast gehaald, genoemd naar de vroege soort Polacanthus. thumb|Van vroege vormen als Polacanthus is het vaak onduidelijk of het om nodosauriden, ankylosauriden of aparte eerdere afsplitsingen gaat Sindsdien zijn er vele analyses uitgevoerd met vaak zeer verschillende uitkomsten. Er zijn zeven relevante mogelijkheden. De eerste is dat Coombs toch gelijk had en dan alle "Polacanthidae" tot de Nodosauridae behoren. Hierop wijzen verschillende recente studies. Een alternatief is dat zulke vormen juist van de Ankylosauridae lid zijn. Dit wordt niet door recente analyses ondersteund maar is wel serieus geopperd. De derde mogelijkheid is dat de Polacanthidae samen één vroege zijtak vormen. Deze hypothese is bij bepaalde onderzoekers zeer populair geweest maar heeft het nadeel dat er dan nog steeds een lange verborgen ontwikkelingslijn moet worden aangenomen voor hun zusterklade Nodosauridae + Ankylosauridae. Een mogelijkheid die dit bezwaar niet heeft, is dat de "polacanthiden" parafyletisch zijn en dus een opeenvolging van niet-direct verwante afsplitsingen van de vroege ankylosaurische hoofdstam vertegenwoordigen. Het zou ook kunnen dat daarnaast sommige van die vormen basaal in de Nodosauridae staan of juist de Ankylosauridae, wat mogelijkheden vijf en zes oplevert. De meest complexe situatie is ten slotte een combinatie van vroege afsplitsingen en basale posities in zowel de Nodosauridae als de Ankylosauridae. Vanuit onze algemene kennis over hoe evolutionaire processen verlopen en gezien het feit dat al die basale vormen wel erg op elkaar geleken zullen hebben, is juist die ingewikkelde situatie a priori het waarschijnlijkst. Zij wordt ook bevestigd door een analyse van Victoria Megan Arbour uit 2014 en biedt een goede verklaring van het feitelijk aangetroffen patroon van vondsten.
Dat er tot nu toe geen overeenstemming over dit vraagstuk is bereikt, komt voornamelijk door slechte gegevens. Er zijn niet heel veel soorten ontdekt en veel beschreven taxa zijn gebaseerd op nogal beperkt fossiel materiaal. Over de toewijzing van dat materiaal aan te onderscheiden soorten is daarbij in het verleden zeer veel twist en verwarring geweest. Evolutionair gezien is de schedel het meest informatief maar juist van dat onderdeel is de structuur door de vele eraan vastgegroeide pantserschubben vaak niet goed meer waarneembaar. Het skelet achter de schedel, de postcrania, is bij ankylosauriërs, zoals bij veel Ornithischia, "conservatief" en toont dus weinig variatie tussen de soorten. De pantsering op zich is vaak wel kenmerkend maar ligt bij veel fossielen grotendeels uit elkaar zodat men maar moest gissen hoe het oorspronkelijk in elkaar stak.
Lastig te bepalen is waar de oorsprong van de ankylosauriërs lag. Er is wel gesuggereerd dat dit Europa moet zijn geweest, gezien de oude Engelse vondsten. Dat juist uit dat land wat vroege botfragmenten bekend zijn, kan echter eenvoudiger worden verklaard door de lange duur van het paleontologisch onderzoek daar, gekoppeld aan een grote concentratie in de negentiende eeuw van handmatig ontgonnen steengroeven. In het vroege Jura lagen alle continenten nog min of meer bijeen in het supercontinent Pangea. De ankylosauriërs kunnen zich dus eenvoudig over de hele wereld verspreid hebben. Dat dit ook lukte, blijkt uit het voorkomen van Minmi in Australië. Volgens de analyse van Arbour is dit ook nog eens de meest basale bekende ankylosauriër, dus de oudste bekende aftakking. Minmi op zich is echter niet zo oud, uit het Krijt stammend, wat heeft geleid tot de suggestie dat er een vroege uitgebreidere tak van Minmidae geweest moest zijn die een eigen evolutieproces doormaakte op Gondwana. De huidige gegevens zijn echter onvoldoende om deze hypothese goed te toetsen.
Bloei tijdens het Krijt thumb|Edmontonia, een late nodosauride Tijdens het Jura maakten ankylosauriërs kennelijk maar een klein deel van de fauna uit. De bekende toenmalige soorten hadden ook een beperkte lichaamsomvang en waren tussen de drie en vijf meter lang, bij een gewicht tussen de driehonderd kilogram en de twee ton. De stegosauriërs die vermoedelijk energierijke Cycadeoidales aten, waren belangrijker eters van lagere planten. Rond de overgang tussen het Jura en het Krijt echter, veranderde de flora. De stegosauriërs stierven geleidelijk uit, samen met hun voedselplanten. De ankylosauriërs die zich met hun brede bek en enorme buikholte in leven konden houden met grote hoeveelheden laagwaardig voedsel, werden talrijker. left|thumb|Euoplocephalus, een late ankylosauride