De Koninklijke Abdij van Sint-Denijs (Frans: Abbaye royale de Saint-Denis) was een koninklijke abdij in Saint-Denis, nu een voorstad van Parijs. De abdij die een belangrijke rol speelde in de geschiedenis van Frankrijk, zou in 630 gesticht zijn door koning Dagobert IHierover zijn er verschillende thesen die behandeld worden in de sectie geschiedenis. op de plaats waar de heilige Dionysius, volgens de legende de eerste bisschop van Parijs,De eerste bisschop van Parijs waarvoor historische bevestiging kan worden gevonden is Victorin (Victorinus) in 346; Théodore César Muret, Histoire de Paris: depuis son origine jusqu'à nos jours, Bibliothèque Universelle de la Jeunesse, 1837 - Paris, p.21. in 251 zou zijn vermoord en begraven. De kleine kapel die er toen werd gebouwd lokte al spoedig veel pelgrims en het werd in de vijfde en zesde eeuw een belangrijk bedevaartsoord. Dagobert liet de kapel vervangen door een grote basilica en begiftigde zijn stichting met talrijke privilegies en giften. De abdij werd een van de rijkste en belangrijkste abdijen van Frankrijk en de begraafplaats van de Franse koningen. Het klooster werd opgeheven tijdens de Franse Revolutie.

Geschiedenis thumb|Interieur van de basiliek

Archeologisch onderzoek De site van Saint-Denis zou ontstaan zijn door een kleine vestiging van landbouwers. Het zou daar zijn dat Dionysius omstreeks 250 zou begraven zijn., la tombe de Saint-Denis. Gearchiveerd op 22 maart 2016. Boven het graf zou tussen 460 en 480 een eerste basilica gebouwd zijn.

De eerste opgravingen onder de basiliek werden uitgevoerd door Viollet-le-Duc in het midden van de negentiende eeuw. Archeologisch onderzoek tussen 1953 en 1973 bevestigde dat er op de site van Saint-Denis een oude Romeinse necropolis was, de archeologen onderzochten meer dan 60 graven. De fundamenten van de basilica uit de vijfde eeuw werden in 1958 blootgelegd en zijn negen op twintig meter groot.Saint-Denis, une ville au Moyen Âge, La basilique et les constructions de l'Antiquité tardive. Ook de resten van de Karolingische abdijkerk liggen onder de huidige basiliek. Uit het onderzoek van de graftombes in en rondom de basilica, bleek dat ze gebruikt werden als begraafplaats voor de Frankische aristocratie vanaf de zesde eeuw.É. Salin, "Les tombes gallo-romaines et mérovingiennes de la basilique de Saint-Denis (fouilles de janvier-février 1957)", Mémoires de l Académie des Inscriptions et Belles-Lettres, 44, 1958, p. 169-263. Ten noorden van de basilica ontstond een grote necropolis met enkele grafkerken en galerijen aan de rand van het kerkhof. Ook enkele civiele gebouwen maakten deel uit van dit Merovingische atrium.In de christelijke basilica is het atrium het buitenplein voor de kerk. Er werd een aanvang gemaakt met deze gebouwen door de Merovingen in de zesde eeuw, maar er werd verder gebouwd en verbouwd onder de Karolingen en later onder de Capetingen. Er werd zelfs een aquaduct aangelegd naar de civiele gebouwen over een lengte van 240 m.Wyss Michaël. Un établissement carolingien mis au jour à proximité de l'abbaye de Saint-Denis : la question du palais de Charlemagne. In: "Aux marches du Palais". Qu'est-ce qu'un palais médiéval ? Données historiques et archéologiques. Actes du VIIe Congrès international d'Archéologie Médiévale (Le Mans – Mayenne 9-11 septembre 1999) Caen : Société d'Archéologie Médiévale, 2001. pp. 191-200. Gearchiveerd op 10 juli 2019.

Merovingische periode De begraafplaats van Saint-Denis was dus al een cultus centrum in het Merovingische Gallië, positie die het behield en versterkte in de Karolingische periode. Chlotharius II maakte van Dionysius de patroonheilige van het Frankische rijk en dankzij de beslissing van Dagobert I om zich te laten begraven naast het graf van Dionysius werd Saint-Denis een van de dynastieke begraafplaatsen van het Frankische rijk. Chlotharius zijn Paleis was gevestigd in de naburige villa van Clichy (Clippiacum) en hij had eveneens een residentie in Epinay (Ipinacum).

