De zending in China maakt deel uit van de geschiedenis van de betrekkingen tussen China en Europa en Noord-Amerika. Zending op het vasteland van China begon in het begin van de negentiende eeuw. Het beeld van de zending in die eeuw is voor een deel bepaald door het feit, dat die plaatsvond in het kielzog van een aantal politieke en ook militaire ontwikkelingen. Zending in geheel China werd mogelijk door een aantal overeenkomsten die in China als ongelijke verdragen werden beschouwd.
Het doel van de zending was het bekeren van Chinezen tot het protestantisme. Zendelingen creëerden als onderdeel van de zendingsstrategie onderwijsinstituten, brachten voor die periode moderne medische kennis naar China en stichtten de eerste op westerse wijze georganiseerde ziekenhuizen. Kennis over China was tot diep in de achttiende eeuw in Europa vooral verspreid door publicaties van de jezuïeten. Nu begonnen ook zendelingen te publiceren. Vanaf 1832 verscheen The Chinese Repository, een periodiek verschijnend tijdschrift om de zendelingen en het publiek in met name de Angelsaksische wereld te informeren over de geschiedenis en cultuur van China. Het was het eerste sinologische vakblad in de wereld.
Er zijn in de periode een aantal zendelingen geweest, die onafhankelijk van een organisatie werkten. Het grootste deel van de zendelingen was echter in dienst van een zendingsgenootschap. De eerste zendelingen waren Britten, vanaf 1830 gevolgd door eerst Amerikanen en daarna vooral Duitsers en Scandinaviërs.
Nederlandse zending in de zeventiende eeuw
thumb|300px|Schilderij van Jan Willem Pieneman. De zelfopoffering van predikant Hambroeck op Formosa tijdens het beleg van Fort Zeelandia De eerste poging tot zending onder Han-Chinezen en andere etnische groepen vond plaats in de periode 1624 – 1662 toen het eiland Formosa bezit was van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Nederlandse predikanten die werkzaam waren in door de VOC beheerste gebieden waren ook in dienst van de compagnie. Hun activiteiten richtten zich over het algemeen op het personeel van de compagnie en mensen die reeds christen waren en nauwelijks op zendingsactiviteiten. De zending op Nederlands Formosa was, naast die op Ambon en ten behoeve van de Tamils op Ceylon, in het tweehonderd jaar durende bestaan van de compagnie een grote uitzondering. Voor de zeventiende eeuw was de zending op Formosa in de geschiedenis van de VOC uniek, aangezien dit het enige gebied was waar een kerk ontstond onder niet-christenen.
Gedurende de periode van veertig jaar van Nederlands gezag op het eiland waren ongeveer veertig Nederlandse predikanten op het eiland actief. De predikanten vestigden zich in dorpen van de plaatselijke bevolking en onttrokken zich aan het gezag van de VOC. Zij trachtten landbouwmethoden te verbeteren, gaven onderwijs en vertaalden delen van het Evangelie in het Siraya, een lokale taal. De bevolkingsgroep van de Siraya, ongeveer 15.000 in aantal, accepteerde het christelijk geloof in ruil voor bescherming tegen agressieve andere stammen. Begin achttiende eeuw waren bij een aantal lokale groeperingen nog boeken in de Nederlandse taal aanwezig en waren zij nog in staat die te lezen. Koopcontracten werden op het eiland tot in de negentiende eeuw nog geschreven in Latijns schrift volgens de zeventiende-eeuwse Nederlandse spelling. Deze zending heeft verder geen blijvende gevolgen gehad.
Periode tot 1840 thumb|300 px| Morrison met een aantal Chinese assistenten aan het werk bij vertaalwerkzaamheden De eerste zending op het vasteland van China begon met de aankomst in 1807 in Kanton van de door het Londens Zendingsgenootschap uitgezonden Britse zendeling Robert Morrison. Vanaf 1823 was hij voor enkele jaren weer in Groot-Brittannië. In 1826 keerde hij terug naar Kanton. Hij hernieuwde de contacten met een aantal daar aanwezige Amerikaanse handelaren en trachtte om samen hen ook een aanwezigheid van Amerikaanse zendelingen te realiseren. Er werd een beroep gedaan op de American Board of Commissioners for Foreign Missions om zendelingen te zenden. In het toen aanwezige culturele klimaat van de Second Great Awakening in de Verenigde Staten kreeg dat een positief onthaal. In 1830 arriveerde Elijah Coleman Bridgman als de eerste Amerikaanse zendeling. Morrison en Bridgeman schreven gezamenlijk een oproep onder de titel Adress to the Churches of Christ in Europe and America and Elsewhere. Het beschreef de situatie van de zending in Oost- en Zuidoost-Azië en riep de kerken in het westen op om de zending uit te breiden door meer zendelingen te zenden. In 1832 arriveerde Karl Gützlaff, de eerste Duitse zendeling.
