Operatie Seydlitz was een serie van gevechten aan het oostfront tijdens de Tweede Wereldoorlog tussen het Duitse 9e Leger en het Kalininfront. Na de Slag om Moskou bevonden zich verschillende Sovjetlegers in de achterhoede van Heeresgruppe Mitte, waardoor ze een bedreiging voor de bevoorradingslijnen vormden. In de buurt van Rzhev en Bely bevonden zich het 39e Leger en het 11e Cavaleriekorps. Het onherbergzame terrein, bestaande uit bossen en moerassen, was in het voordeel van de verdedigers. Kolonel-generaal Model kreeg de opdracht om deze eenheden te vernietigen. Op 2 juli begon het 9e Leger zijn offensief, waarbij gebruik werd gemaakt van een Duitse cavaleriebrigade. De Duitsers sloten alle ontsnappingsroutes af en daarna werd de pocket in twee delen gesplitst. Na hevige gevechten gaven de laatste Sovjets zich op 13 juli over.
Situatie juli 1942 Op 22 juni 1941 ging Operatie Barbarossa, de inval in de Sovjet-Unie, van start. Aanvankelijk behaalde Heeresgruppe Mitte overwinningen bij Minsk, Smolensk en Vjazma, maar begin december waren de Duitse legers vastgelopen in de sneeuw aan de rand van Moskou. De Duitse soldaten waren niet voorzien op de winter. Vanaf de Zwarte Zee tot aan Leningrad zette Jozef Stalin een tegenoffensief in, maar vooral in het centrale gedeelte van het front boekten de Sovjets succes.
Ondanks de sneeuwstormen en de voortdurende druk van de Sovjetlegers bleef het 9e Leger een georganiseerde strijdmacht. De Duitsers ontruimden Kalinin en trokken zich langzaam naar het westen terug. Na lang aarzelen had Adolf Hitler toegestemd in deze terugtocht, maar op 20 december 1941 beval hij om de terugtocht te staken. De Duitse legers moesten zich ingraven en standhouden waar ze zich bevonden. Ze concentreerden hun verdediging op de steden en de tussenliggende spoorwegen.
1ste Rzhev-Vjazma-offensief thumb|Ontstaan van de Rzhev-saillant in januari 1942
Door het Führer-bevel om stand te houden, verbrokkelde de Duitse verdediging. Onder leiding van generaal Zjoekov probeerden de Sovjets Heeresgruppe Mitte te omsingelen, waarbij het Kalininfront de rechtervleugel van de tangbeweging vormde. Het Duitse 9e Leger bevond zich in het pad van het Kalininfront.
Het Kalininfront sloeg verschillende bressen in de Duitse linie en door deze openingen stuurde generaal Konev zijn legers naar het westen. Het Duitse 23e Legerkorps hield stand in Olenino, maar ten noorden en ten zuiden van hun positie waren de Sovjetlegers doorgebroken. Het 39e Leger viel Sychevka aan, het 11e Cavaleriekorps rukte op naar Vjazma en het 29e Leger lag ten westen van Rzhev.
Meer naar het noorden was de situatie voor de Duitsers nog erger. Tussen Heeresgruppe Nord en Heeresgruppe Mitte gaapte een bres van meer dan honderd kilometer. Door deze bres was het Kalininfront opgerukt tot aan Velikiye Luki, Velizj en Demidov. Hierdoor was een grote uitstulping ontstaan in het front, maar de sneeuw en het terrein bemoeilijkten een verdere opmars. De Duitsers hielden echter de belangrijkste knooppunten in handen zodat de bevoorrading van de doorgebroken legers erg moeizaam verliep. thumb|Duitse infanteristen
Begin januari 1942 kreeg generaal Model het bevel over het 9e Leger. Onmiddellijk begon hij met een actieve verdediging. Hij kreeg als versterking de 1e Pantserdivisie, die hij in de strijd wierp nabij Sychevka. In plaats van grote – en vaak onrealistische - offensieven te plannen, begon generaal Model met kleine operaties. Nadat de bedreiging van Sychevka was verdwenen, dichtte hij de opening in het front bij Rzhev. Daarna begon hij systematisch de doorgebroken Sovjetlegers aan te pakken. Hij kreeg het 46e Gemotoriseerde Korps van het 3e Pantserleger. Dit korps viel op 30 januari aan vanuit Sychevka naar Olenino en sneed het 29e Leger af van de rest van het Kalininfront.
