thumb|Siegfried van Westerburg, illustratie in Brabantsche Yeesten Jan van Boendale (Tervuren ca. 1280 – Antwerpen, ca. 1351), voordien ook wel bekend als Jan de Klerk, was een belangrijke schepenklerk in het Hertogdom Brabant en schrijver.
Levensloop en werken Over zijn leven is niet veel met zekerheid bekend. Over het algemeen is men het erover eens dat hij geboren werd in Tervuren en meer bepaald in het gehucht Boondaal (tegenwoordig behorend tot Elsene). In een handschrift van de Bodleian Library met de werken Melibeus, Jan Testeeye en Het boec vander Wraken schreef hij dit zelf in de proloog van Jan Testeeye. Zijn bijnaam 'Jan de Clerc' kreeg hij vanwege de functie die hij voor het grootste gedeelte van zijn leven uitoefende, namelijk schepenklerk in Antwerpen. In verschillende oorkonden in de stedelijke archieven van Antwerpen uit die periode vond men de tekst "Johannes dictus de Boendale Clericus Oppidi (Jan genoemd van Boendale klerk van de stad)". Over de geboortedatum zijn de historici het niet eens, maar over het algemeen wordt 1280 als een goede schatting aangenomen. Ook over zijn sterfjaar bestaat er geen eensgezindheid, maar 1351 wordt aangenomen als een plausibele datum. Boendale kende Latijn en genoot dus waarschijnlijk een formele opleiding tot geestelijke. Het is echter niet zeker of hij de functie als dusdanig heeft uitgeoefend. In die tijd waren de meeste schepenklerken geestelijken. Ook de periode waarin hij naar Antwerpen trok ligt niet eenduidig vast, maar het is wel zeker dat hij in 1312 schepenklerk was, want dan werd hij als dusdanig vermeld in een Statenvergadering in Tervuren.
Hij stond aan het hoofd van de klerken, van wie het de taak was om de schepenen van Antwerpen met raad en daad bij te staan. Een van hun belangrijkste opdrachten bestond uit de redactie van schepenbrieven. Uit rekeningen van de stad blijkt dat hij regelmatig werd uitgestuurd om de belangen van Antwerpen elders te behartigen en de stad te vertegenwoordigen bij politiek overleg en tijdens juridische procedures. Verder werd hij belast met het innen van het marktgeld van de lakenverkopers.
Behalve schepenklerk was Boendale ook een zeer productieve dichter, historiograaf en moralist, al weet men nog altijd niet zeker welke werken van zijn hand zijn. Ze zouden als volgt kunnen worden ingedeeld:
ZEKER WAARSCHIJNLIJK MISSCHIEN Brabantsche Yeesten (ca. 1316-1350)Brabantsche yeesten. Les gestes des ducs-de-Brabant par Jean de Klerk d'Anvers, 1839-1869 bij DBNL. Gearchiveerd op 1 juli 2023. Korte kroniek van Brabant (1322) Sidrac (1318 of 1329) Der leken spiegel (ca. 1325-1330)Der leken spieghel, leerdicht van den jare 1330. Eerste deel, 1844 op Google Books. Gearchiveerd op 14 augustus 2023.Der leken spieghel, leerdicht van den jare 1330. Tweede deel, 1845 op Google Books. Gearchiveerd op 14 augustus 2023.Der leken spieghel, leerdicht van den jare 1330. Derde deel, 1848 op Google Books Van den derden Eduwaert (kort na 1340)Van den derden Eduwaert, 1983 bij DBNL. Gearchiveerd op 13 mei 2023. Melibeus (1342) Jans Teesteye (tussen 1330 en 1334) Hoemen ene stat regeren sal (voor ca. 1350) Dietsche doctrinale (1345)Dietsche doctrinale, leerdicht van den jare 1345. 1842 op Google Books Boec vander wraken (1346-1351)Boek van de wraak Gods. 1994 bij DBNL. Gearchiveerd op 13 mei 2023.
Brabantsche Yeesten (ca. 1316-1350)
thumb|Miniatuur uit een handschrift van Boendaeles kroniek Brabantse Yeesten
De Brabantsche Yeesten werden geschreven tussen 1316 en 1350 en omvatten zeven boeken, waarvan de eerste vijf van Jan van Boendale zijn en samen 16.318 verzen tellen. Wie omstreeks 1470 de laatste twee boeken schreef, is onbekend. De Brabantsche Yeesten werden in zeven handschriften overgeleverd. In 1839 gaf Jan Frans Willems het imposante werk uit en voorzag het van een Franstalige inleiding.
