Adrien HuetBij geboorte Amsterdam 1836, huwelijk Dordrecht 1881 en overlijden Hof van Delft 1899 heet hij bij de burgerlijke stand gewoon Adriaan. (Amsterdam, 15 april 1836 – Delft, 5 juni 1899) was een Nederlands ingenieur, en hoogleraar werktuigbouwkunde aan de Polytechnische School te Delft.
Huet wordt beschouwd als de nestor van de Nederlandse werktuigbouwkunde. In vijfendertig jaar aan de Polytechnische school te Delft leidde Huet de eerste generaties wetenschappelijke geschoolde werktuigbouwers in Nederland op. Naast onderwijs heeft hij jaren gewerkt aan civiel technische plannen, met name omtrent een open verbinding van Amsterdam met de Noordzee.
Huet schreef een groot aantal publicaties, waarin hij zijn civiel-technische ontwerpen bleef promoten. Hij schreef ook enige werken over zijn eigen werktuigbouwkundige ontwerpen; over de Koninklijke Academie te Delft, de Polytechnische School en hoger onderwijs; en over arbeidsomstandigheden.
Levensloop Jeugdjaren en opleiding thumb|left|Het Doelenhuis in Schoonhoven. Adrien Huet was een zoon van Pierre Josué Louis Huet en Geertuida Paulina Aletta Ledeboer.C.D. Goudappel, E.J. Marico, H.K. Nagtegaal en D. Wijbenga. Genealogische en Historische Encyclopedie van Delft, deel I, (1984), blz. 125, 126. Zijn vader was Waals predikant te Amsterdam uit een familie van Waalse predikanten,; De familielijn van Waalse predikanten gaat vier generaties terug naar Gedeon Huet (Montargis, 1654 - Den Haag, 24 mei 1729) die overleed toen Adrian Huet 10 jaar oud was. Na de lagere school zat hij op de kostschool van G.H. Westbroek te Schoonhoven in het Doelenhuis (zie afbeelding).HJC van Rijlaarsdam (2010), Een dubbele taak: G.H. Westbroek, stadsonderwijzer en kostschoolhouder te Schoonhoven.. Gearchiveerd op 17 november 2015.
Omdat Huet ingenieur wilde worden, bezorgde zijn moeder hem een leer- en werkplek bij de Koninklijke Fabriek van Stoom en andere Werktuigen, de machinefabriek van Paul van Vlissingen en Dudok van Heel te Amsterdam, die later Werkspoor werd.Johan Christoffel Ramaer. "Levensschets van prof. ir. A. Huet," De Ingenieur, Volume 35, (1920), p. 271-273; Daarna gepubliceerd in: P.J. Blok en P.C. Molhuysen (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 6, Deel 6. A.W. Sijthoff, Leiden 1924. Gearchiveerd op 7 december 2021. In de opvolgende vijf jaar werkte Huet als gewone arbeider, en soms als opzichter, bij verschillende afdelingen van de fabriek. Hierbij kreeg hij een inzicht in werktuigen als op die leeftijd slechts aan weinig ingenieurs ten deel valt. De ingenieur van de fabriek F. W. Brade, oud-genie-officier, wijdde hem verder in allerlei geheimen der werktuigkunde in. thumb|Koninklijke Fabriek van Stoom en andere Werktuigen, 1876 In de avond werd hij onderwezen in wiskunde en werktuigkunde door R. van der Weerd, die in die tijd voor de Volksbibliotheek-boekenreeks een boekje had geschreven over rekenkunde.Volksbibliotheek, No. 1. Rekenkunde, door R. van de Weerd. Te Amsterdam, bij Weytingh en van der Haart. In post 8vo. 32 bl., bij inteek. f :-22½, buiten inteek. f :-25. Gearchiveerd op 4 maart 2016. Van september 1856 tot augustus 1857 ontving Huet in Amsterdam privaatonderwijs in hogere wiskunde, mechanica en natuurkunde van Franciscus Johannes Stamkart om zich voor te bereiden op het hoger onderwijs.
In september 1857 begon Huet aan de Koninklijke Academie te Delft. Na een afgelegd examen werd hij op gezag van Gerrit Simons onmiddellijk in het tweede studiejaar geplaatst. In de kerstvakantie werd hem echter medegedeeld, dat hij tot het derde studiejaar overging. Anderhalf jaar later, in de zomer van 1859, deed hij met goed gevolg het eindexamen voor civiel ingenieur. Na slechts twee jaren studie aan de Koninklijke Academie verwierf hij het diploma, en dat was iets dat voor en na hem nimmer door enig leerling is gedaan.
