thumb|Politieke poster waarin de Liberale Partij (UK) van het Verenigd Koninkrijk protectionisme afzet tegen vrijhandel; de vrijhandelswinkel zit tot de nok toe vol met klanten vanwege de lage prijzen, terwijl de op protectionisme gebaseerde winkel te kampen heeft met hoge prijzen en gebrek aan klanten. thumb|Poster tegen vrije handel. Dit beeld uit 1910 laat zien dat protectionisme leidt tot welvaart en goede lonen, terwijl vrijhandel leidt tot werkloosheid en ellende. (Foto door Michael Nicholson/Corbis via Getty Images) Protectionisme is een interventionistisch economisch beleid dat door een staat of een groep staten wordt gevoerd om binnenlandse producenten te beschermen tegen en te bevoordelen ten opzichte van de concurrentie van buitenlandse producenten. Het is een vorm van regulering van de buitenlandse handel van een land. Protectionisme is gekant tegen vrijhandel (waarvan het belangrijkste resultaat momenteel de globalisering van de handel is) en tegen de theorie van het comparatief voordeel.

Protectionistische maatregelen bestaan in wezen uit het beperken van de buitenlandse invoer (douanebarrières, invoerquota, overheidsvoorschriften, technische of gezondheidsnormen), het aanmoedigen van uitvoer (diverse subsidies, belastingvoordelen, devaluatie van de munteenheid), het bevoordelen van binnenlandse bedrijven bij overheidsopdrachten, of het verhinderen dat buitenlandse investeerders binnenlandse bedrijven overnemen.

Door de invoer te ontmoedigen, zijn consumenten minder geneigd zijn de ingevoerde producten te kopen omdat ze duurder worden. Het is de bedoeling dat men in plaats daarvan lokale producten koopt en zo zou, volgens voorstanders van protectionisme, de economie van het land gestimuleerd worden. Protectionistische beleidsmaatregelen zouden dus een stimulans zijn om de productie uit te breiden en de invoer te vervangen door binnenlandse producten (importsubstitutie). Ze zijn bedoeld om de druk van de buitenlandse concurrentie te verminderen en volgens voorstanders zou het de handelstekort terugdringen. Zij kunnen ook worden gebruikt om kunstmatig lage prijzen van bepaalde ingevoerde producten als gevolg van dumping, uitvoersubsidies of valutamanipulatie te corrigeren.

Er is een consensus onder economen dat protectionisme een negatief effect heeft op economische groei en welvaart, terwijl vrijhandel en het verminderen van handelsbelemmeringen een significant positief effect hebben op de economische groei.See P. Krugman, "The Narrow and Broad Arguments for Free Trade", American Economic Review, Papers and Proceedings, 83(3), 1993 ; and P. Krugman, Peddling Prosperity: Economic Sense and Nonsense in the Age of Diminished Expectations, New York, W.W. Norton & Company, 1994. Volgens de meeste economen, zoals Douglas Irwin, is protectionisme een belangrijke medeveroorzaker van bepaalde economische crisissen, met name de Grote Depressie. Hoewel handelsliberalisering soms kan leiden tot ongelijk verdeelde winsten en verliezen, en op de korte termijn economische ontwrichting kan veroorzaken voor werknemers in sectoren die concurreren met import, verlaagt vrijhandel de kosten van goederen en diensten voor zowel producenten als consumenten.

Een extreme vorm van protectionisme is isolationisme. Of een land kan wegkomen met deze maatregelen hangt vaak af van de Wereldhandelsorganisatie. Hiervan zijn zo'n 150 landen lid, en zij legt de regels van handel tussen landen in verdragen en gerechtelijke uitspraken vast.

