thumb|De overgave van Granada, door Francisco Pradilla Ortiz (1882) Almanzor and Almahide or, The Conquest of Granada by the Spaniards. A Tragedy is een tweedelig toneelstuk van John Dryden, opgevoerd in 1669 en 1670 en voor het eerst gepubliceerd in 1672. Het stuk behandelt de verdrijving anno 1491 van Koning Mohammed Abu Abdallah (Boabdelin) uit de stad Granada door Ferdinand II van Aragon en Isabella I van Castilië, hetgeen het einde van de overheersing van Spanje door de Moren betekende. Het werk is echter geen historisch accurate weergave van de val van Granada; de meeste personages zijn verzonnen en/of ontleend aan de romans Ibrahim, ou l’illustre Bassa en Almahide, ou l’esclave reine van Madeleine de Scudéry, die medio 17de eeuw tot de meest gelezen werken van Europa behoorden.

Dryden zette de historische stof naar zijn hand door de belegering van Granada te combineren met diverse intriges en liefdesperikelen die ontstaan te midden van de politieke strijd tussen de twee mohammedaanse clans van de Zegries en de Abencerrajes, gebruikmakend van een diëgetische techniek die aan Romeo and Juliet herinnert. Dit groots opgezette toneelstuk van in totaal tien bedrijven was een buitengewoon succes en werd opgedragen aan James, hertog van York, de latere Jacobus II van Engeland.

De grote vernieuwing die Dryden met The Conquest of Granada introduceerde, was het consequente gebruik van ‘heroïsche coupletten’: alle personages spreken in jambische pentameter, waarbij elke regel steeds op de vorige rijmt. Deze strakke versmaat moest waardigheid en heldhaftigheid uitstralen; Dryden was weliswaar dichter genoeg om dit ook te laten werken — zijn klemtonen vallen op de juiste lettergrepen en hij maakt hoogst zelden van syncope gebruik om het metrum te laten kloppen —, maar desalniettemin leverde het hem naderhand kritiek op omdat het lijkt alsof de personages staccato hun tekst afraffelen, hetgeen een onnatuurlijk effect kan hebben. Algauw werden zijn heroïsche coupletten dan ook geparodieerd: reeds in 1672 schreef George Villiers, de hertog van Buckingham, The Rehearsal, een stuk dat Drydens ‘vernieuwing’ belachelijk maakte. George Saintsbury merkt evenwel op dat Dryden niet de eerste was die deze versvorm toepaste: vóór de Engelse Burgeroorlog valt ze terug te vinden in de toneelstukken van Thomas Goffe, zij het niet doorlopend toegepast.George Saintsbury (1957), John Dryden. Three Plays. New York: Hill and Wang, blz. xi. [Mermaid Dramabooks] SBN 8090-0707-4

De première in het Theatre Royal bevatte een rolverdeling met talloze beroemde acteurs van destijds: Edward Kynaston speelde Boabdelin, Michael Mohun was Abdelmelech, Charles Hart vertolkte Almanzor, Nell Gwyn speelde Almahide, Lyndaraxa werd door Rebecca Marshall vertolkt, Elizabeth Boutell trad als Benzayda op en Anne Reeves speelde Esperanza.Saintsbury (1957), blz. 2

Achtergrond Na de dood van William Davenant in 1668 was Dryden Poet Laureate geworden. Zijn eerste toneelstukken, zoals The Wild Gallant, waren niet bij de koning in de smaak gevallen, maar Lady Castlemaine was er enthousiast over geweest. Hij had naam gemaakt met indrukwekkende dichtwerken als Annus Mirabilis, die het optreden van koning Karel II tijdens de pestepidemie in 1665 en de grote brand van Londen in 1666 rechtvaardigden en hem de waardering van het hof hadden opgeleverd. Tezelfdertijd ontpopte hij zich tot een theoreticus van het toneel: in zijn dialoog An Essay of Dramatick Poesie zette hij zijn ideeën over goed theater uiteen, in het bijzonder het gebruik van rijm. Hierdoor was hij in een pennenstrijd met Sir Robert Howard verwikkeld geraakt, zijn zwager en vroegere werkgever, die als gentleman amateur eveneens toneelstukken schreef en zich tegen rijm verzette. Dryden en Howard waren uit elkaar gegroeid nadat Howard de zijde van Buckingham had gekozen in een complot om Lord Clarendon af te zetten en hem de schuld voor de mislukking van de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog in de schoenen te schuiven. Dryden doorzag dit politieke spelletje en nam het zonder reserves op voor Clarendon en voor James, hertog van York, de broer van de koning, die de leiding over de zeemacht had. In het voorwoord bij The Conquest of Granada vergelijkt hij zijn held Almanzor ondubbelzinnig met de hertog.

