Een drumstel of drums is een verzameling slagwerkinstrumenten die door een enkele drummer bespeeld wordt.
Opbouw De basisopstelling van een drumstel bestaat uit een aantal trommels en een aantal bekkens: bassdrum snaredrum high tom, mid tom en low tom floor tom hi-hat bekkens (cymbals)
De opstelling wordt veelal onderverdeeld naar het aantal trommels, dus zonder de bekkens. Daarnaast kan gebruikgemaakt worden van andere slaginstrumenten zoals koebellen, woodblocks, triangels, buisklokken of tamboerijnen.
Het hart van een drumstel bestaat uit de bassdrum, de snaredrum en de hi-hat. De bassdrum wordt met een basspedaal bediend en geeft de lage klanken. Onder het ondervel van de snaredrum is een matje met metalen snaren gespannen. Hierdoor maakt de snaredrum of snare een fel en scherp geluid. Een hi-hat is een combinatie van twee bekkens en een pedaal, gemonteerd op een metalen standaard. Door het bespelen van het bovenste bekken met stokken of brushes, terwijl de druk op het pedaal wordt gevarieerd, ontstaan verschillende klankeffecten; het karakteristieke tsssj-geluid van de hi-hat.
Bij bekkens bestaat er een onderscheid tussen afslagbekkens (crash cymbals) en ritmebekkens (ride cymbals). Daarnaast bestaan er specifieke bekkens als de splash (klein afslagbekken met een hoge klank) en de china (een speciaal gevormd afslagbekken met een korte en robuuste klank).
Een conventionele driedelige set bestaat uit een bassdrum, een snaredrum, een hangende tom, een hi-hat en een hangend bekken. Een vierdelige set heeft daarnaast nog een tom, een hangende dan wel een staande. De hangende tom komt soms in de plaats van het bekken, maar er kan ook een bekken bijgeplaatst worden, zodat er een afslagbekken en een ritmebekken is. Bij een vijfdelige set is er een derde tom.
thumb|Uitgebreid drumstel (Pearl Masters Studio BRX) De vellen van alle trommels worden dusdanig gespannen, dat het geluid van iedere trom op elkaar is afgestemd. Trommels produceren geen regelmatige geluidstrillingen met een toonhoogte, maar een ruis en daarmee een klank.
De drummer bespeelt het drumstel met drumstokken of brushes. De stokken geven een hard geluid, de brushes geven een zacht en wat waterig geluid. Kenmerk van een drummer is dat deze handen en voeten onafhankelijk van elkaar beweegt in een bepaald ritme zonder de maat te verliezen.
Sommige drummers maken gebruik van twee bassdrums. Een alternatief is een dubbel-bass-drumpedaal, daarmee wordt hetzelfde effect bereikt met een enkele bassdrum. Verder gebruiken sommige drummers meerdere hi-hats, toms en snaredrums. Het geluid van een drumstel wordt voornamelijk bepaald door de bekkens, snaredrum en bassdrum. Omdat bekkens en snaredrum makkelijk mee te nemen zijn, neemt de drummer die meestal zelf mee naar de repetitieruimte of het podium op als er een 'backline' drumstel staat. De meeste drummers nemen ook vaak hun eigen hardware mee. Voornamelijk het bassdrumpedaal (of dubbel bassdrumpedaal).
