thumb|De eerste tractor, door Vladimir Gavriïlovitsj Krichatski Het socialistisch realisme (Russisch: Социалистический реализм, Sotsialisticheskiij realizm) was de officiële en ook in de praktijk toonaangevende kunst- en literatuurstroming in de Sovjet-Unie, vanaf de jaren twintig tot de opheffing van de Sovjet-Unie in 1991. De stroming kreeg na de Tweede Wereldoorlog grote invloed in de DDR en de andere staten van het Oostblok.
Context Bij het ontstaan van de Sovjet-Unie waren kunstenaars nog min of meer vrij wat het maken van kunst en literatuur betrof. Enkel werken die expliciet anti-Sovjet waren, vielen onder de censuur van Glavlit. De bekommernissen van de Partij waren in die tijd vooral politiek en economisch van aard. Echter, nadat Stalin in 1928 een eind had gemaakt aan de NEP, waarbij relatief veel ruimte was gelaten voor marktmechanismen, en het eerste vijfjarenplan afgekondigd werd, wenste hij ook het culturele leven volledig naar zijn hand te zetten. Kunstenaars werden gelijkgesteld aan arbeiders, en dat moest zich ook weerspiegelen in de kunst. Er werd een nieuwe methode afgekondigd die gold als de verplichte en enig toegestane methode voor kunst en literatuur: het "socialistisch realisme". De kunst en literatuur werden helemaal afgesteld op de arbeiders: ze moest eenvoudig zijn om te begrijpen, zonder ingewikkelde plots, en bovenal, ze moest "de werkelijkheid weerspiegelen in haar revolutionaire ontwikkeling". Binnen het domein van de literatuur zag de Bond van Sovjetschrijvers toe op de naleving van deze principes.
Binnen de architectuur en de beeldhouwkunst vierde het constructivisme hoogtij. In de muziek (Sergej Prokovjev, Aram Chatsjatoerjan) keren romantisch tendensen en folkloristische elementen terug, vanuit een conservatieve toonzetting. Films (Sergej Eisenstein) zijn vooral heroïsch, vaak met een opvoedkundige moraal.
Het Socialistisch Realisme propageerde vooral ook dat kunst voor iedereen begrijpelijk moest zijn.
In de Sovjet-Unie, maar later ook in andere Oostbloklanden kregen auteurs die van het socialistisch realisme afweken, hun werk doorgaans niet of moeilijk gepubliceerd. In de jaren zestig en zeventig werden er in een aantal landen wel enkele pogingen gedaan de literatuur 'vrijer' te laten, maar het resultaat schrikte de overheid af, dus iedere periode van relatieve liberalisering werd afgewisseld door een periode van overheidsbemoeienis en censuur. Dissidente auteurs dienden ofwel hun boodschap zodanig te verpakken dat ze enkel voor de goede verstaander begrijpelijk was, ofwel hun werk voor eigen gebruik te houden. Pas eind jaren tachtig, tijdens glasnost, kwam veel dissident werk aan de openbaarheid. Publicaties in het Westen leidden tot die tijd doorgaans tot veel spanningen en controverses in de eigen gelederen.
In het Westen zijn elementen van het Socialistisch Realisme terug te vinden in de Popartcultuur.
Kenmerken van het socialistisch realisme De realiteit moest op herkenbare wijze afgebeeld worden zoals die zich voordoet (lees: zoals die zich zou 'moeten' voordoen, en het reeds doet). Ruimte voor negatieve waarheden was er niet. Kunst moest optimistisch en positief zijn, er moest enthousiasme van uitstralen, en ze moest vervuld zijn van heldendom. In de literatuur moest er altijd een positieve held de hoofdrol krijgen; dit kon een arbeider, een boer, een partijlid of een ingenieur zijn. De kunst moest duidelijk Sovjet-Russisch zijn, volksverbonden en bovenal begrijpelijk voor het proletarische arbeidersvolk. Ze mocht niet choqueren, en experimentele kunst was uit den boze.
Socialistisch Realisme in de klassieke muziek Ontwikkelingen vanaf 1932 tot Stalins dood In 1932 werd besloten dat het Socialistisch Realisme als richtsnoer voor alle kunstvormen zou gaan gelden en daarvoor kunnen twee muziekstromingen worden onderscheiden die scherp tegenover elkaar stonden.
