thumb|thumbtime=192|Filmopname met John Watson, Rosalie Rayner en Little Albert. Het eerste deel toont stukken uit de voorafgaande tests, het tweede deel reacties tijdens het experiment. thumb|Beeld uit het experiment Het Little-Albert-experiment was een psychologisch experiment over klassieke conditionering van angst bij een peuter (in het Nederlands soms Kleine Albert genoemd). Het werd in 1920 door John Broadus Watson en Rosalie Rayner onder de titel "Conditioned emotional reactions" gepubliceerd in het tijdschrift Journal of Experimental Psychology.

Achtergrond John Broadus Watson was een bekend Amerikaans psycholoog en de grondlegger van het behaviorisme. In 1913 had hij het zogenaamde "behavioristisch manifest" gepubliceerd: Psychology as the behaviorist views it. Tot dan had Watson alleen dieronderzoek gedaan. Vanaf 1916 richtte hij zich op mensen, hoofdzakelijk kinderen. In 1917 publiceerde hij samen met Morgan een artikel waarin hij aangaf dat er drie aangeboren basisemoties waren bij kinderen: vrees, woede en liefde.: Emotional reactions and psychological experimentation. The American Journal of Psychology, 1917, 28, 163-174. Watson was erg onder de indruk van de toen in Amerika nog nieuwe psychoanalyse. Tegelijk was hij wetenschappelijk helemaal overtuigd van het belang van de eveneens zeer nieuwe principes van de klassieke conditionering. Deze elementen zijn sterk aanwezig in het experiment met Little Albert.

Watson vroeg zich af of de aangeboren angst ook geconditioneerd kon worden (dit wordt dan een "geconditioneerde emotionele reactie" genoemd) bij kinderen. Dit was nog nooit onderzocht en Watson beschouwde het Little-Albert-experiment als een rechtstreekse test hiervan. Zijn eerste echte onderzoek hierover zette hij op samen met zijn studente Rosalie Rayner, die later zijn tweede vrouw zou worden. Watson was verbonden aan de Johns Hopkins-universiteit in Baltimore (Maryland). Zijn onderzoek deed hij in een laboratorium in de Henry Phipps Psychiatric Clinic (onderdeel van het Johns Hopkins-ziekenhuis). De zoektocht naar een geschikt kind om het onderzoek bij uit te voeren, leidde al snel naar het Johns Hopkins-ziekenhuis, vlak bij het laboratorium, en meer bepaald het Harriet Lane Home for Invalid Children, de ziekenhuisafdeling voor invalide kinderen.Harriet Lane Home for Invalid Children Een kind van een van de minnen van het ziekenhuis groeide bijna vanaf zijn geboorte op nabij het ziekenhuis: "Albert B".

Het experiment Voorbereidende fase Albert werd beschreven als een normaal kind, gezond van bij de geboorte en goed ontwikkeld voor zijn leeftijd. Op 9 maanden woog hij 21 pond. Hij was weinig emotioneel. Deze stabiliteit was een belangrijke reden om hem als proefpersoon te gebruiken; de onderzoekers oordeelden dat het onderzoek hem relatief weinig schade kon berokkenen.

Op de leeftijd van 9 maanden werd hij onderworpen aan een reeks emotietests. Hij werd onder meer geconfronteerd met een witte rat, een konijn, een hond, een aap, maskers, katoenen stof en brandende kranten. Zijn reacties werden gefilmd: het eerste deel van het filmpje rechtsboven op deze pagina toont stukken hiervan. Op geen enkel moment toonde Albert enige angst. In een andere test werd nagegaan of angst kon uitgelokt worden bij hem. Wanneer met een hamer op een stalen staaf werd geslagen schrok hij en de derde keer dat dit gebeurde begon hij te wenen.

Onderzoeksvragen De volgende onderzoeksvragen werden vooropgesteld: Kan angst voor een dier geconditioneerd worden door het dier te tonen samen met het slaan op een stalen staaf? Als een geconditioneerde emotionele reactie tot stand gebracht kan worden, is er dan generalisatie naar andere dieren en voorwerpen? Hoelang blijft de geconditioneerde emotionele reactie bestaan? Als de angstreacties blijven bestaan, welke methoden kunnen dan aangewend worden om ze uit te doven?

