De rooms-katholieke missie in China in de periode 1800-1911 kan in drie tijdvakken worden verdeeld. Voor 1840 waren Europese missionarissen, voor zover in het land, daar illegaal aanwezig. In de periode van globaal 1740 – 1840 was het rooms-katholicisme in China levend gehouden door een Chinese geestelijkheid, priesters die opgeleid waren gedurende de missie van de jezuïeten in China en hun opvolgers.

Na de Eerste Opiumoorlog (1839-1842) werden met het Verdrag van Nanking de havensteden Kanton, Xiamen, Ningbo, Shanghai en Fuzhou opengesteld voor handel met het buitenland. In die steden konden Europese priesters zich weer vestigen. Missie in geheel China werd mogelijk na de Conventie van Peking in 1860. Tot 1850 vormden Chinese priesters nog een meerderheid. Daarna was er echter sprake van een sterk verhoogde instroom van Europese missionarissen. Aan het eind van de periode waren er ongeveer vierhonderd Chinese priesters tegen ruim duizend uit het buitenland. Het gevolg was dat de ontwikkeling naar een eigen authentiek Chinese kerk werd geblokkeerd.

Eerdere aanwezigheid van het rooms-katholicisme in China

Vanuit West-Europa werden vanaf begin dertiende eeuw door koningen en pausen afgezanten gezonden naar het Mongoolse hof in Karakorum. De gedachte was de mogelijkheid te onderzoeken van het creëren van een Europees-Mongoolse alliantie gericht op het heroveren van het Heilig Land. De aankomst in Europa van de nestoriaanse Rabban Bar Sauma creëerde ook verwachtingen ten aanzien van de mogelijke hereniging tussen de Kerk van Rome en kerken in het oosten. Deze aspecten leidden tot een missie van de franciscanen tijdens de Yuan-dynastie (1279-1368). In 1313 werd Giovanni da Montecorvino geconsecreerd tot aartsbisschop van Khanbaliq, het huidige Peking en patriarch van de Rooms-Katholieke Kerk in het hele Oosten.

In die periode was ook de nestoriaanse Kerk van het Oosten in China aanwezig. De omvang in aantal gelovigen en de invloed van die kerk was aanzienlijk groter dan die van de Rooms-Katholieke Kerk. Voor zover het rooms-katholicisme in die periode bekeringen maakte, betrof het vrijwel uitsluitend reeds christelijke in China verblijvende Armeniërs en Alanen. Na de val van de dynastie verdween het christendom in China volledig. Het nestorianisme zou nooit meer terugkeren.

Het rooms-katholicisme keerde eind zestiende eeuw terug. In 1583 verkreeg Matteo Ricci toestemming om zich op het vasteland van China te vestigen. Vanaf 1601 verbleef Ricci in Peking. Dat was het begin van de missie van de jezuïeten in China. Na 1630 waren ook andere ordes zoals de dominicanen en franciscanen in het land aanwezig. Het hoogtepunt van de missie is even na 1700, als er ongeveer 140 missionarissen in China aanwezig zijn, waarvan de helft jezuïeten. Er waren toen ongeveer 230.000 Chinese katholieken.

In 1724 vaardigde de keizer Yongzheng een verbod uit op de uitoefening van het christendom. Alle missionarissen, behalve degenen die aan het keizerlijk hof werkten, werden verbannen naar Kanton en Macau. Afgezien van acties op lokaal en provinciaal niveau volgden er echter geen grote vervolgingen van Chinese christenen of zoektochten naar missionarissen die zich illegaal in de provincies trachtten te handhaven. De enige vervolging van enige omvang vond plaats in 1784-1785. Af en toe slaagden missionarissen er ook weer in het land in te komen.

Situatie begin negentiende eeuw

Ondanks de moeilijke situatie was de kerk erin geslaagd de organisatorische structuur overeind te houden. Even na 1800 waren er in China formeel drie bisdommen, Peking, Macau en Nanking aanwezig en daarnaast apostolische vicariaten in de provincies Sichuan, Fujian en Shanxi/Shaanxi. Bisschoppen en apostolisch vicarissen waren – buiten Macau – echter vaak niet aanwezig. Het aantal Europese missionarissen in het land was ongeveer vijfentwintig. Het aantal Chinese priesters was ongeveer vijfentachtig.

