Operatie Michael was een enorm Duits offensief, dat begon op 21 maart 1918, als onderdeel van de Kaiserschlacht of Lenteoffensief in de Eerste Wereldoorlog. Het offensief werd gelanceerd vanuit de Hindenburglinie. Het doel was door te stoten naar zee en het Britse front oprollen, zoals Hindenburg zei. Twee dagen later veranderde Ludendorff echter het plan: het 17e leger zou naar het Kanaal doorstoten, het 2e leger naar Amiens en het 18e leger zwenkte richting Parijs. Het offensief eindigde bij Villers-Bretonneux, ten oosten van het bedreigde geallieerde communicatiecentrum te Amiens. De Duitsers zagen hun opmars gestuit en slaagden er niet meer in hun troepen voldoende te bevoorraden.

Een groot deel van het strijdtoneel werd gevormd door de woestenij die de Duitsers achterlieten in 1917, toen ze zich naar de schijnbaar "onneembare" Hindenburglinie of Siegfriedlinie terugtrokken. Ook werd er terug gevochten bij het oude slagveld van de Somme. Daarom noemen vele Britten het de First Battle of the Somme, 1918, terwijl de Fransen vaak de 2ème Bataille de Picardie vermelden. De mislukking van dit offensief betekende voor Duitsland het begin van het einde. De aankomst van grote aantallen Amerikanen kon de slachtoffers van de Entente vervangen, terwijl de Duitse gevallenen onvervangbaar waren. Operatie Michael haalde de doelstellingen niet en de terreinwinst werd tenietgedaan door het geallieerde Honderddagenoffensief.

Achtergrond en bedoeling In 1917 was de situatie voor Duitsland nijpender en nijpender geworden. De poging om de geallieerden met de duikbotenoorlog te verslaan had uiteindelijk een oorlogsverklaring van de machtige Verenigde Staten opgeleverd, de Centrale bondgenoten presteerden weinig of helemaal niets zonder Duitse hulp, en het westfront zat nog steeds muurvast. De Duitse economie en voedselsituatie ging gebukt onder de Britse blokkade. De Russische Revolutie bleek een meevaller: Rusland had het Verdrag van Brest-Litovsk moeten tekenen en was uit de oorlog. De Duitsers konden nu troepen van het oostfront vrijmaken voor een grote aanval in het Westen, ze waren nu in de meerderheid. Generaal Erich Ludendorff wilde met een combinatie van aanvallen een wig tussen de Fransen en de Britten drijven (Operatie Michael), een offensief in de Champagnestreek tegen de Fransen (operatie Blücher), een afleidingsoffenief in Vlaanderen (operatie Georgette). Dit zou de Franse ineenstorting brengen en de Amerikanen doen afzien van verdere hulp aan de geallieerden. Aldus Ludendorff. Hoewel de geallieerden zich terdege bewust waren dat de Duitsers gingen aanvallen, hadden ze zich van de omvang van het offensief geen voorstelling kunnen maken.

Op een conferentie in de Kanaalstad Boulogne (1917) had de Britse premier Lloyd George met de Fransen afgesproken dat de BEF (het Britse Expeditieleger in Frankrijk) een deel van de frontlinie extra onder haar bescherming zou nemen, tegen militair advies in. Tijdens de winter van 1917-1918 begon men aldaar aan de bouw van verdedigende posities. De BEF was overigens gereorganiseerd door een gebrek aan infanterie; divisies werden teruggebracht van 12 naar 9 bataljons. Er werd beslist dat de beroepsdivisies en de eerste lijn territoriale bataljons moesten worden bewaard, in plaats van de New Army divisies en de tweede lijn territoriale bataljons. Tweedelijns territorials en New Army bataljons ondergingen de meeste veranderingen: in sommige gevallen ontbond men de helft van de bataljons in een divisie.

