thumb|Adam Smith An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, doorgaans afgekort tot The Wealth of Nations (Een onderzoek naar de aard en oorzaken van de rijkdom der naties, of De rijkdom der naties) is het magnum opus van Adam Smith, gepubliceerd in 1776 aan de vooravond van de industriële revolutie. In de boeken worden ook de principes van de vrijemarkteconomie voor het eerst systematisch verdedigd. Het bestaat uit vijf boeken en twee delen.
Onderwerpen thumb|Titelpagina van Adam Smiths ‘The Wealth of Nations’ De specifieke onderwerpen die aan bod komen, zijn:
De industriële revolutie Boek I van The Wealth of Nations presenteert Smiths idee van de industriële revolutie, maar hij begint vanuit een antropologische fabel die speelt in een maatschappij van jager-verzamelaars. Hij zet zijn arbeidswaardetheorie uiteen, volgens welke arbeid de bron en maat van alle waarde is. Hij legt zijn theorie uit met het voorbeeld van twee jagers, die bevers en herten uitwisselen volgens een koers bepaald door de hoeveelheid werk die nodig is om de beide diersoorten te vangen.
Zodra Smiths jagers een overschot produceren, kunnen ze dit ruilen tegen bijvoorbeeld wapens, om de jacht efficiënter te maken. Is het overschot groot genoeg, dan kan een klasse ontstaan die zich in leven houdt door op de markt wapens, gereedschap of diensten aan te bieden, in plaats van zelf te jagen. De arbeidsdeling is een feit.
Gaandeweg komt kapitaalaccumulatie op gang, en nadat ook grondeigendom geprivatiseerd is en geld ingevoerd, ontstaat het beeld van een markteconomie met de drie klassieke productiefactoren: arbeid, grond en kapitaal. Deze drie zijn te onderscheiden aan de hand van hun factorbeloningen loon, pacht en winst. Voor alle drie wijst Smith een apart regulerend principe aan.
Het natuurlijke loon is bij Smith de kosten van levensonderhoud voor een arbeider en zijn gezin, dus een reële beloning die voldoende is om de productiefactor arbeid te reproduceren. Voor geschoolde arbeid moeten daar de scholingskosten bij opgeteld worden. Als arbeiders vrij zijn om van beroep te wisselen (afwezigheid van gildes en andere beperkingen), dan zal onderlinge concurrentie het loon in de richting van dit natuurlijke niveau sturen: de arbeiders staan door hun grote aantal, geringe bezit en gebrek aan politieke invloed zwak tegenover de kapitaalbezitters en zullen zich moeten schikken. Alleen zolang de economie groeit zal het loon stelselmatig hoger zijn dat het natuurlijke niveau, door de grote vraag naar arbeid. Zodra de grenzen van deze groei bereikt zijn, zullen de ongeschoolde arbeiders terugvallen op het bestaansminimum. Ook het aanbod van arbeid wordt zo gereguleerd: hoge groei schept werkgelegenheid en maakt bevolkingsaanwas mogelijk, maar een stagnerende economie zal door kindersterfte op een constant niveau blijven.
De winsten op kapitaal ontstaan doordat de arbeider een bepaald deel van zijn geproduceerde waarde inlevert aan de kapitaalbezitter. De prijs die voor het product gevraagd kan worden is tegelijk onderhevig aan de wet van vraag en aanbod, maar kent een minimum evenwichtsprijs in de vorm van de productiekosten, dus arbeidskosten + materiaalkosten (materiaalkosten zijn weer arbeidskosten + materiaalkosten van het materiaal, etc., dus uiteindelijk is alle waarde tot arbeid te herleiden). Binnen elke branche concurreren de kapitaalbezitters onderling door hun productiekosten zo laag mogelijk te houden; dit geschiedt door de kapitaalintensiteit te verhogen en zo een verdere arbeidsdeling mogelijk te maken. Ook tussen bedrijfstakken geldt concurrentie, omdat nieuwe kapitalen daar geïnvesteerd zullen worden waar de winstvoet het hoogst is. Uiteindelijk komt een natuurlijke winstvoet tot stand die een bepaald percentage boven de algemene rentevoet ligt.