Geschiedenis miniatuur|Het John Robichaux Orchestra in 1896 met Dee Dee Chandler geheel links met bassdrum met basspedaal New Orleans was het centrum waar Afro-Amerikaanse muziek zich in brassbands vermengde met Europese militaire muziek en westerse muziekinstrumenten en daarbij zowel nieuwe muziekvormen zoals ragtime, dixieland en uiteindelijk jazz voortbrachten, als nieuwe muziekinstrumenten. De oude Afrikaanse muziek was beïnvloed door het verbod op instrumenten waarmee mogelijk opgeroepen kon worden tot verzet, zoals de Negro Act die was ingevoerd in South Carolina na de Stono-opstand in 1739.36. And for that as it is absolutely necessary to the safety of this Province, that all due care be taken to restrain the wanderings and meetings of Negroes and other slaves, at all times, and more especially on Saturday nights, Sundays, and other holidays, and their using and carrying wooden swords, and other mischievous and dangerous weapons, or using or keeping of drums, horns, or other loud instruments, which may call together or give sign or notice to one another of their wicked designs and purposes [...] 'An Act for the Better Ordering and Governing of Negroes and Other Slaves in this Province' of 'South Carolina Slave Code', 1740 Ritmes werden daarna gespeeld met alternatieve instrumenten en het lichaam zelf. Afrikaanse ritmes die in de zuidelijke staten verloren gingen, zouden later via de Caraïben en Latijns-Amerika weer terugkeren. Na de Amerikaanse Burgeroorlog vormden veel zwarte musici bands met instrumenten die overgebleven waren uit de oorlog. In de begrafenisbands die speelden bij wat later bekend werd als jazzbegrafenissen waren er aparte musici voor de kleine trom, nu beter bekend als de snaredrum, de grote trom of bassdrum en andere percussie-instrumenten zoals bekkens en xylofoons.
Naarmate deze bands meer binnen op gingen treden, werd een kleinere bezetting gewenst. Zo werden de bassdrum en de snaredrum wel door een persoon bespeeld in wat double-drumming werd genoemd. Hierbij werden beide handen gebruikt, wat de mogelijkheden beperkte. De ontwikkeling van het basspedaal waarbij zowel met handen als voeten gespeeld kon worden, betekende een belangrijke uitbreiding van die mogelijkheden.
In 1886 bespeelde Simon Davis al een basspedaal. Een jaar later verkreeg George Olney uit Saint Louis een octrooi op een basspedaal dat zowel bassdrum als bekken bespeelde. De bassdrum fungeerde daarna steeds meer als ophangpunt of contraption, kortweg trap, voor een verscheidenheid aan percussie-instrumenten. Edward "Dee Dee" Chandler ontwierp in 1894 of 1895 een basspedaal waarbij de klopper aan de onderzijde verbonden was met het pedaal en aan de bovenzijde aan de bovenrand van de bassdrum. Chandler speelde in het orkest van John Robichaux en met deze vinding kwamen zijn handen vrij om een trap drum te bespelen, waarmee het drumstel, aanvankelijk trap set genoemd, geboren was.
thumb|left|Drumstel van Ludwig & Ludwig uit 1918 Anderen volgden met verbeterde modellen van het basspedaal, waaronder Sonor in 1900, maar de uitvoering bleef rudimentair. Dat gold ook voor het pedaal van Leedy dat op dat moment als een van de beste beschouwd werd. William F. Ludwig met zijn broer Theo waren drummers en vertegenwoordigden daarnaast Leedy. William ontwierp een bruikbaar model dat in 1909 op de markt werd gebracht door Ludwig & Ludwig.
De snaredrum werd bij marsmuziek vanouds gespeeld met traditional grip, met een hand onderhands en de andere bovenhands. Deze grip volgde uit de trommel die scheef hangt om het lopen mogelijk te maken. Bij jazzdrummen, met zijn invloeden uit de marsmuziek, bleef de traditional grip in gebruik, maar met de horizontale snaredrum was deze grip niet meer noodzakelijk en in andere muziekvormen kwam de matched grip met beide handen bovenhands steeds meer op.
In deze tijd waren de mogelijkheden van geluidsversterking nog beperkt, waarmee de drums de andere instrumenten al snel konden overstemmen. Rond 1912 werden mede om deze reden brushes ontwikkeld. Het drumstel zelf werd daarbij steeds uitgebreider.