Duitse tactiek Het Duitse leger had een aanpak die aan het oostfront geslaagd was, in het bijzonder bij de Slag om Riga. De infanterieaanval zou worden voorafgegaan door een intens spervuur, niet enkel geconcentreerd op de Britse infanterie in zijn vooruitgeschoven posten, maar grotendeels op de machinegeweerposten, de artillerie, de hoofdkwartieren, spoorwegen, communicatiecentra en telefoon en telegraafkabels: het was een zeer intens spervuur, ontworpen om het de Britten onmogelijk te maken georganiseerd te reageren - maar het duurde slechts een paar uren wanneer de Duitse stormtroepen in actie kwamen, waardoor wel het verrassingseffect bleef. Toen de Duitse infanterie zou aanvallen, zouden ze werken in kleine groepjes om in de Britse linies te infiltreren, en ze moesten zich geen zorgen maken over de grote weerstandsnesten. De infanterie zou dat werk opknappen. Voor de Britten, niet gewend aan het defensieve oorlog voeren, zou dit tot chaos en onzekerheid leiden.

De Britse inlichtingendienst wist al vanaf november 1917 dat er een aanval zou plaatsvinden, maar over de plaats, tijd en datum was niets bekend. Ondanks de (meestal correcte) informatie van Duitse deserteurs, geloofde men deze niet en liet men de waardevolle informatie voor wat het was.

Het slagveld thumb|Luchtfoto van de Hindenburglinie of Siegfriedlinie ter hoogte van Bullecourt (1920). Links de brede rijen prikkeldraadversperringen. In het midden van de foto de gekartelde loopgraven en de daarachter liggende verbindingsloopgraven. Operatie Michael betrof een enorme aanval langs het gehele front tussen de rivier de Oise en de rivier de Senseé. Dit gebied is algemeen bekend als de "Somme"-sector, hoewel het geografisch in het Cambrésis en het Santerreplateau lag. Het gehele gebied tussen Albert en Bapaume was in het voorjaar van 1917 verwoest door de Duitsers toen ze zich uit dat gebied terugtrokken. Dit gebied was overigens ook het toneel voor de Slag aan de Somme in 1916. Dus, in tegenstelling tot het gebied tussen Amiens en Albert, was dit eigenlijk een grote verwoeste ruimte. De enige belangrijke geografische barrières waren de rivier de Somme ten zuiden van Péronne en het Canal du Nord ten noorden daarvan. In dit gebied lag de, eerder genoemde, "onneembare" Hindenburglinie.

Het verloop Slag om Saint-Quentin, 21-23 maart 21 maart, bombardement en eerste aanvallen thumb|left|Duitse voortgang, 21-23 maart

Het artilleriebombardement begon om 4.40 uur met een intensief Duits spervuur ten zuidwesten van de stad Saint-Quentin met een diepte van 4 tot 6 kilometer. Om 4.40 uur startte ook het zware Duitse spervuur over de hele frontlinie. Loopgraafmortieren, mosterdgas, chloorgas, traangas en rookbommen werden geconcentreerd op de voorste linies, terwijl de zware artillerie en houwitsers de achterliggende gebieden bestookte om de geallieerde artillerie en de geallieerde aanvoerlijnen te vernietigen. Toen de infanterie in actie kwam om 9.40 uur, had deze wisselend succes. Het 17e en het 2e Duitse leger waren niet in staat om de hoofdverdedigingslinie te bereiken op de eerste dag, maar het Duitse 18e leger, onder leiding van generaal Oskar von Hutier, haalde wel de doelstellingen. Om 5.00 uur was het zicht enorm slecht (tot 10 m ver) op sommige plaatsen, de mist verdween overigens zeer traag. De rook van het bombardement verslechterde het zicht nog gedurende de hele dag, zodat de Duitse stormtroepen ongemerkt in de Britse linies konden infiltreren. De voorste gevechtszone viel snel doordat deze linie onmogelijk kon communiceren; door het intensieve bombardement waren vele telefoon- en telegraafkabels doorgesneden. Daardoor konden de Britse hoofdkwartieren nauwelijks invloed uitoefenen op de strijd. thumb|Duitse A7V tank in Roye, 21 maart 1918 Rond het middaguur braken de Duitse troepen door ten zuidwesten van Saint-Quentin, bereikten de hoofdverdedigingslinie en om 14.30 uur waren zij al bijna 3 km ten zuiden van het dorpje Essigny-le-Grand. Gough hield contact met de korpscommandanten en om 15.00 uur bezocht hij ze. Aan het derde korps beval hij een terugtocht tot achter het Crozatkanaal, het achttiende korps lichtte hem in dat de hoofdverdedigingslinie intact was gebleven en het negentiende korps berichtte hem dat de flanken van hun eenheid veroverd waren. Gough wou zoveel mogelijk grond behouden, maar dit was onmogelijk, aangezien hij zijn linkerflank moest terugtrekken om contact te kunnen blijven houden met het zevende korps. De 50e divisie werd naar voren gestuurd om te dienen als versterking voor de volgende dag. Aan het front van het laatstgenoemde korps, was Ronssoy veroverd en werd ook de 39e divisie naar voren gebracht, op de rest van het front behielden de 21e en de 9e divisies hun voornaamste posities en bleven contact houden met de eenheden van het 3e leger in de Flesquières-saillant. Het grootste deel van de overlevende troepen in de voorste linies werden gevangengenomen. Het waren er veel, omdat de Duitsers zich haast ongezien in de diepe mist konden verplaatsen. Dorpsgarnizoenen en verscheidene posities werden omsingeld. Sommige eenheden waren totaal afgesneden van de buitenwereld en als hun munitie op was probeerden ze te ontkomen. Anderen vochten tot de laatste man.