De pacht, tot slot, is bij Smith simpelweg datgene wat de grondeigenaar uit de pachter kan persen, tot er voor die laatste slechts de in de landbouw gebruikelijke winstvoet overblijft. Grondprijzen en pachten worden zo bepaald door de factoren die de winsten van de pachters bepalen: kwaliteit en ligging van de grond, aanwezigheid van externaliteiten als wegen en kanalen.
Mercantilisme Adam Smith bekritiseert de theorie en het beleid van het mercantilisme. Meer bepaald bekritiseert The Wealth of Nations twee belangrijke principes van mercantilisme: het idee dat protectionistische invoerrechten een staat enkel ten goede komen; het idee dat grote reserves goud en andere edele metalen noodzakelijk zijn voor de economische welvaart van een land.
Het concept van de Onzichtbare Hand Concept De "Onzichtbare Hand" is een concept uit het werk waar vaak naar verwezen wordt, hoewel Smith het daar maar één keer specifiek over heeft. Het idee achter de "Onzichtbare Hand" is dat mensen die handelen uit eigenbelang vaak gelijktijdig bijdragen aan de gemeenschap zonder dat dit hun intentie is.
...every individual necessarily labours to render the annual revenue of the society as great as he can. He generally, indeed, neither intends to promote the public interest, nor knows how much he is promoting it. By preferring the support of domestic to that of foreign industry, he intends only his own security; and by directing that industry in such a manner as its produce may be of the greatest value, he intends only his own gain, and he is in this, as in many other cases, led by an invisible hand to promote an end which was no part of his intention. Nor is it always the worse for the society that it was no part of it. By pursuing his own interest he frequently promotes that of the society more effectually than when he really intends to promote it. I have never known much good done by those who affected to trade for the public good. (boek 4, hoofdstuk 2). ("... ieder individu werkt noodzakelijkerwijs om de jaarlijkse opbrengst van de samenleving zo groot mogelijk te maken. Inderdaad, over het algemeen bedoelt hij niet het publieke belang te dienen, noch weet hij hoeveel hij het dient. Met zijn voorkeur voor het steunen van binnenlandse boven buitenlandse bedrijvigheid, heeft hij alleen zijn eigen welzijn voor ogen; en bij het richten van deze bedrijvigheid op een zodanige wijze dat de opbrengsten van maximale waarde zijn, heeft hij alleen zijn eigen profijt voor ogen, en hierin wordt hij, evenals in vele andere gevallen, gestuurd door een onzichtbare hand om een doel te bevorderen dat geen onderdeel vormde van zijn intentie. Noch is de samenleving altijd slechter af omdat het daar geen onderdeel van vormt. Door het nastreven van zijn eigen belang bevordert hij vaak dat van de samenleving effectiever dan wanneer hij bedoelde dat te bevorderen. Ik kan niet veel goeds noemen dat gedaan is door hen wier voorkeur uitgaat naar handel voor het publieke belang.")
In deze passage uit Boek IV Hoofdstuk 2 zet Adam Smith een van de centrale mechanismes uiteen hoe een marktsamenleving volgens hem werkt. Elk individu werkt om een inkomen te hebben om producten te kopen, waarbij hij zijn eigen veiligheid en voordeel voor ogen heeft. Dit is niet slecht noch erg, omdat hij daarbij - zonder dat dit zijn intentie is - ook vaak het publieke belang dient. Adam Smith zag de "onzichtbare hand" als het mechanisme waarbij een weldadige God een universum beheert. Een universum waarin menselijk geluk wordt gemaximaliseerd. In zijn boeken maakt hij duidelijk dat een aanzienlijke structuur van regulering en instellingen noodzakelijk is om de "onzichtbare hand" efficiënt te laten werken.