Ondanks verwoede pogingen van generaal Konev slaagden de Sovjets er niet in om de omsingeling te verbreken en op 20 februari was het leger vernietigd. Daarna begon generaal Model een aanval tegen het 39e Leger. In een zogenaamde "slakkenoffensief" veroverde de 6e Pantserdivisie systematisch dorp na dorp en duwde de Sovjets steeds verder weg van de spoorweg Vjazma – Rzhev. Tegen eind maart 1942 was de frontlijn meer dan 40 kilometer opgeschoven en de spoorlijn lag buiten het bereik van het 39e Leger. De aanwezigheid van dit leger vormde echter nog steeds een bedreiging voor de achterhoede van het 9e Leger. Samen met de andere legers van het Kalininfront bleef dit leger verwoede pogingen doen om de Duitse troepen nabij Olenino te vernietigen.
De spoorlijn Smolensk - Vjazma - Rzhev vormde de bevoorradingslijn voor het 9e Leger, het 4e Leger en het 3e Pantserleger. Zolang de Duitsers de spoorweg in handen hielden, konden ze hun troepen in de Rzhev-saillant bevoorraden. Deze saillant vormde een bedreiging voor Moskou, want hij bevond zich op slechts 200 kilometer van de hoofdstad.
In maart 1942 zette de dooi in. De harde ondergrond veranderde in modder en de onverharde wegen waren niet meer begaanbaar. Deze raspoetitsa maakte elke verplaatsing moeilijk en tijdrovend. Het Duitse opperbevel begon opnieuw de mogelijkheid te bestuderen om de verbinding tussen Heeresgruppe Mitte en Heeresgruppe Nord te herstellen. Indien deze aanval slaagde, dan zou het Kalininfront zijn vernietigd en meer dan de helft van het gebied dat ze hadden moeten opgeven in de winter, zou terug worden veroverd. Kolonel-generaal Model wees er echter op dat hij niet over voldoende troepen beschikte en dat in het aanvalsgebied bijna geen wegen lagen. Wegens het geplande offensief van Heeresgruppe Süd waren er geen versterkingen meer beschikbaar en uiteindelijk liet het OKW het plan varen.
thumb|Raspoetitsa, maart 1942 Zodra de wegen weer enigszins begaanbaar waren, verplaatste veldmaarschalk Günther von Kluge zijn aandacht naar de rechterflank van Heeresgruppe Mitte. In twee kleinere operaties (Hannover I en Hannover II) vernietigde het 4e Leger het 1e Cavaleriekorps, het 33e Leger en het 4e Luchtlandingskorps ten zuidwesten van Vjazma. Daarna verplaatste hij zijn reserves naar de linkerflank, waar het 9e Leger de opdracht had gekregen om het 39e Leger te vernietigen.
Duitse zijde Aan het einde van april 1941 had de frontlijn van het 9e Leger de vorm van een vinger, waarvan de tip naar het westen wees. De Duitsers verdedigden een gebied tussen Smolensk-Vjazma-Rzjev-Olenino. Hoewel tussen Olenino en Otsjakiv nog steeds een bres lag van 120 kilometer, vormden de stellingen van het 9e Leger een gesloten frontlijn van Olenino naar Rzjev. Daarna boog de frontlijn naar het zuiden tot aan Ghzatsk. Ten zuiden van Ghzatsk bevond zich het 4e Pantserleger.
De Duitse divisies hadden hun verdediging geconcentreerd langs de spoorwegen, die de belangrijkste aanvoerlijnen vormden, maar ook de rest van de saillant werd beschermd door een netwerk van houten bunkers, loopgraven en mijnenvelden.
Voor operatie Seydlitz kreeg kolonel-generaal Walter Model de beschikking over drie pantserdivisies, twee gemotoriseerde divisies en zestien infanteriedivisies, gegroepeerd in drie korpsen en één onafhankelijke groep. Hoewel op papier een indrukwekkende strijdmacht, was de werkelijkheid anders. De divisies waren nog niet op volle sterkte na de gevechten in de winter. De versterkingen waren nog niet gewend aan de barre omstandigheden van de gevechten aan het oostfront. De bataljonscommandanten kregen opdracht om in kleine gevechtsacties hun nieuwe manschappen te trainen.
Het gebied tussen Rzhev en Bely bestond uit heuvels, begroeid met dichte bossen en doorsneden met valleien. De bodem van de valleien werd gevormd door moerassen, venen en struikgewas. Er lagen nauwelijks dorpen en geen verharde wegen. De gesmolten sneeuw had de ondergrond omgevormd tot een kleverige brij, waarin elke verplaatsing moeilijk was.