Het feit dat er in China begin negentiende eeuw nog ongeveer 200.000 Chinese katholieken waren, was vrijwel geheel de verdienste van de Chinese geestelijkheid. Sinds het begin van de achttiende eeuw waren er Chinese priesters opgeleid in Franse seminaries in eerst Ayutthaya in Siam en daarna in Puducherry in het toenmalige Franse deel van India en Penang in Maleisië. Er was tevens een instituut in Napels, waar jonge Chinese mannen opgeleid werden. Het waren deze mannen en hun opvolgers die met hulp van Chinese catecheten het rooms-katholicisme in China tijdens de periode van ongeveer 1740 tot 1840 levend hebben gehouden.

De Synode van Sichuan

Een groot probleem voor de organisatie was het feit, dat de rooms-katholieke gemeenschappen in China in deze periode vooral op het platteland en meestal op zeer grote afstanden van elkaar lagen. Dat leidde tot verschillen in aanpak, omdat priesters en catecheten moeilijkheden op eigen initiatief moesten oplossen. Er was dan ook behoefte aan het formuleren van een meer gezamenlijke benadering en formulering van aspecten als pastorale zorg, voorwaarden voor de doop en richtlijnen voor Chinese christenen, bijvoorbeeld voor het (uit)lenen van geld.

In 1802 werd door de apostolisch vicaris Dufresse de Synode van Sichuan in Chongqing bijeengeroepen. Naast Dufresse nam nog een Europese priester hieraan deel en dertien Chinese priesters. Zes andere Chinese en twee Europese priesters, werkzaam in Sichuan, waren niet in staat de synode bij te wonen. Het complete verslag van de beraadslagingen is bewaard gebleven. De besluiten zijn vervat in tien hoofdstukken. Negen daarvan handelen over de toediening van de sacramenten, pastorale zorg en de wijze van opdragen van de mis. Het laatste hoofdstuk geeft richtlijnen voor het eigen geestelijk leven van de missionarissen. De adviezen, geboden en verboden in al deze regels waren gebaseerd op praktische ervaring en geven ook inzicht wat katholicisme in de toenmalige culturele omstandigheden van Sichuan betekende.

De handelingen van de synode werden voor toestemming verzonden aan de Propaganda Fide in Rome. Door de politieke situatie in Europa werd die formele toestemming pas in 1822 gegeven. Enige jaren later verklaarde de Propaganda Fide de besluiten van synode tot maatgevend voor geheel China. Deze besluiten zouden een grote en bepalende invloed hebben op de katholieke missie in China tot aan de Synode van Shanghai van 1924. De positie en aanwezigheid van Dufresse werd in 1815 verraden. Hij werd gearresteerd en onthoofd.

Vervolgingen

De eerste jaren van de regeerperiode van de keizer Jiaqing (r. 1796-1820) was er sprake van een tolerantie tegenover het katholicisme. In 1811 werd echter een edict uitgevaardigd, dat handelde over wat genoemd werd de “ongewenste infiltratie van buitenlandse elementen”. Daarmee werden ook de missionarissen bedoeld. Er bleven provinciale en lokale bestuurders die – gevoelig voor een extra financiële bijdrage- een christelijke aanwezigheid bleven gedogen. Met name in het zuiden van China, waar opstandige bewegingen als de Witte Lotus aanwezig waren, werden christenen echter geassocieerd met ongewenste en heterodox geachte elementen en vonden vervolgingen plaats. Meer missionarissen werden geëxecuteerd. Er was in deze periode zeker sprake van enige geloofsafval, maar globaal bleef het aantal gelovigen door nieuwe bekeringen op ongeveer 200.000 tot 1840.

De maagden

Naast de Chinese priesters en catecheten was dat dat vooral de verdienste van de zhennu (貞女) maagden. Als gevolg van de strikte scheiding tussen de seksen in China was het voor zowel Europese als Chinese priesters vrijwel onmogelijk om rechtstreeks contact te hebben met groepen Chinese vrouwen. De maagden waren alleenstaande celibatair levende vrouwen die hun leven aan God hadden opgedragen. Zij namen een groot deel van het pastoraal werk in de provincies voor hun rekening, zorgden voor de opvang van wezen uit christelijke gezinnen en doopten meisjes.