Studiereis na zijn opleiding Na zijn afstuderen maakte Huet een langere studiereis naar het buitenland, in het bijzonder naar Engeland. Huet beschouwde dit de afronding van opleiding, en schreef hierover in 1871:
Op zijn studiereis bestudeerde Huet vooral het werktuigkundige vak; tal van fabrieken van allerlei soort werden door hem bezocht, terwijl hij ook zijn aandacht wijdde aan de Engelse havens. In Liverpool kwam voor het eerst het denkbeeld bij hem op, dat voor zijn geboortestad Amsterdam een open verbinding met de zee een groot voordeel zou zijn. Na afloop van zijn reizen was hij nog anderhalf jaar als ingenieur aan bovengenoemde fabriek te Amsterdam werkzaam.
Docentschap aan Polytechnische school thumb|Herdenking van de sluiting van de Delftse Academie aan de Oude Delft 95 op 30 juni 1864. In dit pand ging ook de Polytechnische school van start. thumb|Uitbreiding van de Polytechnische School aan de Westvest 9 sinds 1865. Hier werd de werktuigbouw opleiding ondergebracht. In 1864 opende de Polytechnische School te Delft, die in plaats kwam van de Koninklijke Academie te Delft. Deze school ging meerdere opleiding bieden, waaronder: bouwkunde, weg- en waterbouwkunde, werktuigbouwkunde, mijnbouw, scheepsbouw en chemische technologie.
Bij koninklijk besluit van 29 juni 1864 werd Huet benoemd tot leraar voor de werktuigbouw opleiding. De verwachting van deze opleiding waren niet hoog gespannenDisco, Nil. 'De wetenschap om de Delftse toga. Een verhaal van benoemingen en herbenoemingen.' Gewina/TGGNWT 16.3 (1993), p. 266 Het begon in 1864 met 8 leerlingen. Het aantal leerlingen groeide geleidelijk tot 95 in 1895, en groeide daarna explosief tot 440 in 1904.Verbong, G. P. J. 'Delftse ingenieurs tussen wetenschap en industrie (1874-1900).' Gewina 16.3 (1993). p. 137 Huet werd als leraar belast met het onderwijs in de werktuigbouwkunde en de kennis der werktuigen. Het mechanica-onderwijs werd verzorgd door de hoogleraren Lewis Cohen Stuart en Ryklof W. van Goens,Harry Lintsen, Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel V, (1994), p. 142. Gearchiveerd op 6 maart 2021. en werktuigleer werd gegeven door Cohen Stuart in samenwerking met hoogleraar Van Geuns.Disco (1993, p. 264)Het betreft hier waarschijnlijk chemisch technoloog Wolfert Abraham Johannes van Geuns (1828-1891), die in 1853 was gepromoveerd onder Gerardus Johannes Mulder. Prof Van Geuns gaf les van 1864 tot c. 1872.
In 1867 was het aantal ingeschreven studenten voor de werktuigbouwstudie meer dan verdubbeld, en nam Peter Dietrich Grothe, de hoogleraar in de mechanische technologie, de lessen in kennis van werktuigen over van Huet. Huet richtte zich daarop verder volledig op het onderwijs in de werktuigbouwkunde. Naast Grothes werd in 1876 de ingenieur H.A. Ravenek (1848-1910) aangesteld als leraar. Hij was acht jaar eerder, in 1868, de eerste afgestudeerd in werktuigbouwkundige aan de Polytechnische School te Delft, en had daarna gewerkt bij de Artillerie Werkplaatsen in Delft. Drie jaar later in 1879 werd Ravenek tot hoogleraar benoemd, waarbij Huet feitelijk werd gepasseerd.
Eerst bij Koninklijk besluit van 18 februari 1896 werd Huet tot hoogleraar benoemd. Huet was in eerste instantie gedwongen om aan twee studiejaren tegelijk college te geven. In september van dat jaar kwam daaraan een eind door de benoeming van een derde hoogleraar, J. Grundel.Prof. ir. J. Grundel (10.7.1857 - 30.7.1943), bron: De Ingenieur, Vol. 57, Nr. 1-13 (1945), p. 126. Grundel was zelf afgestudeerd aan de Polytechnische school in werktuigbouwkunde in 1880, en was werkzaam geweest in de industrie. Hij zou uiteindelijk nog geen vier jaar les geven, en nam in december 1899 ontslag.Disco (1993, p. 261-271).