De ‘Russische Vereniging van proletarische Musici’ (RAPM) propageerde de proletarische koers in de muziek. Leden van de vereniging waren hoofdzakelijk amateurs die de verbinding tussen kunst en muziek als ‘bourgeois’ beoordeelden en slechts werken accepteerden die uitdrukkelijk propagandistische inhoud ten toon spreidde. Hedendaagse invloeden werden als ‘westers’ en decadent beoordeeld en afgewezen. De ideologische positie van de RAPM betekende dat eenvoudige liederen die de Revolutie ondersteunden en verheerlijkten én het proletariaat bezongen de norm werden. Werken in abstracte(re) vormen vonden geen genade.
De tegenpool van de RAPM was de in 1924 opgerichte ‘Vereniging voor Hedendaagse Muziek’ (ASM), die door de RAPM sterk werd bestreden. De ledenlijst van deze vereniging bestond bijna geheel uit de bekendste Russische componisten van die tijd, wat tot gevolg had dat de muzikale uitgangspunten uiterst uiteenlopend waren: Maximilian Steinberg was bijvoorbeeld nog diep geworteld in de romantische muziek, Nikolaj Mjaskovski moderniseerde zijn muziek in de bewuste tijd sterk en bijvoorbeeld Aleksandr Mosolov behoorde al tot de avant-garde. Als richtsnoer gold dat de leden zich zouden oriënteren op de ontwikkelingen in het westen (West-Europa) waaronder ook de twaalftoonsmuziek. Ook binnen de ASM was een stroming die de muziek wilde proletariseren. Hier betekende dat echter ‘industrialiseren’, zoals Mosolov in zijn muziek het ritme van machines meegaf. (Bekend werd het deel de IJzergieterij uit zijn ballet ‘Staal’ (Сталь).) Leden van de ASM componeerden echter ook muziek die de loftrompet op de nieuwe staat staken. Dat er een sterke scheiding met de traditionele vormen was, was evident. De ASM viel vanaf 1931 uit elkaar toen enkele prominente leden, waaronder Mjaskovski, de vereniging verlieten. De muzikale ontwikkelingen bleven aanwezig en waren onstuitbaar.
De proclamatie van het Socialistisch Realisme was feitelijk vijandig ten opzichte van de uitgangspunten van beide partijen. Tegen de idealen van de ASM omdat het Socialistisch Realisme elke vorm van avant-garde – en de gehanteerde definitie daarvan was scherper dan in het Westen zodat ook muziek van Mahler daaronder viel – afwees en als taboe ging cultiveren, anderzijds tegen de idealen van de RAPM omdat deze als amateuristisch werd weggezet wat haaks stond op de professionaliteit die bij de missie van het Socialistisch Realisme hoorde. De nieuwe richtlijnen ondersteunden in feite componisten die geheel op het tweede plan waren geraakt en in de muzikale ontwikkelingen van de 19de eeuw en de oude tradities waren blijven hangen. Deze ideologie werd ook door die conservatieve componisten het hartstochtelijkst ondersteund. Hiertoe behoorden Reinhold Glière, Michail Ippolitov-Ivanov en Sergei Vasilenko. Componisten zoals Mjaskovski en Anatoli Alexandrov veranderden hun stijl (weer) om in de pas te blijven lopen met de officiële richting.
