Bond Minicar is een serie dwergauto's die van 1949 tot 1966 werden geproduceerd door Sharp's Commercials Ltd. (vanaf 1964 Bond Cars Ltd.) in Preston, Lancashire.
Voorgeschiedenis Lawrence "Lawrie" Bond (1907-1974) was een technisch ontwerper die tijdens de Tweede Wereldoorlog bij Blackburn Aircraft Ltd. had gewerkt. Na de oorlog bouwde hij een racewagen die werd aangedreven door een 500cc-Rudge-Whitworth motorfietsmotor. Voor zijn vrouw Pauline bouwde hij een driewielige auto om boodschappen te doen. Hij wilde van die auto een serieproductie opzetten, waarvoor hij ruimte vond bij luitenant-kolonel C.R. Gray, die bedrijfsleider was van Sharp's Commercials aan Ribbleton Lane in Preston, een onderdeel van de Loxhams and Bradshaw Group,De Loxhams and Bradshaw Group was deels eigendom van Ewart Bradshaw, een broer van de constructeur Granville Bradshaw. dat voor het Ministry of Supply beschadigde militaire voertuigen opknapte. Bond wist dat dit overheidscontract in 1948 ging aflopen en daarom dacht hij dat Gray zijn bedrijfsruimte wel zou willen verhuren. Dat weigerde Gray, maar hij kocht het ontwerp van Bond, onder de voorwaarde dat de merknaam Bond gebruikt zou worden. Lawrie Bond gebruikte het geld van de verkoop voor de ontwikkeling van de BAC scooters, maar hij bleef als adviseur en ontwerper verbonden aan Sharp's Commercials.
Bond Minicars Algemeen Hoewel aan het basisidee van Lawrie Bond werd vastgehouden, werden er in de loop van de jaren toch veel ontwikkelingen aan de auto uitgevoerd. De meerderheid van de voertuigen was als cabriolet uitgevoerd, zeker de eerste modellen t/m de Mark D. Later kwamen er meer sedans, bestelvoertuigen en stationcars. De meeste modellen werden in twee versies geleverd: "Standard" of "De Luxe". Echte luxe was er echter niet, de naam sloeg meestal op een wat groter bedieningsgemak, zoals een startmotor. Aandrijving, wielophanging, besturing en remmen miniatuur|links|De motorruimte van een Minicar, in dit geval een Mark F uit 1959. De motor zat voor het voorwieltje, maar draaide mee. Daardoor kon het voorwiel een zeer grote stuuruitslag krijgen. Omdat het eigenlijk een motorfietsmotor was, was er nog steeds een kickstarter aanwezig. miniatuur|Het interieur van de Mark C. De "De Luxe"-versie had een open handschoenenvakje, maar de handgreep voor de passagier bleef behouden. Die was nodig om het instappen door het kleine portier te vergemakkelijken De achterwielen waren aanvankelijk niet geveerd, maar de 8 inch lagedruk-ballonbanden zorgden voor enige vering. Alleen het voorwiel was aangedreven. Aan het stuurhuis zat een aluminium draagstuk en een dikke, bijna verticale buis waaraan de Villiers-unit construction-tweetaktmotor was bevestigd. De secundaire ketting dreef het voorwiel aan, dat aan de versnellingsbak vast zat. Daarmee ontstond een trailing link-constructie (vergelijkbaar met de ophanging van het neuswiel van een vliegtuig) die was afgeveerd met een schroefveer en een frictiedemper van het André-Hartford-principe. De basismodellen werden gestart met een starthendel onder het dashboard via een kabel aan de gemodificeerde kickstarter. De besturing geschiedde aanvankelijk met poelies en kabels, maar vanaf 1950 door een meer conventioneel tandheugelsysteem en later door een worm en wormwielstuurhuis. Zo stuurde dus niet alleen het voorwiel, maar de hele aandrijfeenheid. De Villiers-tweetaktmotoren waren ontwikkeld voor motorfietsen en hadden geen inrichting om achteruit te rijden. Dat probleem werd vanaf de Minicar Mark C opgelost door de grote stuuruitslag van bijna 180°, waardoor de draaicirkel gelijk was aan de wielbasis (iets meer dan 1½ meter). Bij latere versies kon men ook achteruit rijden door de omkeerbare dynastart, een gecombineerde startmotor/dynamo die de motor andersom kon starten, waardoor de auto achteruit reed en de allerlaatste series hadden een achteruitversnelling. Alleen de achterwielen hadden in het begin kabelbediende trommelremmen.
