thumb|250px|Een Byzantijnse dromon, van een 10e-eeuws fresco. In de vroegste geschreven bronnen uit de middeleeuwen worden al schepen vermeld, zoals de 'scapha', die gebruikt werd voor de vaart op Galicië, en de 'barca', een Gallisch vaartuig. Deze scheepstypen bleven in gebruik tijdens de Karolingische tijd en voeren mogelijk gelijk op met de Byzantijnse dromons, die de Karolingers in de Middellandse Zee inzetten. Onder het bewind van Karel de Grote werden talrijke schepen gebouwd als verdediging tegen de toenemende invallen van de Noormannen. Scheepswerven waren onder meer gevestigd in Gent en Boulogne-sur-Mer. Hoe deze schepen er precies uitzagen, is niet exact bekend. Een reisbeschrijving van Anscharius uit 826 vermeldt dat een Fries schip voor en achter een kajuit had, met een laadruimte in het midden. Deze omschrijving wordt bevestigd door de archeologische vondst van het Utrechtse schip. thumb|Deel van het tapijt van Bayeux thumb|Replica op ware grootte van de doorsnede van een middeleeuws schip.
Vroege afbeeldingen en archeologische vondsten De vroegste afbeelding van een middeleeuws schip is waarschijnlijk te vinden op het tapijt van Bayeux (ca 1082), dat de invasie van Engeland door Willem de Veroveraar (1066) uitbeeldt. Het betreft het schip waarmee de Engelse graaf Harald naar Wales voer, maar door een storm in Normandië strandde. Uit de afbeelding blijkt dat het schip voor en achter een dek had, met daaronder kajuiten, terwijl midscheeps een ruim was waar de mast stond. Het ging kennelijk om een koopvaardijschip, wat afgeleid kan worden uit details als het ontbreken van roeipoorten in het boord en het beperkt aantal roeiers, dat zich alleen op boeg- en achterschip bevond. Ook ontbraken versieringen op de stevens. De afbeeldingen op het tapijt tonen verschillende scheepstypen, wat suggereert dat voor de invasievloot alle beschikbare schepen werden ingezet, ongeacht hun oorspronkelijke functie. Sommige schepen waren duidelijk oorlogsschepen met roeipoorten, terwijl andere, zoals een koopvaardijschip met dierenkoppen op de voorsteven maar zonder roeipoorten, mogelijk waren aangepast voor transportdoeleinden. Bij enkele schepen zijn weliswaar geen stevenversieringen zichtbaar, maar de gaten in de stevens waar deze normaal gesproken bevestigd zouden zijn, zijn wel herkenbaar. thumb|Skuldelevschip thumb|Denemarken|alt=Denemarken
Archeologisch bewijs: de Skuldelevschepen De iconografie uit de middeleeuwen moet kritisch worden benaderd, maar enkele afbeeldingen worden bevestigd door archeologische vondsten, zoals de Skuldelevschepen. Deze schepen, gevonden in de Roskildefjord en nu tentoongesteld in het Vikingschipmuseum te Roskilde omvatten vijf vaartuigen, waaronder een knarr, een vrachtschip uit circa het jaar 1000. De constructie van dit schip was gericht op een groter draagvermogen en bood meer stijfheid, waardoor het beter bestand was tegen tegen zware golven. De overnaads gebouwde romp was met spijkers aan de spanten bevestigd, in tegenstelling tot oorlogsschepen, waar de spanten aan de huid werden genaaid. De afstand tussen de spanten bedroeg ongeveer 1 meter aan boeg en achterschip, maar was in het ruim verkort tot ongeveer 0,5 meter. Uit zowel beschrijvingen als bodemvondsten blijkt dat de lengte-breedteverhouding van deze schepen varieerde van 2,3:1 tot 4,9:1. Versieringen zoals dierenkoppen kwamen bij dit type niet voor.
Oorlogsschepen: constructie en functie Oorlogsschepen hadden een andere bouw en inrichting. Hun lengte-breedteverhouding bedroeg 4,5:1 tot 7,2:1, wat resulteerde in slankere schepen. Deze vaartuigen waren echter geen actieve gevechtsschepen, maar eerder aangepaste vrachtschepen voor het transport van krijgslieden, die tevens als roeiers fungeerden. Riemen vormden het primaire voortstuwingsmiddel, terwijl zeilen secundair waren en vooral op lange afstanden werden gebruikt. Met riemen kon sneller en preciezer worden gemanoeuvreerd dan onder zeil.
De schepen waren aangepast aan de roeifunctie, met minder zeeg (diepgang), zodat de roeiers langs de romp zoveel mogelijk op gelijke hoogte boven de waterspiegel zaten. Het boord was voorzien van roeipoorten, met onderlinge afstand van ongeveer 1 meter - de benodigde ruimte voor effectief roeien. De positie van de spanten was afhankelijk van die van de roeipoorten en bedroeg eveneens ongeveer 1 meter. Dit resulteerde in lichtere schepen, wat de roeisnelheid ten goede kwam. Oorspronkelijk voerden oorlogsschepen geen zeilen, maar rond 800 werd het zeil een vast onderdeel, zij het met een secundaire functie. De mast kon gemakkelijk worden neergehaald via een mastspoor, in tegenstelling tot koopvaardijschepen, waar de mast in een vaste vissing was bevestigd. thumb|Buskruit.
Technologische ontwikkelingen In de loop der eeuwen namen de schepen in omvang toe en evolueerden in vorm en bouwwijze door onderlinge beïnvloeding. Belangrijke innovaties waren:
De uitvinding van het stevenroer, dat de besturing van grotere schepen verbeterd. De uitvinding van het buskruit en het gebruik van geschut aan boord, wat aanpassingen aan de scheepsconstructie vereiste. Initieel speelde klein geschut een ondergeschikte rol, maar gaandeweg moest meer ruimte worden gereserveerd voor zware stukken, ammunitie, kanonniers en voorraden. De invoering van het kompas en de verbeterde kennis van zeevaart, wat langere reizen mogelijk maakte en de bouw van grotere schepen stimuleerde.
Bronnen Asaert G., Bosscher, Ph. M., Bruijn, J.R., van Hoboken, W.J. (1977). Maritieme geschiedenis der Nederlanden, deel 2 : 500-1500. Bussum: Unieboek bv.
Categorie:Scheepvaartgeschiedenis Schepen