thumb|De band van Fate Marable aan boord van de Sidney in 1918 of 1919 met geheel links Baby Dodds en Louis Armstrong links achter de piano zittende Marable Het nieuwe drumstel vroeg om nieuwe technieken die zich ontwikkelden in interactie met de ontwikkeling van jazz. Een van de belangrijkste vroege drummers was Baby Dodds die onder meer met Louis Armstrong speelde. Dodds speelde de beat met de bassdrum terwijl hij roffels uitvoerde op de snaredrum. Dodds wist het woodblock te elimineren door de rand van de drum te gebruiken en begon rond 1919 de bekkens te bespelen met zijn stokken. William Ludwig zag Dodds spelen op een rivierboot en zag hem stampen met zijn linkervoet en maakte daarop een met de voet bespeelbaar bekken voor hem. De lage Ludwig snowshoe werd ook wel sock cymbal of charlestonpedaal genoemd. Dodds zelf beviel het echter niet en hij speelde er niet mee.It was about the same time that I helped cause the sock cymbals to be made. I was in St. Louis working on the steamboat and William Ludwig, the drum manufacturer, came on the boat for a ride. He was very interested in my drumming. I used to stomp my left foot, long before other drummers did, and Ludwig asked me if I could stomp my toe instead of my heel. I told him “I think so.” For a fact I thought nothing of it. So he measured my foot on a piece of paper and the space where I would have it and where it would sit and he made a sock cymbal. Two cymbals were set up and a foot pedal with them. One day he brought one along for me to try. It wasn't any good, so he brought another raised up about nine inches higher. Well, I had just taken the cymbal off the bass drum because I didn't want to hear that tinny sound any more and I didn't like the sock cymbal either. I didn't like any part of them and I still don't. Now it's a big novelty for drummers. Some drummers can't drum without them. I can't drum with them. ; (1959): The Baby Dodds Story, Contemporary Press, p. 27 Rond 1928 bestond het drumstel van Dodds uit een snaredrum, een Chinese tack head tomtom en een bass drum van Ludwig, een jazzbekken en een Chinees crashbekken van Zildjian, twee cowbells en een woodblock. (1994): p. 9
Na de sock cymbal kwam Walberg and Auge in 1925 met de low boy of low hat. Kort daarna kwamen ze met een verhoogde versie, de hihat. Vooral onder invloed van Jo Jones verschoof het ritme van de bassdrum daarna naar de hihat.
miniatuur|Zutty Singleton in 1939 Andere invloedrijke vroege drummers waren Zutty Singleton en Chick Webb.
Victor bracht in 1917 de eerste jazzplaat uit, Livery Stable Blues van de Original Dixieland Jass Band, met op de B-kant Dixieland Jass Band One-Step. Dit waren nog akoestische opnames, direct vanuit de hoorn op de plaat of wasrol. Het nummer werd opgenomen door Charles Sooy en gewend als hij was aan het opnemen van opera, moest Sooy drummer Tony Sbarbaro ver naar achteren plaatsen om overbelasting te voorkomen. Kort daarna volgden opnames van de Louisiana Five van drummer Anton Lada. Opnames van deze tijd laten dus minder drums en blazers horen dan tijdens live-optredens.
thumb|left|Gene Krupa en Benny Goodman rond 1939 Drummer Art Hickman was bandleider van een van de eerste bigbands. Deze speelden meestal jazz, wat zich in de jaren 1930 ontwikkelde tot swing waarbij het drumstel een centrale plaats innam. Met de contrabas begonnen de drums de ritmesectie te vormen, gestimuleerd door sterke bassisten als Jimmy Blanton en Walter Page. De ritmesectie van Page met drummer Jo Jones, gitarist Freddie Green en pianist Count Basie vormde een belangrijke invloed op latere ritmesecties in de jazz.
Drummer Gene Krupa was in 1927 een van de eerste die een bassdrum inspeelde op plaat. Geluidstechnicus Tommy Rockwell van OKeh vreesde dat deze te luid was om een goede opname te kunnen maken, maar dit viel uiteindelijk mee. De ontwikkeling van de microfoon en andere technieken had het mogelijk gemaakt om platen elektrisch op te nemen. De nieuwe opnametechniek had een breder frequentiespectrum en kon zowel subtielere als luidere geluiden oppikken.
Waar de tack heads nog niet te stemmen waren, maakte Slingerland op verzoek van Krupa tomtoms met stembare drumvellen. Tot dan stond de drummer in dienst van de band, maar met Krupa werd hij ook een solist. Op Sing, Sing, Sing (With a Swing) van Benny Goodman speelde Krupa in 1937 de eerste lange drumsolo die op plaat kwam.
Buddy Rich begon op zeer jonge leeftijd met drummen, maar 1937 was het begin van zijn jazzcarrière. Hij zou uitgroeien tot een zeer invloedrijke drummer, waarvan Krupa gezegd zou hebben “the greatest drummer ever to have drawn breath”.