In de zestiger jaren van de zeventiende eeuw kreeg Dryden ambities om een groots toneelstuk te schrijven dat beantwoordde aan zijn denkbeelden over verheven taalgebruik en een plot met een filosofische achtergrond had. Hij had een contract bij de King's Company ondertekend dat hem verplichtte drie stukken per jaar af te leveren. Eerdere werken, waaronder Tyrannick Love dat hij in zeven weken had geschreven, waren ietwat ongepolijst haastwerk, vol groteske overdrijvingen en een handeling die dermate gecomprimeerd was dat het belachelijk werd, al was dit volgens Winn (1987) waarschijnlijk ook deels de bedoeling. Voor The Conquest of Granada liet hij zich uitgebreid de tijd. Evenals in zijn tot dan toe beroemdste werk, The Indian Emperor, plaatste hij de actie in een exotische omgeving, in dit geval het middeleeuwse Spanje. Door de ‘christenen’ tegenover de ‘mohammedanen’ te plaatsen leidde hij de aandacht af van het conflict tussen protestanten en katholieken dat de interne Engelse politiek in zijn greep hield. Ook maakte hij gebruik van de Engelse sympathie voor Spanje die toentertijd in Engeland in zwang was: in het conflict met Frankrijk en de Nederlanden gold Spanje als bondgenoot.James Anderson Winn (1987), John Dryden and His World. New Haven en Londen: Yale University Press, blz. 201,

De première was noodgedwongen uitgesteld doordat meerdere actrices van het gezelschap, onder wie Gwyn, zwanger waren. Dryden maakt hierover een ironische opmerking in zijn proloog.

Invloeden In The Conquest of Granada tracht Dryden een synthese te maken tussen drama en epos, ingekleed in een taalgebruik dat tegelijk verheven en evocatief is. De liefdesintriges vertonen invloed van de ridderroman en het romantische epos, zoals Davenants Gondibert: de strijdbare Almanzor is een haast bovenmenselijke held van mythische omvang, met echo’s van Aeneas zoals die beschreven werd door Vergilius, een antieke dichter die Dryden sterk bewonderde. Wanneer hij verliefd wordt, verliest Almanzor echter zijn stabiliteit en gaat aan zichzelf twijfelen, net zoals Karel II een daadkrachtige vorst met een alom bekende zwak voor vrouwelijk schoon was.Winn, blz. 216 Toen Nell Gwyn Almahide speelde, was zij inmiddels van een kind van de koning bevallen. In The Conquest of Granada vertolkte zij een kuise, bijna preutse vrouw, en deze ironie zal het publiek niet ontgaan zijn.

Dryden had duidelijk de Leviathan van Thomas Hobbes gelezen. De monoloog waarin hij Almanzor laat verklaren dat hij alleen baas over zichzelf is, is geïnspireerd op Hobbes’ idee over de wetten van de natuur, dat wil zeggen, machtsverhoudingen bij primitieve volkeren. Hier komt tevens de uitdrukking noble savage in voor, het idee van de ‘edele wilde’ dat later onder anderen door Rousseau hergebruikt zou worden. Dryden nam Hobbes’ denkbeelden niet kritiekloos over; zijn toneelstuk behandelt de spanning tussen politieke macht en moraliteit en is uiteindelijk een verdediging van het koninklijke recht, op voorwaarde dat dit ethisch gerechtvaardigd is: een koning moet in eerste instantie een rechtvaardig mens zijn. In Drydens stuk zijn machthebbers niet emotieloos: de verhoudingen tussen de personages hebben daarentegen geregeld een onverbloemd seksueel karakter. Dit komt het sterkst tot uiting in Lyndaraxa, die haar fysieke aantrekkingskracht gebruikt om haar liefhebbers te manipuleren en zodoende een greep naar de macht te wagen.