Wegens dit soort terrein besloot kolonel-generaal Model een nieuwe eenheid te vormen. Alle infanteriedivisies van het 9e Leger moesten hun verkenningsbataljon afstaan. In deze eenheid bevonden zich meestal geharde veteranen, die gewend waren in moeilijke omstandigheden te vechten. Bovendien kregen alle cavaleristen, die zich in het 9e Leger bevonden, opdracht zich bij de nieuwe eenheid te melden. Al deze manschappen werden samengevoegd tot een cavalerie-brigade, bestaande uit drie regimenten. Elk regiment bestond uit twee eskaders ruiters, twee eskaders infanterie en één eskader met zes lichte houwitsers. De infanteristen beschikten over fietsen en Panje-wagens. Deze Russische karren waren in staat om zich in elk terrein te verplaatsen. De brigade werd uitgerust met machinegeweren en elk eskader beschikte bovendien over twee zware machine-geweren. Gedurende april en mei werd de brigade intensief getraind.
Tijdens de voorbereidingen vloog kolonel-generaal Model voortdurend van hoofdkwartier naar hoofdkwartier. Hij sprak met zijn divisie- en regimentscommandanten en hij vertrouwde op inlichtingen van de frontlijneenheden in plaats van analyses, die werden opgesteld door de generale staf. Hij verkende persoonlijk de gebieden waarin werd gevochten. Om de verliezen aan te vullen, verminderde hij het aantal manschappen en officieren in de ondersteunende diensten. Zijn aanwezigheid bij het front maakte hem geliefd bij de soldaten, maar niet bij de stafofficieren, die hij voortdurend controleerde en zelfs beledigde in het bijzijn van soldaten.
Het Duitse aanvalsplan was eenvoudig van opzet. Het 23e Legerkorps zou vanuit Olenino naar het zuiden aanvallen en Groep Esebeck vanuit Bely naar het noorden. Ze zouden de ontsnappingsroute blokkeren. Daarna zou het 46e Gemotoriseerde Korps vanuit oosten de pocket aanvallen, in twee delen splitsen en de omsingelde troepen vernietigen. Ondertussen moest het 6e Legerkorps en 27e Legerkorps de saillant tegen aanvallen van het Westelijk Front verdedigen.
Op 23 mei 1942 werd kolonel-generaal Model zwaargewond toen zijn vliegtuig werd beschoten. Generaal Heinrich von Vietinghoff, bevelhebber van het 46e Gemotoriseerde Korps, nam het bevel over het 9e Leger over. Samen met veldmaarschalk Günther von Kluge leidde hij het tegenoffensief vanuit het legerhoofdkwartier in Sytsjovka.
Eind mei 1942 kreeg het 9e Leger de beschikking over het 46e Gemotoriseerde Korps. Tien dagen voor het begin van de aanval verplaatste de cavalerie-brigade zich naar zijn startposities ten noorden van de Luchesa-vallei. Duitse genietroepen velden met kettingzagen langsheen een onverharde weg bomen met een tussenafstand van een meter. Op deze manier legden ze op twee dagen een knuppelweg naar het zuiden aan. Over deze weg vergezelde een compagnie tanks de brigade naar het zuiden. Het lawaai van de kettingzagen en tankmotoren werd overstemd door laagvliegende vliegtuigen. In de nacht van 1 juli was de brigade in stelling.
Opstelling Wehrmacht
9e Leger (kolonel-generaal Walter Model) 6e Legerkorps (generaal der Infanterie Bruno Bieler) 26e Infanteriedivisie 256e Infanteriedivisie 6e Infanteriedivisie 27e Legerkorps (luitenant-generaal Walter Weiss) 251e Infanteriedivisie 253e Infanteriedivisie 206e Infanteriedivisie 14e Gemotoriseerde divisie 23e Legerkorps (generaal der Infanterie Albrecht Schubert) 1e Pantserdivisie 5e Pantserdivisie 102e Infanteriedivisie 110e Infanteriedivisie 129e Infanteriedivisie 41e Gemotoriseerde Korps (generaal der Pantsertroepen Josef Harpe) 36e Gemotoriseerde divisie 161e Infanteriedivisie 342e Infanteriedivisie 46e Pantserkorps (generaal der Infanterie Hans Zorn) 20e Pantserdivisie 86e Infanteriedivisie 87e Infanteriedivisie 328e Infanteriedivisie Groep Esebeck (generaal der Pantsertroepen Hans-Karl von Esebeck) 2e Pantserdivisie 197e Infanteriedivisie 246e Infanteriedivisie
Sovjetzijde thumb|Generaal I.S. Konev