Experimentele fasen Het eigenlijke experiment verliep in vijf sessies en begon toen Albert 11 maanden en 3 dagen oud was. Een witte rat werd plots voor Albert geplaatst, maar hij vertoonde geen angstreactie. Hij reikte naar de rat en op het moment dat hij ze aanraakte, werd achter hem met een hamer op een stalen staaf geslagen. Albert schrok heftig, liet zich voorover vallen en drukte zijn gezicht in het deken. Wanneer hij even later terug naar de rat reikte, werd terug op de staaf geslagen. Hierop begon hij te wenen en werd de proef stopgezet om hem niet te zeer in beroering te brengen.

Een week later, op 11 maanden en 10 dagen, werd het onderzoek voortgezet. De rat werd terug voor Albert geplaatst. Hij bleef ernaar kijken, maar deed aanvankelijk niet meer dan dat. Wanneer de rat dichterbij werd geplaatst, reikte hij er even naar, maar als de rat hem aanraakte, trok hij zijn hand snel terug. De ervaringen van de vorige week bleken invloed te hebben nagelaten. Dan kreeg hij een tijdje blokken om mee te spelen en tot rust te komen. Hierop volgden vijf aanbiedingen van de rat, samen met het lawaai. Albert reageerde in wisselende mate verontrust: van zich op zijn zij laten vallen tot wenen. Wanneer de rat daarna alleen werd getoond, zonder lawaai, begon hij toch te wenen en kroop snel weg; de onderzoekers moesten zich zelfs haasten om te verhinderen dat hij van de tafel viel. Hier was dus sprake van klassieke conditionering van angst: het slaan op de stalen staaf was de onvoorwaardelijke of ongeconditioneerde prikkel, de angstreactie daarop de onvoorwaardelijke reactie of respons, het zien van de rat was de voorwaardelijke of geconditioneerde prikkel en de angstreacties daarop de geconditioneerde emotionele reactie. Dit vormde een positief antwoord op de eerste onderzoeksvraag: angst voor een dier kan geconditioneerd worden.

Vijf dagen later, op de leeftijd van 11 maanden en 15 dagen, werd Albert terug in de onderzoeksruimte gebracht waar hij eerst met blokken mocht spelen. Dit deed hij vlot, wat erop wees dat er geen transfer van de angst was naar de ruimte, de tafel of de blokken. Als de rat getoond werd, begon hij onmiddellijk te wenen. De geconditioneerde angst bleef dus ook na vijf dagen nog aanwezig (derde onderzoeksvraag). Dan volgden generalisatietests, met tussenin telkens een rustperiode waarin hij met blokken mocht spelen. Als eerste test werd een konijn voor hem geplaatst: Albert begon te wenen en wou zich verstoppen. Dan werd een hond aangebracht, waarop Albert zich in eerste instantie een beetje terugtrok, maar niet zo angstig reageerde. Wanneer de hond dichter naar zijn hoofd werd geleid, begon Albert wel te wenen. Een bontmantel lokte eveneens een heftige angstreactie uit. Een katoenen stof, deels in papier verpakt lokte lichtere negatieve reacties uit (wegschoppen), maar nadien begon hij wel met het papier te spelen. Het haar van enkele onderzoekers en een kerstmanmasker lokten geen negatieve reacties uit. In deze fase werd aangetoond dat er generalisatie was naar enkele andere dieren en voorwerpen (tweede onderzoeksvraag).

Weer vijf dagen later, op de leeftijd van 11 maanden en 20 dagen, werd Albert opnieuw in dezelfde onderzoeksruimte geplaatst. Hij reageerde terughoudend op de rat (opzij buigen en volgen met de ogen), maar veel minder uitgesproken dan de week voordien. Om de reactie te versterken werd de rat terug aangeboden, samen met het slaan op de stalen staaf. Daarop volgden negatievere reacties op de rat. Het vervolgens aangeboden konijn reageerde hij met zacht wenen, maar niet zo heftig als voordien. Dan werden de reacties op het konijn en de hond versterkt door op de stalen staaf te slaan op het moment dat er fysiek contact was. Om na te gaan of de geconditioneerde angstreactie ook zou volgen in andere omstandigheden, werd het onderzoek vervolgd in een ander, veel meer verlicht lokaal. De reactie op de rat was terug veel minder uitgesproken (handen omhoog en weggericht van het dier). Ook de reactie op het konijn was licht negatief, maar evenmin uitgesproken. Bij het zien van de hond begon hij te wenen. Na weer een licht negatieve reactie op de rat, werd de rat opnieuw aangeboden, samen met een slag op de stalen staaf. Wanneer de rat terug tweemaal werd getoond, volgden licht negatieve reacties tot wenen. De reacties op het konijn waren heftiger. Bij de hond volgde aanvankelijk geen uitgesproken reactie, maar plots blafte de hond enkele keren vlak bij het gezicht van Albert. Albert begon zwaar te huilen tot de hond werd verwijderd. Ook de onderzoekers waren erg geschrokken. Volgens de onderzoekers had het onderzoek aangetoond dat de angstreacties generaliseerden ("transfers") naar andere stimuli.