In zijn laatste levensjaren schreef Huet vele opstellen in dag- en weekbladen, meestal tot promotie van zijn denkbeeld omtrent de Noordzee voor Amsterdam, of van zijn ontwerp tot drooglegging der Zuiderzee. Hij gaf ook vele lezingen op de door hem opgerichte vereniging, genaamd Leeghwater.
Een voor hem zeer aangenaam succes had Huet bij het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs (KIvI), toen hij in de vergadering van 13 juni 1889 voor drie jaar tot bestuurslid gekozen werd, niettegenstaande hij niet de kandidaat van het bestuur was.
Op 1 juni 1899 kreeg hij, terwijl hij druk in de examencommissie voor ingenieurs werkzaam was, en in de morgen van die dag nog verscheidene uren tekenwerk van de kandidaten had nagezien, een beroerte, waaraan hij kort daarna overleed.
Personalia Huet trouwde op 16 juli 1881 zijn nicht Charlotte Elisabeth Busken Huet (1838-1926), de zuster van de predikant en schrijver Conrad Busken Huet.Olf Paamstra, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Hague, Netherlands) Conrad Busken Huet, 1986. p. 1881 Huet en zijn vrouw hadden een dochter, die de graad van meester in de rechten verworven heeft, en te Leiden werkzaam is geweest.
Werk Sinds het begin van de jaren 1860 heeft Huet zich als civiel technisch ingenieur gemanifesteerd met presentatie en geschriften. De voornaamste onderwerpen hierbij waren een open verbinding van Amsterdam met de Noordzee, de Nieuwe Waterweg in Rotterdam, en de inpoldering van de Zuiderzee. Van der Pols & Verbruggen vatte samen:
Als zijn grootste verdienste wordt echter gezien de succesvolle opbouw van de werktuigbouwkundestudie aan de Polytechnische School te Delft. Toen hij daar begon in 1864 was dit een nieuw vak, waaraan hij zelf vorm heeft gegeven.
Goudappel e.a. (1984) voegt hier aan toe: "Ook bepleitte hij in zijn geschriften dat de Polytechnische School, die in feite hoger onderwijs gaf, zou worden omgezet in een Technische Hogeschool. Dat heeft hij niet mogen beleven. Van de vereniging Leeghwater was hij de oprichter. Tot zijn nagedachtenis is in het Kalverbos een stenen bank met medaillon-portret geplaatst."
Open verbinding Amsterdam met Noordzee In 1862 had Huet zijn eerste belangrijke publieke optreden. In de vergadering van het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs (KIvI) van 11 februari 1862 verdedigde Huet zijn denkbeeld van een open verbinding van Amsterdam met de Noordzee. Terwijl van regeringswege een kanaal met sluizen ongeveer in rechte lijn van Amsterdam naar de Noordzee ontworpen was en een (later uitgevoerd) ontwerp van een Engelse maatschappij daaraan de drooglegging der overblijvende IJ-gronden wilde verbinden, wenste Huet een open waterweg ongeveer in dezelfde richting aangelegd te zien. Tezelfdertijd schreef hij aan de toen juist aangetreden minister van binnenlandse zaken Thorbecke, dat de hoofdzaak betreffende de verbinding van Amsterdam met de Noordzee niet behoorlijk was onderzocht, wat hij ook in de voordracht gezegd had. thumb|560px|Open verbinding van Amsterdam met de Noordzee door Adrien Huet, 1891 thumb|560px|Ontwerp open verbinding van Amsterdam met de Noordzee door Adrien Huet, 1891 (2) In de vergadering van het KIvI van 12 juni 1862, zette Huet zijn mening omtrent dit onderwerp nader uiteen. In die van 11 november 1862 trad de inspecteur van den waterstaat F.W. Conrad op om het denkbeeld te bestrijden. Deze nam aan hetgeen Huet weleens gezegd, maar niet geschreven had, dat de doorgraving 1000 meter breed moest worden. Daarnaast maakte hij een globale begroting, die op 156 miljoen kwam, waarbij dan nog voor onteigening, verhoging van dijken en herstel van de gemeenschap ter land 44 miljoen toe te voegen was, zodat de gehele uitgave 200 miljoen zou bedragen. Bovendien herhaalde Conrad een vroeger reeds geopperd bezwaar, dat het Texelse zeegat door de aanleg zou achteruit gaan, terwijl hij het kanaal ook voor de militaire verdediging niet gewenst achtte. Veel later heeft Huet als breedte van de doorgraving, die toen echter tevens rivier zou zijn, genoemd: bij Amsterdam 700, aan zee 900 meter.