thumb Dyeus (*dyéus phaterDe asterisk geeft een hypothetisch, gereconstrueerd woord weer.; IPA: ['djɛ:us 'patɛr]; spreek uit: 'djè-oes 'pa-tèr; 'hemelvader') is de hypothetische oppergod en hemelvader in de Proto-Indo-Europese religie die bestaan zou hebben rond het vierde millennium v.Chr.Gamkrelidze & Ivanov 1995, p. 761. Hij is sinds de negentiende eeuw gereconstrueerd door filologen en mythologen op basis van vergelijkend taalkundig en mythologisch onderzoek naar de diverse Indo-Europese talen en tradities. Dat Indo-Europeanen vermoedelijk in een hemelvader geloofd hebben, wordt onderbouwd door het karakter van het gereconstrueerde pantheon, de Indo-Europese woordenschat, de vele hemelgoden in geboekstaafde tradities, en de kenmerken daarvan.
Dyeus was in de ogen van de Indo-Europeanen de vergoddelijkte hemel en keek als zodanig op de wereld neer. Zodoende werd hij waarschijnlijk als alwetend en alziend beschouwd, en per implicatie zag hij mogelijk toe op de morele orde. Hij heerste over de dag, maar niet over de nacht. Wellicht werd hij in de mythologie voorgesteld als de hemelvader die zich verenigde met de aardgodin, waaruit het leven voortkwam. Zijn titel is dan ook vader, en diverse goden worden tot zijn kinderen gerekend. Zijn natuur maakt hem echter een abstracte godheid, waardoor hij diverse karakteristieken heeft ontwikkeld in diverse religies. Soms is zijn associatie met de zon sterk gegroeid, soms ook heeft hij de eigenschappen van de Indo-Europese dondergod overgenomen, en soms is hij geheel naar de achtergrond verdrongen van de mythologie.
Onderzoek heeft onvoldoende duidelijk gemaakt hoe het Indo-Europese materiaal zich verhoudt ten opzichte van omringende, niet-Indo-Europese culturen. Zo kenden ook niet-Indo-Europese culturen een vergoddelijkte hemel. Ook is onduidelijk of er sprake is van een zuiver Proto-Indo-Europese oorsprong, of van een latere ontwikkeling binnen bijvoorbeeld enkele takken van de taalfamilie, of van (zeer vroege) ontlening van naburige culturen. De hemel als godheid komt wereldwijd in veel religies voor. Enerzijds sluit dat latere, onafhankelijke ontwikkelingen niet uit, maar anderzijds gebruikt men dit feit als argument voor de stelling dat Indo-Europeanen hem dan vermoedelijk ook gekend hebben.
Indo-Europese studies thumb|340x340px|De moderne spreiding van Indo-Europese talen. Sinds de zestiende eeuw zijn overeenkomsten opgemerkt tussen Indo-Europese talen, zoals het vroeg gedocumenteerde Sanskriet, Oudperzisch, Grieks en het Latijn. Echt onderzoek naar taalverwantschap volgde in de vroege negentiende eeuw. Indo-Europees werd voor het eerst gebruikt als aanduidingen voor de taalfamilie in 1813.West 2007, p. 1. Sindsdien is door vergelijkend, historisch-taalkundig onderzoek de verwantschap tussen bijvoorbeeld Baltische, Slavische en Indo-Iraanse talen vastgesteld, en is het hypothetische Proto-Indo-Europees gereconstrueerd.
Een taal veronderstelt een taalgemeenschap. Die gemeenschap had een bepaald intellectueel erfgoed, waaronder religie.West 2007, pp. 2-5; Watkins 1995, p. 7. Taalkundig onderzoek is echter eenvoudiger dan mythologisch onderzoek, omdat taalverandering regelmatiger is dan mythologische en religieuze verandering. Zo is in het oud-Griekse pantheon alleen Zeus duidelijk Indo-Europees in functie en naam. Verder is een enkele parallel tussen bijvoorbeeld een Griekse en een Indiase mythe onvoldoende om een Indo-Europese oorsprong aan te nemen. Culturen kunnen bijvoorbeeld goden en mythen van elkaar overnemen (horizontale transmissie). Reconstructies zijn beter indien ze gebaseerd zijn op materiaal uit veel verschillende gebieden, bijvoorbeeld Scandinavië tot en met India.West 2007, p. 20, p. 23. Die spreiding lijkt op te gaan voor de Indo-Europese dondergod.