In deze periode konden buitenlanders alleen verblijven in Macau en het district van de Dertien Factorijen van Kanton. Het uitoefenen van het christendom in China was verboden en het proberen te bekeren van Chinezen gold als een ernstig misdrijf. De belangrijkste strategie in die periode was het trachten te verspreiden van in het Chinees gestelde christelijke traktaten. Bridgman schreef een groot aantal daarvan in samenwerking met Liang Fa, de eerste Chinese evangelist.
De opiumconnectie thumb|300px|Opium import in China in de periode 1650–1880
In Kanton arriveerden ook de schepen van de Britse en Amerikaanse handelshuizen die de illegale opium in China binnen brachten. Er waren in deze eerste fase raakvlakken tussen de opiumhandel en de zending. De meeste zendelingen arriveerden in China met schepen die de opium brachten. Zij kregen vaak onderdak bij de handelaren. Hun financiële ondersteuning vanuit de zendingsgenootschappen uit Europa bereikte hen via de handelaren en veel van hun werk was niet mogelijk zonder donaties van die handelaren. Enkele zendelingen, zoals Karl Gützlaff maakten gebruik van de jonken die via de kreken en rivieren de opium rechtstreeks het binnenland in brachten. Gützlaff was de tolk op deze jonken. Het gebeurde dus vaak dat dezelfde jonk ladingen opium en in het Chinees gestelde christelijke traktaten loste. Er was op die handelwijze van Gützlaff vaak kritiek van andere zendelingen. De realiteit bleef echter dat alle zendelingen in die periode in zekere zin steunden op de opiumconnectie.
De opening van China thumb|250px|Voorblad van Opinions of Over 100 Physicians on the Use of Opium in China Na 1835 namen de frustraties ten aanzien van de beperkingen die buitenlanders opgelegd kregen toe. Zij het met verschillende doeleinden voor ogen, waren na 1835 zowel handelaren als de meeste zendelingen voorstander van een geforceerde, met militaire middelen afgedwongen opening van China. Een eerste gedeeltelijk opening kwam na de Eerste Opiumoorlog en het verdrag van Nanking in 1842. Het gevolg was dat Hongkong Brits bezit werd en de havensteden Kanton, Xiamen, Ningbo, Shanghai en Fuzhou opengesteld voor handel met het buitenland.
Een tweede en nu meer min of meer volledige opening vond plaats na de Tweede Opiumoorlog met het verdrag van Tianjin in 1858 en de Conventie van Peking in 1860. Het feit, dat bij deze verdragen zowel de zending nu bewegingsvrijheid kreeg in geheel China alsmede de invoer van opium werd gelegaliseerd, maakte dat veel Chinezen opium en zending in belangrijke mate met elkaar associeerden.
Later in de eeuw zouden zendelingen een belangrijke bijdrage leveren in de beïnvloeding van de publieke opinie in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië over de import van opium. Er werden een aantal boeken en artikelen gepubliceerd. In 1895 richtten zendelingen de Anti-Opium League op. De belangrijkste publicatie kwam in 1899 uit. Het was de uitkomst van een onderzoek onder ruim 100 artsen, vaak zendelingen, die in China werkten. Dit onderzoeksrapport onder de naam Opinions of Over 100 Physicians on the Use of Opium in China was het eerste wetenschappelijk aanvaarde bewijs ten aanzien van de gevolgen van verslaving aan gebruik van opium. Dit leidde begin twintigste eeuw tot de stopzetting van de import van opium.
