thumb|De Friese taalgebieden De Friese talen hebben onderling sterke overeenkomsten; het is een kwestie van interpretatie of men in dit geval van varianten van één taal spreekt, of van een taalgroep. De grammatica van de Friese talen beschrijft de grammatica die deze talen delen en stipt ook verschillen aan.

Friese standaarden thumb|Een sprookje in het Wangeroogs Deze grammatica beschrijft in principe de standaardtaal. Er is echter niet één Friese standaardtaal, er zijn er meerdere, die elk een deel van het Friese taalgebied omvatten. Voor het omschrijven van de Friese grammatica zullen dus vormen uit verschillende standaarden naast elkaar gezet moeten worden.

Het Noord-Fries kent diverse kleine standaardtalen die overeenkomen met eilanddialecten of streekdialecten. Er is geen overkoepelende Noord-Friese standaard. In deze grammatica zullen de vormen van twee Noord-Friese dialecten gegeven worden, namelijk het dialect van Sylt, het Sölring, en het dialect van de Halligen, het Halligers. Hoewel dit beide eilanddialecten zijn, kunnen de Halliger vormen als typisch voor de Vastewal-Noord-Friese dialecten gelden, terwijl de Sylter vormen typisch voor het Eiland-Noord-Fries zijn. In beide gevallen gaat het overigens om taalvormen die met uitsterven bedreigd zijn.

Het Oost-Fries beschikt ook over een eigen standaard, gebaseerd op de dorpsdialecten van het Saterland (Saterfries). Andere Oost-Friese dialecten zijn verloren gegaan, alleen het Wangeroogs is nog vrij goed beschreven; in de tekst zullen daarom soms vergelijkingen met het Wangeroogs worden gemaakt.

De grootste en meest succesvolle Friese standaardtaal is die van het Westerlauwers Fries, en het is deze taal die in Nederland meestal bedoeld wordt als het over Fries gaat. Vanzelfsprekend worden de vormen van deze Westerlauwerse Friese standaardtaal steeds gegeven. Ter aanvulling zullen voor het Westerlauwers Fries ook de Schiermonnikoger vormen gegeven worden, een goed beschreven en op een aantal punten opmerkelijk conservatief dialect, dat daarom interessante inzichten geeft in bijvoorbeeld het woordgeslacht in oudere fases van het Westerlauwers Fries.

Al deze vormen zullen worden vervolledigd met de Oudfriese vormen, die aan de basis van alle moderne Friese vormen liggen. Vanwege de afstamming is het ook duidelijk te zien dat de Friese taal veel van zijn bijzondere kenmerken vergelijkbaar met het Oudengels houdt.

Ontwikkeling van het Fries thumb|Oudfries handschrift De moderne Friese talen stammen als gezegd af van het Oudfries, een taal die in de middeleeuwen als schrijftaal in gebruik was in grote delen van het Waddengebied en verder landinwaarts. Het Oudfries was een West-Germaanse taal, nauw verwant aan het Oudengels en het Oudsaksisch.

Deze taal is ons vooral bekend uit rechtsteksten en is, door de relatieve hoeveelheid teksten en de soms literaire kwaliteit van die teksten, redelijk goed overgeleverd (beter dan het Oudnederlands), maar er zijn typische beperkingen. Door de aard van de teksten zijn er bijvoorbeeld weinig voorbeelden van de tweede persoon enkelvoud ("jij bent, jij hebt" etc.) bewaard, en voor veel alledaagse zaken kennen we de woorden niet. Die woorden en vormen zijn dan vaak gereconstrueerd, als ze in onderstaande tabellen voorkomen zijn de wetenschappelijke reconstructies met een *sterretje aangegeven, volgens de conventies in de taalkunde.

Het Oudfries ging na de middeleeuwen als schrijftaal verloren en werd in de Friese gebieden verdrongen door het Nederlands en het Nederduits; in de Noord-Friese gebieden kreeg het Deens een grote rol. De Friese dialecten raakten hierdoor geïsoleerd, ze gingen elk hun eigen weg en stierven in veel gevallen zelfs uit, waardoor er nu grote delen van het Waddengebied zijn die niet meer Friestalig zijn. Alleen in de huidige Nederlandse provincie Friesland bleef een groot aaneengesloten Fries taalgebied bestaan, de andere Friese gebieden waren veel kleiner en de dialecten waren dus ook veel geïsoleerder. De ontwikkeling van met name de klanken is dan ook erg verschillend verlopen, een Oudfriese /a:/ kan in de verschillende dialecten /a:/, /e:/ of /o:/ opleveren, en wat daar nog tussen ligt - de variatie is dus groot. De onderlinge verstaanbaarheid van de Friese dialecten wordt hier vanzelfsprekend negatief door beïnvloed, wat ook het behoud van de taal bemoeilijkt.