Mythologisch onderzoek begon in de negentiende eeuw. Folkloristen en taalkundigen, zoals Jacob Grimm en Hermann Hirt, zagen verwantschap tussen geattesteerde goden in het Indo-Europese cultuurgebied. Onder invloed van de evolutietheorie veronderstelden godsdiensthistorici, zoals James Frazer, aan het begin van de twintigste eeuw dat religie zich van primitief naar abstract had ontwikkeld, een vorm van culturele evolutie die bekendstaat als unilineaire of eenlijnige evolutie. Zo zouden oeroude goden enkel metaforen zijn voor natuurfenomenen in een animistische context. Dyeus representeert dan de hemel. Leopold von Schroeder stelde een middenweg voor. Volgens hem kenden de Indo-Europeanen een triade: de hoogste god (geloof in een opperste geest), de natuurgod (aanbidding van de natuur) en de zielsgod (geloof in de ziel, voorouders etc.). Volgens dit schema gold Dyeus als het hoogste principe.Arvidssen 2006, pp. 160-161; Von Schroeder 1914, I, p. 455. Georges Dumézil suggereerde met zijn onderzoeken niettemin een oude maar goed ontwikkelde, Indo-Europese religie.Arvidsson 2006, pp. 138-139. Voor hem en anderen gold de religie als een afspiegeling van een triadische sociale structuur: de priesterklasse, krijgersklasse en boerenklasse. De hemelgod zou passen bij de priesterklasse.
Veel theorieën zijn achterhaald. Het probleem bij Dumézils triadische indeling is onder andere dat de gereconstrueerde goden zoals de Hemelvader, Zon en Dageraad niet goed in de categorieën passen. Daarnaast is er meer aandacht voor de structuur van mythen rondom goden en helden, en voor de verschillende, soms genuanceerde functies daarvan. Het taalkundige onderzoek staat verder door onder andere de ontcijfering van het Tochaars en Anatolische talen zoals het Hettitisch, twee aparte, uitgestorven takken van de taalfamilie. De laatste tak heeft nieuwe informatie opgeleverd voor de reconstructie van Dyeus.
Indo-Europese hemelvaders thumb|Zeus is de Griekse afspiegeling van de Indo-Europese hemelvader. In de Griekse godsdienst nam hij eigenschappen van Ouranos en de Indo-Europese dondergod over. thumb|Een Indiase schildering die de held Bhisma laat zien. Hij is waarschijnlijk de vermenselijkte afspiegeling van Dyaus. Naast de dondergod Perkwunos is Dyeus voor indo-europeanisten een zekere reconstructie van het Proto-Indo-Europese pantheon. Dat er een vereerd moet zijn geweest, wordt vermoed door de aanwezigheid van hemelvaders in veel takken van de Indo-Europese taalfamilie. Indo-Europeanisten nemen aan dat de distributie qua tijd en plaats dusdanig is, dat de kans op overname uit naburige culturen (horizontale verbreiding) nihil is. De volgende, latere Indo-Europese hemelvaders zijn gekend, en gelden als representaties van Dyeus.Genomen uit West 2007, pp. 166-173; Mallory & Adams 1997, p. 231; Gamkrelidze & Ivanov 1995, pp. 692-693. Indo-Europese takGodenAlbaneesPerëndi (verwantschap onzeker)AnatolischHettitisch: attaš Sius; Luwisch: tatiš Tiwaz; Palaïsch: Tiyaz papazBaltischLitouws: Diēvas; Lets: DievsBythinischPapías, PappṓosDe tilde − geeft verlenging van de klinker aan. De ṓ staat bijvoorbeeld voor een gerekte o-klank, terwijl het accentteken klemtoon aangeeft. (verwantschap mogelijk)GermaansWest-Germaans: Wodan; Noords: Odin (bij beiden is verwantschap onzeker)GrieksZeus páter (genitief Diwós); Myceens: diweIersDagdae (Oll-athair)IllyrischDeipaturosBij de Stymphaioi in Epirus, vermeld door Hesychius (δ 521).; Messapisch: ZisWest 2007, p. 317, noot 18.IndiaasDyáus pitá; BhismaItalischLatijn: Jupiter/Jove (Dius piter; Oudlatijn: Diovis); Marrucinisch: Ioves patres; Oskisch: Diúvéi/Dípatír; Oskisch-Umbrisch: Dipoteres (genitivus); Umbrisch: Iupater/Iuve patreOudrussischStribogu (verwantschap onzeker)ScythischPapaiosVermeld door Herodotus, Historiën, 4.59.2. (verwantschap mogelijk)
Analyse Binnen Indo-Europese studies is Dyeus de gebruikelijke naam voor de hemelvader. *Dyéus phater kan worden vertaald als 'hemelvader' of als 'godvader'. In het Proto-Indo-Europees zijn woorden voor 'dag', 'hemel' en 'god' namelijk verwant. Op de reconstructie *dyeus phater bestaan (kleine) variaties. De Encyclopedia of Indo-European geeft di̯ḗus pḥatér. De [i̯] is gelijk aan de Nederlandse j en Engelse y; [ḗ] is een gerekte en klemtoondragende [e]; ha is een niet nader te reconstrueren laryngaal die de erop volgende [e] in [a] veranderde.Mallory & Adams 1997, p. 230. De Russische taalkundigen T.V. Gamkrelidze en V.V. Ivanov geven *tyeu(s)-phḤther-. De superscript h duidt op aspiratie; H is een niet te reconstrueren laryngaal.Gamkrelidze & Ivanov 1995, p. 692. P. Jackson *di̯ḗṷs ph2tḗr. De h2 is een niet te reconstrueren laryngaal die de erop volgende [e] in [a] veranderde.Jackson 2002, p. 66. Het Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch geeft di̯ēus-pətēr, waarbij [ə] een sjwa is.Pokorny 1959, lemma: dei-1.