Er werd vrij vroeg een eerste basilica gebouwd over een monument dat bekend was als het graf van de heilige Dionysius en in de vijfde eeuw waren er al vijf parochies die aan de heilige gewijd waren.Thomas Jarry, Les débuts du Christianisme dans l'ouest de la Normandie In: Annales de Normandie, 48e année , 1998. Histoire religieuse. pp. 115-149. De eerste basilica in Catulliacus, het huidige Saint-Denis, zou gebouwd zijn in de tweede helft van de vijfde eeuw, volgens de heiligenlegendesVita Genovefae ca. 520 op initiatief van Genoveva van Parijs. Het is zeer waarschijnlijk dat er op dat moment ook al een soort van religieuze gemeenschap was gevestigd die de dienst in het heiligdom verzorgde, maar materiële bewijzen hiervoor ontbreken.Julien Havet, Questions mérovingiennes. V. Les origines de Saint-Denis, in: Bibliothèque de l'école des chartes Année 1890 Volume 51 Numéro 1, pp. 5-6.Donatella Nebbiai-Dalla Guarda, La Bibliothèque de l'Abbaye e Saint-Denis en France du IX au XVIIIe siècle, Éditions du Centre national de la recherche scientifique, 1985, p.21.

De eerste geschreven getuigenis komt uit de Gesta Dagoberti geschreven door een monnik van Saint-Denis in de negende eeuw. De Gesta Dagoberti vertellen dat Dagobert een nieuwe kerk liet bouwen op een kleine afstand van de oude en de relieken van Dionysius liet overbrengen naar deze nieuwe kerk op 22 april. Dagobert stichtte dan ook een abdij waarvan de monniken belast werden met de dienst in de nieuwe kerk. Voordien zou die taak zijn waargenomen door seculiere geestelijken afhankelijk van de bisschop van Parijs. Deze thesis werd in de zeventiende eeuw verworpen door Jean Mabillon de grondlegger van de oorkondeleer en paleografie, die de Basilica vermeld door Gregorius van Tours en het Leven van de heilige Genoveva als eerste vestigingen van de abdij zag. Een akte uit de tijd van Clovis II, gedateerd op 22 juni 654, stipuleert dat de abdij als zelfstandige eenheid, onafhankelijk van de bisschop van Parijs kon handelen,Julien Havet, 1890, p. 21. eigenlijk kan men vanaf die datum van een abdij spreken.

De autoriteit van de Gesta Dagoberti werd sterk in vraag gesteld door Léon Levillain, die uit een vergelijkende studie tot de conclusie komt dat een passie van de heilige Dionysius naar zijn incipit de Gloriosae genoemd, en gekend uit een kopie van de tiende eeuw, eigenlijk zou teruggaan op een geschrift uit de vijfde eeuw, en daarmee het oudste document over het leven van Dionysius en zijn verering zou zijn. Andere auteurs zoals die van de Gesta Dagoberti en abt Hilduin zouden uit deze tekst geput hebben bij het schrijven van hun eigen werken.Léon Levillain, Études sur l'abbaye de Saint-Denis à l'époque mérovingienne; in: Bibliothèque de l'école des chartes, 1921, tome 82, pp.5-116, pp. 115-116

Zoals eerder besproken blijken de archeologische onderzoeken die ondertussen zijn uitgevoerd, de these van Mabillon te bevestigen en groeide de abdij uit de eerste kerk die in de vijfde eeuw werd gebouwd. Uit het onderzoek van de funderingen in de ondergrond van de huidige basiliek blijkt dat de Merovingische basilica een half cirkelvormige abside had over de ganse breedte en dat de basilica in twee fases werd uitgebreid om uiteindelijk 60m lang te worden.La basilique mérovingienne. Gearchiveerd op 5 maart 2016. De funderingen van de basilica van Genoveva vallen perfect samen met het koor van de huidige basiliek. Dagobert bouwde dus geen nieuwe kerk zoals in de gesta Dagoberti werd beschreven.La basilique et les constructions de l'Antiquité tardive.

Ten noorden van de basilica ontstond een grote necropolis met waarschijnlijk meer dan 2000 graven. Aan de rand van dit kerkhof werden drie kleine kerken gebouwd die onderling verbonden waren met een galerij.La nécropole, cité des morts. Gearchiveerd op 24 maart 2016.