Niet alleen de klanken veranderden, ook de woordenschat veranderde, vaak onder invloed van de dominante taal. Het is niet verrassend dat het Westerlauwers Fries veel Nederlandse leenwoorden heeft en dat de Duitse varianten van het Fries veel Duitse leenwoorden kennen. Ook het Nederduits en het Deens hebben hun invloed doen gelden. Verder is ook de grammatica veranderd: het Oudfriese systeem met drie woordgeslachten is niet overal bewaard, het onderscheid tussen twee werkwoordsvervoegingen (Westerlauwers Fries -e, -je) wordt in het Noord-Fries anders weergegeven, het Westerlauwers Fries heeft door de Nieuwfriese breking (foet – fuotten) een grotere vormenrijkdom gekregen – de verschillen zijn ook hier opmerkelijk. Tegelijk zijn veel van de overeenkomsten nog wel typisch Fries, de dialecten hebben elk veel Oudfriese trekken bewaard en zijn dus ook als opvolgers van die middeleeuwse taal te beschouwen.

Klankleer De onderlinge verschillen tussen de Friese talen komen vooral op het gebied van de klankleer tot uiting: de Oudfriese klinkers hebben zich heel verschillend ontwikkeld, en ook bij de medeklinkers komen er een aantal opvallende verschuivingen voor die soms tot maar enkele dialecten beperkt zijn gebleven.

Klinkers Een gedetailleerde beschrijving van de precieze fonetische waarde van de klinkers in de Friese talen blijft hier achterwege. In onderstaande tabel zijn de Oudfriese klinkers als basis genomen, met in voorbeeldwoorden dan steeds de tegenhanger van die klinker in de moderne Friese talen.

+ Friese klinkers Oudfries Sölring Halligers Saterfries Schiermonnikoogs Westerlauwers Fries vertaling a (kort) achta aacht aacht oachte acht acht acht appel Aapel aapel Appel apel apel appel half hualev hualef hoolf hail heal half e (kort) bled Bleer blää Blääd bled blêd blad sex soks seeks säks seks seis zes helpa help hälpe hälpe hilpe helpe helpen i (kort) drinka drink drinke drinke drinke drinke drinken ik ik ik iek ik ik ik fisk Fesk faske Fisk fisk fisk vis o (kort) mon Man moon Mon man man man dochter Dochter doochter Dochter dachter dochter dochter u (kort) wunnen wonen wunen wonnen (wind) wûn gewonnen tunge Tung tong Tunge tang tonge tong â (lang) stân staan stööne stounde stain stean staan âge Oog uuch Ooge eich each oog âre Uur uur Oor air ear oor râd ruar ruad rood raid read rood ê (lang) slêpa sliip sleepe släipe sliepe sliepe slapen sêd siid siad säid sied sied zaad stên Stiin stian Steen stien stien steen î (lang) bîta bit bite biete byte bite bijten drîva driif driwe drieuwe drieuwe driuwe drijven ô (lang) blôd Blöör blööd Bloud blúed bloed bloed ôther üđer öör uur eeur oar ander môna Muun mööne Moune mone moanne maan û (lang) hûs Hüs hus Huus hús hûs huis ia (diftong) tian tiin tiin tjoon tjien tsien tien skiata sjit skiite skjoote sjotte sjitte schieten tiâ tii tiane tjo tjain tsjen trekken iu (diftong) riuht rocht rocht gjucht jocht rjocht recht siunga sjung schonge sjunge sjonge sjonge zingen

Dat er voor de verschillende talen verschillende spellingsconventies bestaan blijkt al uit het hoofdlettergebruik: voor het Sölring en het Saterlands wordt de Duitse Großschreibung gevolgd, dus zelfstandige naamwoorden krijgen een hoofdletter; voor het Halligers en voor het Nederlandse Fries geldt daarentegen kleinschreibung.