Boendale baseerde zich op verschillende bronnen, waaronder de Chronica de origine ducum Brabantiae (1294) en enkele andere genealogieën van de Brabantse hertogelijke dynastie. Zijn hoofdbron was de Spieghel Historiael van Jacob van Maerlant, waaruit hij zijn eerste drie boeken bijna letterlijk overgenomen heeft.
Boendale schreef zelf in zijn inleiding dat hij de Brabantse geschiedenis zo waarheidsgetrouw mogelijk probeert te verhalen: Daer bi hebbic mi ghenome ane / Dat ic die waerheit wille ontdecken. Hij maakte het werk in opdracht van Willem Bornecolve, toenmalig schepen en schout in Antwerpen. Omdat schouten door de hertog werden aangesteld, stond Bornecolve onder het gezag van Jan III. Wellicht is dat de reden waarom Boendale in dit werk de positie van de jonge Jan III met een genealogische argumentatie wilde legitimeren. Door roemruchte leiders en vorsten zoals Hector van Troje en Karel de Grote als voorvaderen van de Brabantse hertogen te bestempelen, 'erfde' Jan III hun macht en prestige. Zo probeerde Boendale ook het aanzien van Brabant te verhogen tegenover nabijgelegen gebieden, zoals de graafschappen Holland en Vlaanderen. Door de helden uit het verleden op te hemelen prees Boendale dus zijn eigen volk en hertog. Daarom werden feiten weleens verdraaid en kunnen we er niet van uitgaan dat de Brabantsche Yeesten volledig objectief zijn.
In zijn eerste boek vertelt Boendale dat de Brabantse hertogen van de Trojanen afstammen. Vervolgens maakt hij een tijdssprong naar ca. 580 en trekt de stamboom door naar de Pepiniden. Het eerste boek eindigt met de dood van Pepijn de Korte in 768. Het tweede boek is volledig gewijd aan diens zoon Karel de Grote, koning en keizer van het Karolingische rijk. In het derde boek heeft Boendale het over de graven van het gebied rond Leuven en Brussel. De nadruk ligt hier op Godfried van Bouillon, de leider van de Eerste Kruistocht. De hertogen van Neder-Lotharingen worden in het vierde boek besproken. Deze hertogen heten opeenvolgend: Godfried I, II en III van Leuven en Hendrik I, II en III van Brabant. Via deze hertogen komt Boendale uit bij hertog Jan I, de grote overwinnaar van de Slag bij Woeringen in 1288. Het vijfde en laatste boek verhaalt over de regeerperiode van Jan I, II en III. Boendale bleef kapittels toevoegen aan de Brabantsche Yeesten tot vlak voor zijn dood.
De korte kroniek van Brabant (1322) Volgens sommigen is De korte kroniek van Brabant een samenvatting van de Brabantsche Yeesten, waarvoor ze misschien diende als reclametekst. Tussen beide werken bestaan er echter ook veel verschillen, onder andere in de persoonsnamen en in de opgenomen gebeurtenissen. Hierdoor wordt door sommigen in twijfel getrokken of De korte kroniek van Brabant door Boendale geschreven werd. Opmerkelijk is in ieder geval dat beide boeken naar elkaar verwijzen. De korte kroniek van Brabant is ontstaan tussen de tweede (ca. 1318) en derde (ca. 1324) versie van de Brabantsche Yeesten.
Van De korte kroniek van Brabant bestaan er twee versies. Hoewel in beide teksten staat dat ze geschreven werden in Antwerpen in 1322, zou de tweede versie geschreven zijn in 1332/33 door een andere, anonieme, auteur.
Net als de Brabantsche Yeesten kan ook De korte kroniek van Brabant gediend hebben om de macht van de Brabantse vorsten te legitimeren.