Deel I Inleiding, essay en proloog thumb|Nell Gwyn speelde Almahide In zijn opdracht aan James, hertog van York, vergelijkt Dryden de hertog met zijn held Almanzor; James was immers net zo onverzettelijk als hij in diens strijd tegen de Nederlanders in de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog: „Heroes should only be judged by heroes, because they only are capable of measuring great and heroic actions by the rule and standard of their own.” (Helden dienen slechts door helden beoordeeld te worden, aangezien alleen zij in staat zijn om grootse en heldhaftige daden af te meten naar hun eigen maatstaven en normen.) Na de toewijding volgt een verhandeling getiteld Of Heroic Plays, waarin Dryden zijn keuze voor de heroïsche stijl verantwoordt en zijn schatplichtigheid aan The Siege of Rhodes van William Davenant onderkent.

De proloog werd door Nell Gwyn gesproken, getooid met een breedgerande hoed en een ceintuur. Ze drijft de spot met fops, oppervlakkige modegekken, onder het publiek.

Eerste bedrijf Boabdelin, koning van Granada, feliciteert Abenamar van het huis der Abencerrajes met de overwinning van diens zoon Ozmyn in een stierengevecht. Terwijl ze nagenieten van het spektakel, weerklinkt de alarmklok van het Alhambra: er is een gevecht tussen de Zegries en de Abencerrajes uitgebroken. Almanzor en de koning komen tussenbeide. Boabdelin vermaant beide partijen: tweedracht tussen mohammedaanse clans speelt louter in de handen van de christenen die de stad belegeren.

Lean times and foreign wars should minds unite;Armoe en oorlog moeten geesten binden;When poor, men mutter, but they seldom fight.Ze klagen, maar zijn niet vechtend te vinden.Oh holy Allah! that I live to seeHeilige Allah, dat ik moet meemakenThy Granadines assist their enemy!Hoe Granadisten hun vijand sterk maken!You fight the Christians’ battles; every lifeU vecht des christen veldslag en verspiltYou lavish thus, in this intestine strife,Intern zovele levens ongewild,Does from our weak foundations take one propDie uit ons fundament een steen losweken,Which helped to hold our sinking country up.Die moest voorkomen dat ons land zou breken.

Zulema is het hoofd van de clan der Zegries en beschuldigt Ozmyn van de moord op zijn zoon Tarifa. Almanzor trekt met zijn zwaard een streep in het zand en daagt iedere Zegrí of Abencerraje uit, over de streep te stappen om een lid van de tegenpartij aan te vallen. Koning Boabdelin verbiedt alle duels tussen de Zegries en de Abencerrajes. Gomel van de Zegries vecht met Almanzor, en wordt algauw, tegen het koninklijke bevel in, door Almanzor gedood. Boabdelin wil Almanzor terechtstellen; Almanzor verklaart dat hij niemands autoriteit aanvaardt, ook niet die van de koning; hij alleen is baas over zichzelf. Abdalla, de broer van de koning, verhindert dat Almanzor geëxecuteerd wordt: hij heeft hem persoonlijk uit Fez meegebracht, alwaar hij hem heldhaftig voor het koningshuis heeft zien vechten.

De hertog van Arcos, generaal van Ferdinand en Isabella, betreedt de scène en eist de overgave van de stad Granada. Boabdelin verklaart dat Spanje reeds achthonderd jaar het wettige eigendom van de Moren is, sedert de dood van Koning Roderik. Arcos verklaart officieel de oorlog uit hoofde van Ferdinand en Isabella. Esperanza, de slavin van Koningin Almahide, komt melden dat de koningin diep bedroefd is en dat er hedenavond een zambra gedanst zal worden om de gemoederen te bedaren.

Tweede bedrijf De eendracht tussen de Zegries en de Abencerrajes is hersteld: Abdelmelech, hoofd van de Abencerrajes, is verliefd op Lyndaraxa, de zuster van Zulema, hoofd van de Zegries. De onversaagde Almanzor heeft de christenen in een veldslag verslagen en hertog Arcos gevangengenomen. Almanzor daagt de hertog uit en wil hem vrijlaten om Koning Ferdinand te verwittigen.

Wanneer prins Abdalla en Lyndaraxa alleen zijn, vertelt Abdalla haar dat ook hij op haar verliefd is. Lyndaraxa minacht hem omdat hij slechts een prins is, geen koning; ze wil alleen huwen met iemand die het vooruitzicht op de troon biedt.