Uit dit overzicht valt op te maken dat de Friese talen gemeen hebben dat ze zowel korte als lange klinkers hebben, en dat er stijgende diftongen voorkomen, zoals -io- en -ua-. Niet alle klanken die in de Friese talen kunnen voorkomen komen in bovenstaande tabel voor.

Veel van de typische verschillen tussen de Friese talen komen in de tabel tot uiting. Zo valt de Noord-Friese verlaging van -i- in een woord als "vis" op: het Oud-Friese fisk levert in het Sölring Fesk, in het Halliger Fries faske op. Die -a- zien we ook in de meeste andere Noord-Friese dialecten, de -e- in het Sölring is hier dus juist een afwijking. Minstens zo opmerkelijk is de Nieuw-Friese breking, die alleen in het Westerlauwers Fries voorkomt, maar niet in het Schiermonnikoogs: moanne klinkt zo als "mwanne", terwijl in het Schiermonnikoogse mone de Oudfriese -o- behouden is.

Ondanks alle verschillen zijn er ook typisch Friese overeenkomsten, zoals de e-klank op plekken waar het Nederlands een korte -a- heeft: het Oudfriese bled heeft overal een e-achtige klinker opgeleverd. Ook de Oudfriese breking in een woord als sjonge/sjunge is nog goed in de moderne talen te herkennen.

Medeklinkers thumb|Gedenksteen voor Jap Peter Hansen, de vroegste literaire schrijver in het Noord-Fries Bij de medeklinkers zijn de onderlinge verschillen minder groot, de Friese talen bewaren de medeklinkerstand van het Oudfries in de regel goed.

In het Sölring valt vooral de ontwikkeling van de -d- op, die wordt tussen klinkers een đ, een l-achtige klank (IPA /ð/) die doet denken aan de Deense uitspraak van de d tussen klinkers (en daar mogelijk ook door beïnvloed is): üđer (ander). Aan het eind van woorden wordt de d veelal een r: Blöör (bloed), ruar (rood). Ook andere Friese dialecten kennen verschuivingen bij de -d-. Zo is in het Schiermonnikoogs een -z- ontstaan uit de samenvloeiing van -r- en -d- in woorden als "hoorde": heersde ([he:zdə]), "wezzen" (woorden).

Veel Friese dialecten hebben het oude Germaanse cluster sk bewaard; het Schiermonnikoogs heeft aan het woordbegin sch-, aan het woordeinde wel -sk. Ook in het Saterlands is de sk- een "sch" geworden, uitgesproken /sx/, maar dat blijkt niet uit de hedendaagse spelling, die is sinds 2000 sk-.

skerp, skarp, skarp, skäärp, scharp, skerp (scherp) menska, Mensk, mänske, Moanske, minsk, minske (mens)

Waarbij de volgorde van de talen dezelfde is als in de tabel.

De Oudfriese th-, die grofweg in dezelfde woorden voorkwam als de Engelse th-, is in de moderne Friese talen regelmatig een t- geworden:

thenka: teenk, taanke, toanke, tinke, tinke (denken)

In het Noord-Friese dialect van Amrum, het Öömrang, heeft deze th- echter een s- opgeleverd (dus seenk). In het nu uitgestorven Oost-Friese dialect van Wangerooge, het Wangeroogs, was de th- behouden gebleven, zoals blijkt uit de 19e-eeuwse bronnen (thank). De Syltse ð-klank, hierboven beschreven, komt ook vaak in de plaats van de oude th-, maar alleen tussen klinkers, en in andere woorden vervangt deze đ Oud-Friese d's.

Vormleer thumb|Halligen Alle Friese talen zijn flecterende talen, met werkwoordsvervoegingen, verbogen bijvoeglijke naamwoorden en meervoudsvorming bij de zelfstandige naamwoorden. Morfemen zijn de basis van de Friese vormleer, maar ook klinkerveranderingen kunnen een rol spelen, zij het niet in iedere Friese variant in dezelfde mate.

Werkwoorden Net als in andere Germaanse talen zijn er in het Fries sterke en zwakke werkwoorden. Bij sterke werkwoorden wordt de verleden tijd door regelmatige klinkerveranderingen uitgedrukt, bij zwakke werkwoorden wordt dit met een achtervoegsel gedaan. Verder hebben de Friese talen twee regelmatige vervoegingen en worden er twee infinitieven onderscheiden.

Zwakke werkwoorden