Het onderzoek had in antwoord op de derde onderzoeksvraag reeds aangetoond dat de geconditioneerde emotionele reacties een week bleven bestaan. Watson en Rayner wilden de testperiode verlengen, doch Albert zou nog maar een maand in het ziekenhuis blijven en dan verhuizen, wat maakte dat 31 dagen de langst haalbare tussenperiode was. In die periode werd zijn ontwikkeling wekelijks opgevolgd, maar gebeurden geen emotietests meer tot 31 dagen na de vorige. De laatste sessie vond plaats toen Albert 1 jaar en 21 dagen oud was. Op een masker van de kerstman reageerde hij negatief en wanneer hij gedwongen werd om het aan te raken, begon hij te wenen. Bij het tonen van een bontmantel begon hij eveneens te wenen en wanneer die op zijn schoot gelegd werd, probeerde hij hem weg te schoppen. Op de rat reageerde hij negatief, doch zonder wenen. Op het konijn reageerde hij eerst met stilte, maar begon nadien het konijn weg te duwen met zijn voeten. Bij de daaropvolgende reacties raakte hij het konijn wel even aan. Als zijn hand nadien door de onderzoeker op de rug van het konijn werd gelegd, trok hij die snel terug en begon op zijn duim te zuigen. Als het konijn op zijn schoot werd gezet, begon hij uiteindelijk te wenen. Bij het zien van de hond begon hij te wenen en bedekte zijn ogen met zijn handen.

De onderzoekers besloten dat zowel de rechtstreeks geconditioneerde emotionele reacties als de gegeneraliseerde reacties ook na een maand nog bleven bestaan, zij het met een verlies van intensiteit. Ze gingen er zelfs van uit dat ze levenslang invloed zouden blijven hebben.

De vierde onderzoeksvraag, in verband met het terug ongedaan maken of deconditoneren van de geconditioneerde emotionele reacties, kon niet worden beantwoord omdat Albert vertrok.

Mogelijke deconditioneringsmethoden Hoewel Watson en Rayner geen deconditionering uitvoerden, beschreven ze wel kort de methoden waaraan ze gedacht hadden. Een eerste methode bestond uit het herhaaldelijk aanbieden van de angst uitlokkende prikkels zonder de onvoorwaardelijke prikkel (het lawaai), in de veronderstelling dat die tot gewenning zou leiden. Andere methoden waren vormen van "herconditionering": het tonen van de angst uitlokkende prikkels samen met aangename ervaringen. Hierbij dachten ze in de eerste plaats aan het via aanraking stimuleren van de erogene zones: de lippen, tepels en geslachtsorganen. In de tweede plaats dachten ze aan herconditionering door het geven van snoep of ander eten als het dier getoond werd. Als laatste methode zagen ze het via imitatie opbouwen van constructieve activiteiten rond het dier.

Vervolg Watson rapporteerde niets over een eventuele opvolging van Albert en over de jongen werd niets meer vernomen. Watson deed zelf ook geen ander vervolgonderzoek. Op het einde van het jaar waarin het onderzoek gepubliceerd werd - 1920 - werd Watson ontslagen aan de Johns Hopkins-universiteit omwille van zijn relatie met zijn studente en co-auteur Rosalie Rayner, met wie hij nadien zou trouwen. Hierdoor stopte zijn academisch werk. Het Little-Albert-experiment was zijn laatste academische publicatie. Nadien begeleidde hij nog wel het onderzoek van Mary Cover Jones bij "Little Peter". Dit was een rechtstreeks vervolgonderzoek bij een fobische jongen, waarbij herconditioneringstechnieken werden toegepast.

Verwijzingen naar de psychoanalyse