Rond 1932 deed de vocale of liedsymfonie haar intrede en kwam tot grote bloei. Het betreft een symfonie met koorzang – soms met een of meer solisten – waarvan de thema’s bewust eenvoudig zijn gehouden. De formele indeling van de klassieke symfonie bleef behouden en herkenbaar. Het bekendste voorbeeld van deze vorm is de 4de symfonie van Lev Knipper, ‘Gedicht voor een Komsomol-strijder’, dat het lied ‘Polyushko-polye’ (‘weide, mijn weide’) bevat. Dit groeide in de Sovjet-Unie tot een van de geliefdste massaliederen uit. De nieuwe esthetiek werd echter niet door iedere componist gedragen. Dmitri Sjostakovitsj componeerde moderne werken met grillige dissonanten, zoals zijn 4de symfonie – die hij niet publiceerde – en zijn opera Lady Macbeth uit het district Mtsensk. In 1936 culmineerde deze ontwikkeling echter tot een ongekende apotheose. Nadat Stalin de bewuste opera gehoord had, verscheen op 28 januari 1936 in de (staats)courant Pravda een artikel met de naam ‘Chaos in plaats van Muziek’. Dit artikel fulmineerde sterk tegen deze opera en veroordeelde haar muzikale – trombones die een orgasme muzikaal uitbeelden – en scenische inhoud: seks op het toneel en een vrouw die drie mannen vermoordt. De opera werd weggezet als een bedreiging voor de Staat en het artikel bevatte een onverholen bedreiging aan het adres van de componist: ‘Dit spel kan alleen nog slecht aflopen’. In de tijd van de grote zuiveringen was de boodschap van dit artikel voor iedereen duidelijk: componisten die moderne muziek componeerden konden op represailles rekenen. Het gevolg was dat de meeste componisten zich aan de gewenste stroming aanpasten.
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak was het voor de meesten duidelijk dat er werken werden verwacht die als thema’s strijd, moed en vrijheid omvatten. Naast vele marsen en strijdliederen voor het Sovjetleger ontstonden ook composities in grootse vorm die het patriottische gevoel ondersteunden en aanwakkerden. Mjaskovski’s 22ste symfonie; Sjostakovitsj’s 7de symfonie – de ‘Leningrad’ die onder heroïsche omstandigheden haar première beleefde – en de 2de symfonie van Aram Chatsjatoerjan. Ook Sergej Prokofjev nam het patriottische thema op in zijn 6de symfonie uit 1947 waar goed en kwaad elkaar heroïsch bevechten en de uitslag voor de hand ligt. De oorlogsthematiek stelde componisten echter in staat – doordat zij het kwaad met rabiate en progressieve stijlmiddelen konden afschilderen – wat dissonanten te verwerken. Daarbij kwam ook dat er niet zo sterk gelet werd op wat componisten produceerden omdat alle aandacht op de oorlogsinspanningen was gericht.
Gedurende de oorlogsjaren was er dus sprake van modernisering van de muziek. Deze tendens duurde echter niet veel langer dan de oorlog. In 1948 viel het beroemde ‘besluit’. De directe aanleiding hiervoor was Stalins bezoek aan een uitvoering van de opera ‘De grote Vriendschap’ van de Georgische componist Wano Muradeli. Deze opera was sterk gericht op het propaganda-element van de socialistische heilstaat, maar toch ergerden de hoogwaardigheidsbekleders zich aan enkele details. De muziek werd ook sterk bekritiseerd: ze zou avant-gardistische elementen en ‘scherpe toonsoorten’ bevatten. Dit operabezoek leidde in een vergadering van de Moskouse Componistenvereniging tot een – in scène gezette – toespraak van partijfunctionaris Andrej Zjdanov waarin hij scherp fulmineerde tegen de ontwikkelingen in de Sovjet-muziek. Zijn actie was gebaseerd op de door hem ontwikkelde doctrine die bekend werd als de Zjdanovdoctrine.
Na deze driedaagse vergadering werd op 10 februari 1948 de partijresolutie ‘Over de opera ‘De grote Vriendschap’’ openbaar gemaakt. In deze resolutie werd het woord ‘formalisme’ veelvuldig gebruikt. Alles wat als modern kan worden verondersteld is formalisme, is slecht voor de Sovjet heilstaat, en is dus verboden. Als officiële verklaring werd gesteld dat de muzikale vorm, d.w.z. het construeren van een muziekstuk, bovenal de melodie moest bevatten, anders zou zij afglijden naar decadente uitingsvormen zoals atonaliteit. In direct zin, hun namen werden genoemd, werden de componisten Sjostakovitsj, Prokofjev, Chatsjatoerjan, Shebalin, Popov en Mjaskovski bedoeld. Deze componisten werden openbaar tot schuldbekentenissen gedwongen waarin zij moesten toegeven zich te hebben ingelaten met decadente muziektendensen. Alleen Mjaskovski weigerde een bekentenis uit te spreken.