In de sector van het derde Britse leger, braken de Duitsers door tijdens de ochtend, bij de weg van Cambrai naar Bapaume bij het dorpje Louverval en door de zwakke defensie van de 59e divisie bij Bullecourt. Tegen het einde van de dag waren de Duitsers door de voorste zone gebroken en rukten ze op naar de hoofdverdedigingslinie. Ten zuiden van Saint-Quentin, in de sector van de 36e divisie berichtte het oorlogsdagboek van de Ierse Fuseliers dat er veel slachtoffers waren gevallen: drie bataljons van de voorste linie waren verloren gegaan en drie bataljons van in de hoofdverdedigingslinie beschikten nog maar over 250 man, waardoor enkel de reserve-bataljons redelijk intact waren gebleven.

Gough was in een vechtende terugtocht gedwongen om tijd te winnen voor versterkingen aan te voeren. De rechterflank van het derde leger werd teruggetrokken om te voorkomen dat dat werd overvleugeld. De ochtendmist had het gebruik van vliegtuigen vertraagd, maar tegen het einde van de dag waren 36 squadrons van het Royal Flying Corps actief en zij meldden het verlies van 16 vliegtuigen, terwijl ze zelf 14 Duitse toestellen neerhaalden. De Duitse gegevens spreken dit tegen; zij berichtten dat ze 19 Britse vliegtuigen hadden neergeschoten terwijl zijzelf er 8 zouden verloren hebben. De eerste dag van de strijd was niet volledig rozengeur en maneschijn voor de Duitsers; ze hadden iets minder slachtoffers gemaakt dan ze er zelf leden. De aanval in het zuiden had de Flesquières-saillant niet kunnen omsingelen, die in het bezit was van de 63e Britse divisie, de hoofdaanval werd naar het zuiden verlegd, waar het Duitse 18e leger 6 verse divisies zou krijgen.

Dag 2: 22 maart thumb|Operatie Michael: Britse troepen trekken zich terug, maart 1918

Op de tweede dag bleven de Britten terugtrekken en verloren hun laatste steunpunten op de originele frontlinie. De dikke mist verhinderde zoals de dag ervoor weer het zicht tot de middag. Het grootste gevaar voor de Britten was dat hun 3e en 5e legers uiteengedreven zouden worden. Byng, de commandant van het Britse Derde Leger, beval niet een terugtocht uit de Flesquères-saillant, dat zijn leger op 21 maart ten koste van hoge verliezen behouden had en beval zijn eenheden contact te houden met het vijfde leger, ook al zou dat hem dwingen tot een terugtocht.

Kleine groepen van Britse manschappen probeerden de vooruitgang tegen te houden, om de andere soldaten tijd te geven om zich terug te trekken. Sommige groepen bleven zelfs nog weerstand bieden in de hoofdverdedigingslinie: bij L' Epine de Dallon hield het 2e Wiltshire bataljon het uit tot 14.30 uur en op Manchester hill bood het 16e Manchester Regiment onder leiding van luitenant-kolonel Wilfrith Elstob hevig verzet tot hij gedood werd rond 16.30 uur.