Weerbaarheid van de markt Anderzijds echter verwijst "de onzichtbare hand" ernaar dat de markt in staat is om zich, zonder interventie door een regering of andere organisaties, te verdedigen tegen ogenschijnlijk rampzalige toestanden. Smith zelf gebruikte de term "onzichtbare hand" niet in deze betekenis. Bijvoorbeeld: Smith zegt dat als zich een tekort van een product zou voordoen, de prijs van dit product zou stijgen, waardoor er een stimulans wordt gecreëerd om het te produceren en de consumptie te doen dalen en zo het tekort weg te werken.
De verhoogde concurrentie tussen de producenten en de gestegen voorraad zou de prijs van een product eveneens doen dalen naar zijn productieprijs plus een kleine winstmarge, de "natuurlijke prijs". Smith was ervan overtuigd dat, hoewel mensen vaak door egoïsme en hebzucht gedreven werden, de concurrentie in de vrijemarkteconomie de gemeenschap als geheel ten goede komt. Dit werd later aangepast als een universeel principe door de laissez-faire-economen van de 19de eeuw.
Regulering? Smith beweert niet dat de vrije markt alle economische problemen kan oplossen. Bijvoorbeeld met betrekking tot regulering zegt hij:
Whenever the legislature attempts to regulate the differences between masters and their workmen, its counsellors are always the masters. When the regulation, therefore, is in favour of the workmen, it is always just and equitable; but it is sometimes otherwise when in favour of the masters. (boek 1, hoofdstuk 10). ("Telkens als de wetgevende macht probeert de verschillen tussen werkgevers en hun werknemers te regelen, zijn de raadgevers altijd de werkgevers. Wanneer de regeling ten gunste van de arbeiders is, is ze dan ook altijd rechtvaardig en billijk, maar ze is dat soms niet wanneer ze in het voordeel van de werkgevers is.")
In The Wealth of Nations stelt Smith dat de regulering door de overheid van de private sector niet een kwestie van wellus-niets is maar een kwestie van de balans Herstellen en behouden.
The obvious and simple system of natural liberty establishes itself of its own accord... The sovereign [i.e., politician] is completely discharged from a duty, in the attempting to perform which he must always be exposed to innumerable delusions, and for the proper performance of which no human wisdom or knowledge could ever be sufficient: the duty of superintending the industry of private people. (boek 4, hoofdstuk 9).
("Het evidente en eenvoudige stelsel der natuurlijke vrijheid vestigt zich eigener beweging... De soeverein (dat wil zeggen de politicus) is geheel ontheven van een taak, waarvan de uitvoering hem noodzakelijkerwijs zal blootstellen aan talloze dwalingen, en voor de uitvoering waarvan geen menselijke wijsheid of kennis ooit toereikend zou kunnen zijn - de taak om toe te zien op de nijverheid van privé-personen.")
Smith waarschuwt in de conclusie van Boek I voor de samenzwering tegen het publiek (en de vrije markt) door machtige economische belangen die van het gebrek aan kennis bij de wetgevende macht gebruik maken om hun eigenbelang tot publiek belang te verheven.
"Their superiority over the country gentleman is not so much in their knowledge of the public interest, as in their having a better knowledge of their own interest than he has of his. It is by this superior knowledge of their own interest that they have frequently imposed upon his generosity, and persuaded him to give up both his own interest and that of the public, from a very simple but honest conviction that their interest, and not his, was the interest of the public. The interest of the dealers, however, in any particular branch of trade or manufactures, is always in some respects different from, and even opposite to, that of the public. To widen the market and to narrow the competition, is always the interest of the dealers. To widen the market may frequently be agreeable enough to the interest of the public; but to narrow the competition must always be against it, and can serve only to enable the dealers, by raising their profits above what they naturally would be, to levy, for their own benefit, an absurd tax upon the rest of their fellow-citizens."
Boek I van de Wealth of Nations eindigt met de volgende paragraaf over hoe moet worden aangekeken tegen voorstellen voor wetten en regulering, die afkomstig zijn van de ondernemende klasse (the third order).