Het Proto-Indo-Europese woord voor 'heldere hemel' en de lucht bij daglicht is *diw- of *die-. Hieruit ontstonden woorden voor 'dag' (zelf cognaat), 'schijnen' en 'god' binnen diverse dialecten van de proto-taal. Vandaar bijvoorbeeld het Oudierse dia 'dag', Latijnse dies 'dag', Armeens tiw 'dag' en Hettitische siwat 'dag'.Mallory & Adams 1997, p. 149. In het Middel-Indo-Europees ontstond uit *die(w)- het woord *deiwós, 'god', letterlijk 'hemelse' of 'oplichtende'. Vandaar onder meer het Vedische deva, Frygische devos, Latijnse deus en Proto-Germaanse *tiwaz, bewaard in de naam Tyr.West 2007, p. 120. De wortel *die(w)- kreeg de verlenging -u-, met verzwakking van de [i].Klanksymbolen staan volgens het IPA tussen vierkante haken. De ontstane stam *dyeu- verwees naar de vergoddelijkte heldere hemel. De Indo-Europese naamvalsvormen waren wellicht als volgt:Uit Pokorny 1959, lemma: dei-1. NaamvalMiddel-Indo-EuropeesOudindischOudgrieksNominativus*dyēusD(i)yáusZeusAccusativus*dyēumD(i)yām (Divam)Zên (Diwa)Vocativus*dyēuD(i)yausZeūLocativus*dyeuwi / dyēuDyáviDiwíDativus*diwéiDivéDiwé (Myceens: di-we)Genitivus*diwésDivásDiwósHet Indo-Europees had een formeel woord voor 'vader', namelijk *ph2tér. Vandaar onder andere het Oudierse athair, Latijnse pater, Nederlandse vader, Armeense hayr, Oudindische pitar en Tochaarse pacar. Daarnaast bestonden informele woorden, zoals *papa. Gezien de grote verbreiding van beide woorden, zijn ze waarschijnlijk Proto-Indo-Europees.Mallory & Adams 1997, pp. 194-195.
Reconstructie thumb|De heldere hemel is vermoedelijk al sinds de vroege steentijd voorwerp van verering. Men vermoedt dat de hemel reeds in het paleolithicum werd vergoddelijkt en vereerd. De reden voor de vermoede ouderdom is enerzijds omdat mythen die met de hemel verband houden, doorgaans oud zijn, en anderzijds omdat de hemel altijd overal duidelijk aanwezig is. De hemel is dus een primair onderdeel van de wereld, met onweer, storm, regen, kometen, regenbogen en eeuwige sterren en hemellichamen. Dat alles lag buiten de invloedssfeer van de mens, maar andersom had de alles overkoepelende hemel met bijvoorbeeld regen en zon wel invloed op het aardse leven.Armstrong 2005, pp. 17-20. Daarom is het oude geloof in een hemelgod plausibel. Vergelijkend onderzoek suggereert een vroeg geloof in een hemelgod bij zowel de Indo-Europeanen als Semieten, waar hij nu eens gold als opperwezen van de stam, vaak abstract en passief, of als schepper en bestuurder van de kosmos.Zie de studie van E.O. James 1963. I.P. Culianu, in Eliade (ed.) lemma Sky, deel 12, p. 344.