Relatie met de Taipingopstand thumb|275px|Liang Fa De Taipingopstand was in aantallen slachtoffers de grootste menselijke catastrofe in de negentiende eeuw. Ramingen van het aantal slachtoffers variëren van minimaal 20.000.000 naar ruim 50.000.000. In het vakgebied is er consensus dat religie een beslissende rol heeft gespeeld in het ontstaan van de opstand. Er zijn verschillen in opvatting over de aard van de zogenaamde Taiping- religie. Het handelt dan in essentie over de vraag of die nu in de eerste plaats bepaald werd door gedachten ontleend aan Chinese sekten, bedekt met een laag van Bijbelse opvattingen of dat die religie zoveel heeft overgenomen uit het protestantisme dat die beschouwd kan worden als een vorm christendom.
De leider van de opstand, Hong Xiuquan was sterk beïnvloed door een boek van Liang Fa , Goede Woorden ter Aansporing van de Tijden. De basis van het werk bestaat uit tweeënzestig excerpten uit de Chinese Bijbelvertaling van 1823 van Robert Morrison. Hong Xiaquan zou later Bijbelstudie volgen bij de Amerikaanse zendeling Issachar Roberts. De doop van Hong Xiuquan door Roberts ging op het laatste moment niet door, vermoedelijk door acties van jaloerse andere Chinezen in de omgeving van Roberts. Een van de leiders in de laatste periode van de opstand, Hong Rengan, had vele jaren in Hongkong gewerkt met zendelingen van het Londens Zendingsgenootschap. In de laatste fase van de opstand functioneerde Roberts enige tijd als adviseur van Hong Rengan. Ook andere zendelingen waaronder de Nederlander Henderikadius Zwantinus Kloekers bezochten Nanking, de hoofdstad van de opstand. Roberts trachtte ook Amerikaanse en Europese diplomaten in China te bewegen tot steun aan het regime van de Taiping. In 1862 vertrok Roberts uit Nanking en ontkende daarna het christelijk karakter van de Taiping religie.
Groei na 1860 thumb|300px|The Lammermuirparty, genoemd naar het schip The Lammermuir, waarmee Hudson Taylor en deze achttien zendelingen van de China Inland Mission in 1866 naar China vertrokken Er was na de openstelling van de vijf verdragshavens in 1842 al een groei van het aantal zendelingen en zendingsgenootschappen geweest. De echte grote groei vond na 1860 plaats. In dat jaar waren er ongeveer 80 zendelingen in China; in 1864 waren er dit 190, in 1880 was dit gegroeid tot 620 en aan het begin van de twintigste eeuw waren er 3000 zendelingen. Het aantal zendingsgenootschappen steeg van 16 in 1860 tot 61 in 1900. Vooral genootschappen die verbonden waren aan diverse richtingen binnen het episcopalisme,presbyterianisme, methodisme en baptisme waren sterk vertegenwoordigd.
Een sterk bepalende factor voor de uitbreiding van het aantal zendelingen was de komst in 1865 van de China Inland Mission (CIM), opgericht door Hudson Taylor. Veel van de toen in China werkzame organisaties richtten zich voor hun zendingswerk op de relatief toegankelijke kustgebieden van China. De CIM wenste nadrukkelijk in heel China te evangeliseren en legde sterk de nadruk op aanwezigheid in het binnenland. Geselecteerde kandidaten voor de CIM dienden de uitgangspunten van een Orthodox-protestantisme te onderschrijven, de Bijbel te beschouwen als Gods onfeilbare woord maar op zich speelde de kerkelijke achtergrond geen rol in het selectieproces. In die zin was het niet verbonden aan een protestantse denominatie. Aan het eind van de negentiende eeuw waren omstreeks zevenhonderd zendelingen van het CIM aanwezig in China. Enkele andere organisaties, met name uit Scandinavië, waren inmiddels met de CIM geaffilieerd. Het CIM was de grootste zendingsorganisatie in China en met uitzondering van de kustprovincies Guangxi, Guangdong en Fujian was de organisatie in alle provincies van China aanwezig.
Bijbelvertalingen en de terminologie-kwestie thumb|300px|Drukken van een Chinese bijbel thumb|300px| Het evangelie van Marcus in romanisatie in het Hakka, omstreeks 1874