Een deel woonde thuis in het eigen dorp. Een ander deel reisde het grootste deel van hun volwassen leven door de provincies. Deze vrouwen vormden vaak de pijler van christelijke netwerken en gemeenschappen. Er bestaan enkele biografieën van geëxecuteerden onder hen. Er zijn geen exacte aantallen van hen bekend, maar onder historici die over dit onderwerp hebben gepubliceerd is er consensus, dat dit een veelvoud was van de aantallen priesters. Het moeten er minimaal honderden tot mogelijk meer dan duizend zijn geweest.

Periode na 1840

Na de Eerste Opiumoorlog (1839-1842) werden met het verdrag van Nanking de havensteden Kanton, Xiamen, Ningbo, Shanghai en Fuzhou opengesteld voor handel met het buitenland. Er volgde een serie andere ongelijke verdragen met China. Na Groot-Brittannië en de Verenigde Staten wenste ook Frankrijk een dergelijk verdrag. De Franse onderhandelaar Théodore de Lagrené realiseerde zich dat op het gebied van handel, exterritorialiteit en meest begunstigde natie er voor Frankrijk geen andere resultaten te behalen waren dan die reeds in de eerdere verdragen waren overeengekomen. Vanwege redenen die vooral met Frans prestige te maken hadden onderhandelde hij over de positie van het christendom in China.

De Chinese keizer Daoguang (r. 1820-1850) vaardigde als rechtstreeks gevolg van dit verdrag van Whampoa een edict van tolerantie uit, die het verbod op het christendom herriep en vaststelde dat ook Chinese christenen niet langer vanwege hun geloofsovertuiging vervolgd zouden moeten worden. Het decreet werd echter door de Chinese overheid niet gepubliceerd of bekendgemaakt en had in de praktijk weinig invloed op de situatie in het grootste deel van China. In de opengestelde havensteden konden nu echter wel missionarissen en zendelingen werkzaam zijn, werd eerder geconfisqueerd eigendom van de Rooms-Katholieke Kerk teruggegeven en konden nieuwe kerken worden gebouwd.

Het verdrag gaf Frankrijk een zekere status als eerste beschermer van de belangen van de christelijke en met name rooms-katholieke missie in China gedurende de rest van de negentiende eeuw. Pas bij de Conventie van Peking van 1860 werd de mogelijkheid om in geheel China zending en missie te bedrijven geregeld. Daar werd tevens die rol van Frankrijk bekrachtigd. De Franse legatie in Peking verstrekte de reisdocumenten die het de missionarissen mogelijk maakte door het hele land te reizen. De eigendommen van rooms-katholieke organisaties die eerder in de negentiende eeuw waren geconfisqueerd dienden aan de eigenaren te worden terug gegeven via de Franse legatie.

Verhoogde instroom van Europese missionarissen thumb|Missionaris in China rond 1900 De nieuwe situatie had een nieuwe instroom van zendelingen en missionarissen tot gevolg. In Rome werd daarop tot een reorganisatie van de structuur van de kerk in China besloten. De bisdommen van Peking en Nanking werden opgeheven en maakten plaats voor een aantal apostolische vicariaten. Het werkterrein van het bisdom Macau werd beperkt tot het gebied van de Portugese enclave daar. In totaal zouden er tweeëntwintig apostolisch vicariaten en apostolische prefecturen gecreëerd worden.

Het waren vooral de al aanwezige ordes in China die aandrongen op het zenden van meer missionarissen. De herstelde Sociëteit van Jezus zond de eerste jezuïeten in 1843 weer uit. De jezuïeten werden verantwoordelijk voor het nieuwe apostolisch vicariaat van Jiangnan. De eerste missiezusters arriveerden in 1848, de Dochters van Liefde van Vincentius a Paulo en de Liefdezusters van Sint Vincent de Paul.

In 1850 vormden Chinese priesters nog de meerderheid. Er waren in dat jaar omstreeks 80 buitenlandse en 140 Chinese priesters. Er werden enige nieuwe opleidingsinstituten voor de vorming van meer Chinese priesters gesticht. Het tempo van de instroom van nieuwe buitenlandse missionarissen was echter veel hoger dan het tempo waarmee de instituten nieuwe Chinese priesters konden leveren