Geschiedenis Verenigd Koninkrijk thumb|Gemiddelde tarieven voor industrieproducten In de 14e eeuw had Edward III (1312-1377) interventionistische maatregelen genomen, zoals het verbieden van de invoer van wollen stoffen, om de plaatselijke wolproductie te ontwikkelen. Vanaf 1489 voerde Hendrik VII voorschriften in zoals de verhoging van de uitvoerrechten op ruwe wol. De Tudor-monarchen, met name Hendrik VIII en Elizabeth I, hadden protectionisme, subsidies, de verdeling van monopolierechten, door de overheid gesponsorde industriële spionage en andere middelen van overheidsinterventie gebruikt om de wolindustrie in Engeland te ontwikkelen. Het Verenigd Koninkrijk groeide uit tot het belangrijkste wolproducerende land ter wereld.

Maar het echte keerpunt in het Britse economische beleid kwam in 1721. Vanaf deze datum werden door Robert Walpole beleidsmaatregelen ingevoerd om de verwerkende industrie te bevorderen. Deze omvatten verhoging van de tarieven op ingevoerde buitenlandse industrieproducten, subsidiëring van de export, verlaging van de tarieven op ingevoerde grondstoffen die voor industrieproducten worden gebruikt, en afschaffing van de uitvoerrechten op de meeste industrieproducten. Dit beleid was vergelijkbaar met dat van landen als Japan, Korea en Taiwan na de Tweede Wereldoorlog. Het VK was dus het eerste land dat een grootschalige ontwikkelingsstrategie voor deze opkomende industrie ten uitvoer legde. In de uiteenzetting van zijn beleid zei Walpole: Walpoles protectionistische beleid werd voortgezet in de volgende eeuw en stelde de Britse industrie in staat die van het continent in te halen en vervolgens haar voorsprong te behouden. Het Verenigd Koninkrijk bleef tot het midden van de 19e eeuw een sterk protectionistisch land. Tegen 1820 bedroeg het gemiddelde Britse invoertarief voor industrieproducten 45-55%. Bovendien stelde het Verenigd Koninkrijk een totaalverbod in op geavanceerde industrie in zijn koloniën die het niet tot ontwikkeling wilde zien komen. Walpole dwong de Amerikanen zich te specialiseren in producten met een lage toegevoegde waarde in plaats van producten met een hoge toegevoegde waarde. Het Verenigd Koninkrijk verbood ook uitvoer uit zijn koloniën die concurreerden met zijn eigen producten in binnen- en buitenland. Het verbood de invoer van katoenen textiel uit India, dat in die tijd superieur was aan de Britse producten. Het had de uitvoer van wollen stoffen uit zijn koloniën naar andere landen verboden (Wool Act). Ten slotte wilde het VK ervoor zorgen dat de kolonisten zich beperkten tot de productie van grondstoffen en nooit concurrenten werden voor de Britse fabrikanten. Er werden beleidsmaatregelen genomen om de productie van grondstoffen in de koloniën aan te moedigen. Walpole had exportsubsidies verleend (aan Amerikaanse zijde) en invoerrechten afgeschaft (aan Britse zijde) op in de Amerikaanse koloniën geproduceerde grondstoffen. De koloniën waren dus gedwongen de meest winstgevende industrieën in handen van het Verenigd Koninkrijk te laten.

In 1815 werden de Graanwetten (Corn Laws) ingevoerd: tarieven en andere handelsbeperkingen op ingevoerd voedsel en graan. De wetten waren bedoeld om de graanprijzen hoog te houden ten gunste van binnenlandse boeren en vertegenwoordigden het Britse mercantilisme. De Corn Laws vergrootten de winsten en de politieke macht die verbonden waren aan grondbezit. De wetten verhoogden de voedselprijzen en de kosten van levensonderhoud voor het Britse publiek, en belemmerden de groei van andere Britse economische sectoren, zoals de industrie, door het beschikbare inkomen van Britse burgers te verlagen.

In 1846 werden de Corn Laws afgeschaft, waardoor de tarieven aanzienlijk werden verlaagd. Economisch historici zien de afschaffing van de Corn Laws als een beslissende verschuiving richting vrijhandel in Groot-Brittannië. Volgens een studie uit 2021 kwam de afschaffing van de Corn Laws economisch ten goede aan de onderste 90% van de inkomensontvangers in het Verenigd Koninkrijk, terwijl ze inkomensverliezen veroorzaakte voor de hoogste 10% van de inkomensontvangers.