De verbeteringen die Sharp's in de loop van de jaren doorvoerde werden vaak aan bestaande klanten in de vorm van kits aangeboden zodat ook zij hun Minicars konden upgraden.
Carrosserie De carrosserie van de eerste series was opgebouwd uit vrijwel vlakke panelen met enkele verstevigingsbalken. Door het ontbreken van deuren was ze sterk genoeg, terwijl de "instap" niet al te hoog was. Met geplaatste cabriokap was het instappen echter wel een probleem. De voorruit was van perspex. De latere series met deuren kregen meer chassisdelen. Er was een vaste zitbank met een zeer kleine ruimte erachter voor wat bagage. De koplampen zaten naast de carrosserie maar gaven erg weinig licht. Er was slechts één klein achterlichtje.
+ Tijdlijn Bond Minicar Mark A jan 1949introductie Bond Minicar dec 1949Introductie De Luxe Tourer met 197cc-Villiers 6E-motor, elektrische ruitenwisser, buitenspiegel en reservewiel jan 1950Motor in rubber opgehangenokt 1950verbeterde De Luxe Tourer met tandheugelbesturingjan 19516 exemplaren met linkse besturing gebouwdfeb 1951enkele schroefveer op voorwiel vervangen door dubbele veerapr 1951introductie Woodhead-Munroe hydraulische schokdemper, einde productie Mark A
Bond Minicar (Mark A)De toevoeging "Mark A" werd in eerste instantie helemaal niet gebruikt. Pas toen er in 1951 een nieuwe versie kwam de "Mark B", werd de eerste serie Mark A genoemd. Het eerste model, de Bond Minicar, verscheen in 1949. Er was veel gebruikgemaakt van Bond's kennis van vliegtuigmaterialen en de auto was voor een groot deel van verschillende aluminium-legeringen gemaakt. Hij had een 122cc-Villiers 10D-luchtgekoelde tweetaktmotor die 5 pk leverde. Bij een demonstratie van het door Bond zelf gebouwde prototype werd met twee personen aan boord een helling van 25% genomen. De auto had een drieversnellingsbak en woog slechts 140 kg. De kruissnelheid was ongeveer 50 km/uur. Gray wilde zich met de Minicar vooral op motorrijders richten. Uit onderzoek halverwege de jaren vijftig bleek inderdaad dat veel klanten motorrijders waren die een gezin hadden gesticht. De auto mocht met een motorrijbewijs bestuurd worden, maar dat betekende wel dat er geen achteruitrijinrichting aanwezig mocht zijn. Daardoor werd auto echter alleen maar goedkoper. Gray prestenteerde de auto op de Motorcycle Show van 1949 en was verrast door het grote aantal reacties. Hij moest zelfs extra personeel laten komen om de vragen van aspirant-kopers te beantwoorden. De productie ging van start met ongeveer 15 auto's per week. In juni 1950 vierde men de productie van de 1.000e auto. De Minicar was een cabriolet. Er werden ongeveer 2.000 exemplaren gebouwd. Een deel van de populariteit was te danken aan de lage aankoopbelasting en de lage (motorfiets)-motorrijtuigenbelasting. In december 1949 kwam er een De Luxe-versie met een 197cc-8pk-Villiers 6E motor, een reservewiel en een enkele spatbordspiegel. De handbediende ruitenwisser werd vervangen door een elektrisch exemplaar, maar dat beschadigde de perspex voorruit. Eind 1949 kwam er een primitieve achteruitrijinrichting. Het betrof een soort aanzetslinger die op een van de achterwielen werkte en waarmee de bestuurder vanaf zijn zitplaats het voertuig met de hand achteruit kon draaien.
Het autoblad "The Motor" testte in 1949 een Bond Minicar, die met één persoon aan boord een topsnelheid van 70 km/uur had. Het brandstofverbruik was 3,9 liter per 100 km en de auto accelereerde van 0 naar 50 km/uur in 13,6 seconden. Het geteste model kostte 262 pond inclusief aankoopbelasting.