Der leken spiegel (ca. 1325-1330) miniatuur|322x322px|Fragment uit een manuscript van de Lekenspiegel. Vervaardigd in de Nederlanden, 1e helft 15e eeuw. Bewaard in de Universiteitsbibliotheek Gent. Omstreeks 1325 begon Jan van Boendale aan Der leken spiegel, waar hij in vier boeken alles behandelt waarvan hij meende dat het nuttig was voor de gewone bevolking om een goed leven te leiden. Hij voltooide het op 6 augustus 1330. Hij behandelt met name veel geschiedenis, maar ook ethische aangelegenheden. In het derde boek besteedt hij bijvoorbeeld aandacht aan het onderwerp "Hoe hem die mensche houden sal onder die liede, ende alrehande wijshede", waar hij onder andere een eigen versie biedt van zo'n zestig morele regels uit het oudere Romeinse Disticha Catonis (Spreuken van Cato) die een eeuw eerder werd gepubliceerd. Anders dan zijn voorganger brengt Van Boendale hier geen puntig geformuleerde versregels maar een meer genuanceerde beschrijving van hoe men zich heeft te gedragen, vaak ook met godsdienstige elementen. Boendale moet een vrij groot publiek hebben willen bereiken. Het werk is opgedragen aan het echtpaar Agnes van Kleef en Rogier van Leefdael, dat tot de zeer aanzienlijke kring behoorde. Rogier was raadsheer van Jan III van Brabant en enige tijd burggraaf van Brussel. Er is ook een handschrift van Der leken spiegel dat aan Jan III zelf is opgedragen. Uit de inhoud van het werk blijkt duidelijk dat Boendale in ieder geval mede een jeugdig publiek op het oog heeft. Verder zinspeelt hij op bevolkingsgroepen die in de stad te vinden waren. Hij zocht zijn lezers of luisteraars dus zowel aan het hof als in de stad, onder ouderen en jongeren.
Vandaag resten ons nog vier volledige handschriften en enkele fragmenten.
In het eerste boek wordt het verhaal verteld van de schepping tot en met Salomons regering, waarbij onder andere aandacht wordt besteed aan de menselijke ziel, het menselijk lichaam en een aantal morele thema's. Zo prijst Boendale naar aanleiding van het verhaal van Adam en Eva het huwelijk, dat hij zelfs boven het celibaat van de priesters stelt.
Het tweede boek handelt in hoofdzaak over het leven van Jezus. Boendale schenkt hierbij speciale aandacht aan Jezus' kindertijd, een periode die in de evangelies amper voorkomt. In dit boek schrijft hij eveneens over de liturgie en de geschiedenis van keizers en pausen.
Boek drie behandelt vooral zedenkundige en moraliserende thema's, bijvoorbeeld hoe een man zijn vrouw hoort te behandelen en zijn kinderen moet opvoeden. Het bekendste hoofdstuk in dit boek is Hoe dichters dichten sullen, de oudste poëtica van het Nederlands.
Het vierde en laatste boek gaat over de toekomst, meer bepaald over het einde der tijden. Zo zouden de christenen onder meer te maken krijgen met de antichrist en met vijftien plagen die de dag des oordeels aankondigen.
In de middeleeuwen kregen encyclopedische werken wel vaker een titel mee waarin het woord 'spiegel' (Latijnse speculum) voorkomt. De auteurs hielden de lezer een 'spiegel' voor zowel van de werkelijkheid als van het ideaal waarnaar de mens moest streven. 'Leken' waren mensen die geen kennis van het Latijn hadden en bijgevolg geen toegang tot de 'clergie' (geleerdheid) die besloten lag in Latijnse bronnen. Boendale wilde die kennis ook beschikbaar maken voor de leken.
Jans Teesteye (tussen 1330 en 1334) In Jans Teesteye probeert Boendale aan de hand van een dialoog tussen zijn alter ego Jan en zijn vriend Wouter zijn lezerspubliek ervan te overtuigen dat de tijden nu even goed als of zelfs beter zijn dan vroeger. Hiermee gaat hij radicaal in tegen het pessimisme van zijn tijd. Zijn uiteenzetting behandelt vooral religieuze, maatschappelijke en zedelijke thema's. Jan beantwoordt onder meer de vragen 'waarom gaat een vrouw vreemd?' en 'waarom verrichten de geestelijken in de veertiende eeuw geen mirakels zoals de heiligen dat vroeger deden?'. Boendale schuift ook zijn politieke visie naar voren, onder andere wanneer hij Jan laat spreken over hoe men een stad moet besturen. Om zijn standpunten te illustreren gebruikt hij voorbeelden die zowel uit de Bijbel als uit de geschiedenis komen.
Dit werk wordt met zekerheid aan Boendale toegeschreven omdat hij in de eerste verzen van de Teesteye zijn naam en afkomst vermeldt. Over de exacte ontstaansdatum bestaat er heel wat twijfel, maar het staat vast dat het werk na Der leken spiegel geschreven moet zijn omdat Boendale eraan refereert, en voor 1334 omdat in dat jaar de Brusselse edelman Rogier van Leefdael aan wie het werk was opgedragen, overleed.