Verenigde Staten thumb|Tarieven (Frankrijk, VK, VS) thumb|Gemiddelde tarieven in de Verenigde Staten (1821-2016) Volgens econoom Douglas Irwin hebben tarieven historisch gezien drie hoofddoelen gediend: het genereren van inkomsten voor de federale overheid, het beperken van invoer ter bescherming van binnenlandse producenten, en het bewerkstelligen van wederkerigheid via handelsakkoorden die handelsbelemmeringen verminderen. De geschiedenis van de handelspolitiek van de Verenigde Staten kan worden onderverdeeld in drie afzonderlijke tijdperken, elk gekenmerkt door de dominantie van één doel. Van 1790 tot 1860 lag de nadruk op inkomsten, aangezien invoerrechten ongeveer 90% van de overheidsinkomsten uitmaakten. Van 1861 tot 1933 verschoof de focus, door de toenemende afhankelijkheid van binnenlandse belastingen, naar de bescherming van binnenlandse industrieën. Van 1934 tot 2016 werd het primaire doel van het handelsbeleid het onderhandelen van handelsakkoorden met andere landen. Deze drie periodes in de Amerikaanse tariefgeschiedenis werden onderbroken door twee grote schokken — de Amerikaanse Burgeroorlog en de Grote Depressie — die het politieke machtsevenwicht veranderden en de doelstellingen van het handelsbeleid heroriënteerden.

De politieke steun van leden van het Amerikaans Congres weerspiegelt vaak de economische belangen van producenten in plaats van van consumenten, aangezien producenten politiek beter georganiseerd zijn en veel stemgerechtigde werknemers in dienst hebben. Handelsgerelateerde belangen verschillen per sector, afhankelijk van de mate waarin zij zich richten op export of worden blootgesteld aan importconcurrentie. In het algemeen zijn werknemers in exportgerichte sectoren voorstander van lagere tarieven, terwijl die in sectoren die te maken hebben met importconcurrentie hogere tarieven steunen.

Aangezien de vertegenwoordiging in het Congres geografisch is georganiseerd, bepalen regionale economische belangen vaak langdurige stempatronen. Gedurende een groot deel van de Amerikaanse geschiedenis liep de belangrijkste breuklijn in het handelsbeleid langs de noord-zuid-as. In het begin van de 19e eeuw ontstond er een industriële corridor in het noordoosten, met onder meer textielproductie in New England en ijzerindustrieën in Pennsylvania en Ohio, die vaak geconfronteerd werden met importconcurrentie. De Zuidelijke staten daarentegen specialiseerden zich in landbouwexport, zoals katoen en tabak.

In recentere tijden hebben vertegenwoordigers uit de Rust Belt — van Upstate New York tot het industriële Middenwesten van de Verenigde Staten — zich vaak verzet tegen handelsakkoorden, terwijl vertegenwoordigers uit het zuiden en het westen van de Verenigde Staten die doorgaans steunen. Door deze regionale verschillen in handelsbelangen kunnen politieke partijen tegenovergestelde standpunten innemen over handelsbeleid, afhankelijk van de geografische spreiding van hun electorale basis. Elk van de drie handelsperiodes — gericht op respectievelijk inkomsten, bescherming en wederkerigheid — vond plaats tijdens een periode van politieke dominantie van één partij, die haar voorkeursbeleid kon implementeren.

Koloniale periode Handelsbeleid was al vóór de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten onderwerp van controverse. De Dertien koloniën in Noord-Amerika vielen onder het restrictieve kader van de Navigatiewetten, die het meeste koloniale handelsverkeer via Groot-Brittannië leidden. Ongeveer driekwart van de koloniale export bestond uit “genummerde goederen” die via een Britse haven moesten passeren alvorens elders te worden doorgevoerd — een beleid dat de opbrengsten voor Amerikaanse plantagehouders verlaagde.