+ Tijdlijn Bond Minicar Mark B en Sharp's Commercials apr. 1951introductie Minicar Mark B, eerste model krijgt achteraf de toevoeging "Mark A". Eerste versie 2/3-zits Tourer met drie versnellingen, 6 6 volt elektrische installatie, gebogen, glazen voorruit, sliding pillar-achtervering, hydraulische schokdemper voor, grotere bagageruimte 1951introductie Sharp's Commercial 3cwt en Unicycle mei 1951prototype met valse "voorspatborden" en koplampen aan de voorkant, eerste kenmerken van de latere Mark C juni 1951prototype met linkse besturing nov. 1951eerste versie met een deur aan de passagierskant. Tot oktober 1952 werden hier 93 Mark B's mee uitgerust. okt. 1952eerste drie Mark B's met een 197cc-Villiers 8E motor. Tevens einde productie Mark B. mei 1952introductie Sharp's Minitruck en Minivan sept. 1952experimenteel model Minitruck met Flexitor-rubbervering mrt. 1956einde productie Minitruck en Minivan
Bond Minicar Mark B miniatuur|links|Bond Minicar Mark B uit 1951, het uiterlijk is gelijk aan dat van de Mark A Terwijl de Minicar bedoel was als boodschappenauto voor korte afstanden, werden ter promotie juist grote afstanden door de fabriek afgelegd. De klanten kregen ook plezier in het afleggen van grotere afstanden, maar daarvoor was een wat zwaardere motor nodig. In april 1951 verscheen een verbeterde versie van de Bond Minicar, die uiterlijk vrijwel gelijk was, maar achtervering had. De sliding pillar achtervering (vergelijkbaar met plunjervering) met onafhankelijke wielophanging was ontwikkeld door Granville Bradshaw, die door zijn broer Ewart was uitgenodigd om aan het Minicar-project te werken. De wrijvingsdemper op het voorwiel werd vervangen door een hydraulische schokdemper. Bovendien was de achterkant veranderd, waardoor er ruimte kwam voor wat bagage of twee kinderen. De achterspatborden waren ook wat ruimer om plaats te bieden aan de verende wielen. De carrosserie was nog steeds van aluminium en de perspex voorruit was vervangen door een triplexglazen veiligheidsruit, die ook los verkrijgbaar was voor de bezitters van een Mark A Minicar. De cabrio-kap was iets hoger om meer hoofdruimte te bieden. Het remsysteem en het elektrische systeem waren verbeterd. De Mark B had ook splitsbare velgen, waardoor het monteren van banden eenvoudiger was. De Minicar Mark B stond aan de basis voor de Commercial Vehicles, aanvankelijk de Sharp's 3cwt en later de Minitruck en Minivan.
Sharp's Commercial 3cwt In 1951 bouwde Sharp's onder de eigen merknaam een prototype van een kleine Pick-up uit, de 3cwt.cwt stond voor: centumweight, ook wel quintal of hundredweight. Het was een gewichtsmaat uit het Imperiale systeem. Een long hundredweight kwam overeen met ongeveer 50 kg. Het laadvermogen van de 3cwt was dus ongeveer 150 kg. De bedoeling was dat het voertuigje gebruikt ging worden in havens en bij bouwprojecten of op stations en luchthavens om goederenwagentjes te trekken. Ook zou het als invalidenvoertuig kunnen worden gebruikt, waarbij de laadruimte gebruikt kon worden om een rolstoel mee te nemen.
Als basis diende de Bond Minicar Mark B, maar de motorkap was boller en de voorkant met grille veel rechter. De koplampen zaten niet aan de zijkant, maar stonden op pootjes op de voorbumper. De zijkanten van de motorruimte waren iets uitgebouwd, om ruimte te maken voor de 180° draaibare motor/voorwielconstructie, die vanaf de Minicar Mark C gebruikt werd, maar waarvoor de originele Mark B-ruimte te klein was. In plaats van portieren had de 3cwt aan weerszijden twee vierkante uitsparingen om in- en uit te stappen. De zeer kleine, enkeleDe enkele zitplaats van de Commercial 3cwt had twee redenen: Doordat er maar één persoon in paste bleef het beperkte laadvermogen beschikbaar voor lading en men kon makkelijker goedkeuring krijgen van het Ministry of Pensions om het als invalidenvoertuig in de markt te zetten. Dat was met de Minicars Mark A en B niet gelukt. bestuurderszitplaats zonder rugleuning zat in het midden en daarachter was een planken platform gemaakt, dat met de opstaande achterkant een laadruimte van ongeveer 710 liter opleverde.
Door de uitsparingen aan de zijkant was de carrosserie minder stevig en daarom was de onderkant verstevigd met een ruggengraatchassis. Ook de vloer was zowel aan de voor- als de achterkant verstevigd om het torderen van de carrosserie tegen te gaan.