Dagobert was niet de eerste Merovingische vorst die in de basilica van Dionysius werd begraven. In 1959 werd in de ondergrond van de basiliek het graf ontdekt van Aregonda, de vierde vrouw van Chlotarius I en de grootmoeder van Dagobert, die stierf tussen 572 en 583.Patrick Périn, Les tombes mérovigniennes de la basilique de Sait-Denis, in: Glaube, Kult und Herrschaft, Phänomene des Religiösen im 1. Jahrtausend n.Chr. in Mittel- und Nordeuropa. ed. Uta von Freeden, Herwig Friesinger und Egon Wamers, Dr. Rudolf Habelt GmbH - Bonn, 2009, pp.173-184, p.178. Via de zegelring, met haar naam Arnegundis en een monogram Regine, die in de stenen sarcofaag werd gevonden, is men vrijwel zeker van haar identiteit.La reine Arégonde. Gearchiveerd op 28 december 2019. Uit de staat van bewaring van het textiel in deze sarcofaag blijkt, dat dit graf nooit door water geïnfiltreerd werd en zich dus steeds in een overdekte ruimte heeft bevonden. Omdat de sarcofaag buiten de muren van de eerste basilica was begraven, volgt hieruit dat de eerste uitbreiding van de basilica voor 584 werd uitgevoerd en dus onmogelijk het werk van Dagobert kan geweest zijn.Michaël Wyss, Olivier Meyer en Carol Heitz, Le monastère de Saint-Denis, in: Un village au temps de Charlemagne, tentoonstellingscatalogus, Parijs 1988, pp. 51-52. Dagobert heeft dus niet de originele basilica laten uitbouwen, maar wel laten verfraaien. Onder meer de ruimte rond het grafmonument van Dionysius werd volledig heringericht door zijn adviseur en edelsmid Sint Elooi. Hij deed eveneens talrijke schenkingen aan de gemeenschap van geestelijken die instond voor de diensten in de kerken van de site (abdij?) en liet zich als eerste Frankische koning in de hoofdkerk begraven, zijn zoon Clovis II gaf de gemeenschap haar monastieke status zoals hoger gemeld, maar men neemt vandaag aan dat de kloostergemeenschap niet gesticht werd door de koningen.Jean-Marie Le Gall, La protection du Saint éponyme, in Ecrire son histoire: les communautés religieuses régulières face à leur passé : actes du 5e colloque international du CERCOR, ed. Nicole Bouter, Saint-Etienne, 6-8 novembre 2002, Université de Saint-Etienne, 2005, p. 506.

De tweede uitbreiding van de Merovingische kerk zou gebeurd zijn tijdens de regering van Dagobert (629-639) en in die periode werden ook de eerste kloostergebouwen opgericht.Du mausolée gallo-romain à l’église mérovingienne.

Karolingische periode miniatuur|Schenkingsakte van Pepijn de Korte aan de abdij van Saint-Denis uit 768. De Karolingen zetten de traditie van de Merovingische vorsten verder en bleven Saint-Denis beschermen en bevoordelen. Karel Martel had nauwe banden met de abdij en liet zich in de abdijkerk begraven. Zijn zoon Pepijn de Korte werd opgevoed in Saint-DenisPierre Riché, Éducation et culture dans l'Occident barbare. VIe-VIIIe siècle, 4e éd., Le Seuil, Paris, coll. « Points Histoire », 1995, p. 360 voetnoot 350. en liet er zich in juli 754 door paus Stefanus II (III) tot koning kronen. Ook hij werd in de basiliek begraven.

Tijdens de Karolingische periode, gedurende het abbatiaat van Fulrad, werden de abdij en de abdijkerk herbouwd op initiatief van Pepijn de Korte en opnieuw gewijd op 24 februari 775 in de aanwezigheid van Karel de Grote.Sumner McKnight Crosby, Jane Hayward, Charles T. Little, William D. Wixom, The Royal Abbey of Saint-Denis in the time of Abbot Suger (1122-1151), The Metropolitan Museum of Art, New York - 1981, p.14. De herbouwde kerk was een basiliek met kolommen en een transept afgesloten met een apsis. Er werd een portaalgebouw voorzien, volgens de legende boven het graf van Pepijn de Korte, die zich uit nederigheid voor de poort van de Merovingische kerk had laten begraven. Volgens de geschreven bronnen was er in de kloostergebouwen een slaapzaal, een eetzaal, een verwarmde zaal, keuken, baden, een bakkerij een zolder en werkplaatsen. Vooraan werd een gastenverblijf gebouwd. Ten noorden van de abdijgebouwen werd waarschijnlijk een verblijf voor hoge gasten gebouwd dat ten minste één verdieping telde.L'abbaye royale du VIIIe siècle à 896. Gearchiveerd op 3 februari 2020.