Middeleeuwse magie betreft het geheel van magische praktijken en denkbeelden uit de Europees middeleeuwse cultuur.

Begripsvorming Gedurende de christelijke middeleeuwen blijft magie ambigu, balancerend tussen natuurwetenschap/-filosofie en duivelse praktijken.Hanegraaff 2013, p. 22-23. Het vroege christendom kent ten aanzien van magie echter een drietal paradoxen: Enerzijds worden tovenaars afgeschilderd als handlangers van de duivel of klunzen. Anderzijds worden Jezus en zijn volgelingen allerlei wonderen toegedicht. Hoewel magie veroordeeld werd, ontwikkelde zich in een vroeg stadium een eigen christelijke magie, o.a. aan de hand van gebedsformules. De veroordeling van magie en het afschilderen van magie als nonsens belette christelijke denkers niet een verklarende theorie voor de (vermeende) werkzaamheid ervan te formuleren.Van der Vliet 1995, p. 84. Zoals hierboven beschreven, kan magie op allerlei manieren gedefinieerd en geclassificeerd worden. Hoe dachten middeleeuwers er echter zelf over? In de middeleeuwen gebruikt de gewone mens lang niet altijd strikt gedefinieerde begrippen zoals magie. In plaats daarvan werd bijvoorbeeld gesproken over 'spreuken', 'zegeningen', 'necromantie' of 'occulte krachten' (virtutes occultae) zonder een duidelijke, algemene term 'magie' voor alle te gebruiken.Kieckhefer 1990, p. 9. Globaal onderscheidde de intellectuele elite wel twee soorten magie, namelijk demonische (zwarte) en natuurlijke (witte) magie. Dat onderscheid was echter lang niet altijd duidelijk. De gemiddelde theoloog schoor magie en waarzeggerij (divinatio) ook over één kam tot en met de twaalfde eeuw. Griekse en Romeinse waarzeggers zoals Artemidoros van Daldis (tweede eeuw) hadden geprobeerd om bijvoorbeeld de toekomst te voorspellen met de hulp van de klassieke goden. Deze goden waren voor de vroege christenen zoals Augustinus (De civitate Dei) echter geen echte goden, maar demonen. Daarmee was de waarzeggerij dus ook demonisch. Dergelijke vermenging en negatieve karakterisering komt bijvoorbeeld ook voor in de Etymologiae van Isidorus van Sevilla (ca. 560-636), boek VIII, hoofdstuk IX. Isidorus behandelt ook astrologie onder het begrip magie.Kieckhefer 1990, pp. 10-11. Deze vermenging en veroordeling door autoriteiten als Augustinus en Isidorus had gevolgen voor de middeleeuwse opvatting over magie en waarzeggerij, terwijl bij conciliën uit de vierde, vijfde en zesde eeuw nog wel duidelijk onderscheid tussen beide gemaakt werd.In Hanegraaff 2006, p. Vaak overheersten de demonische connotaties, al dan niet onder invloed van Bijbelse verboden ten aanzien van magie.Leviticus 19:26, Deuteronomium 18:10-11. Voor veel mensen, zoals inquisiteurs, theologen en priesters, was natuurlijke magie (hoewel misschien onbedoeld) demonisch, omdat de magiër zijn werk alleen kon doen door bemiddeling van demonen, of omdat rijmelarij in toverspreuken van demonische oorsprong kon zijn, enzovoort.

Sympathie en occulte krachten

Occulte krachten konden een paar dingen betekenen. Als technische term duidde het datgene aan wat de zintuigen niet kunnen waarnemen. Zo was het niet duidelijk hoe een bepaalde plant precies werkte als geneesmiddel. Ook kon een occulte kracht het onzichtbare en symbolische verband aanduiden tussen gelijkvormige zaken, zoals de menselijke longen en een plant met longvormige bladeren, waarvan dan verondersteld werd dat die plant volgens de signatuurleer goed was bij longziekten. Tot slot konden animistische aspecten aangeduid worden met occulte kracht: dingen in de natuur als bezield.Kieckhefer 1990, pp. 12-13.

Verwant aan en van belang voor het magisch denken zijn voorts beschrijvingen in middeleeuwse encyclopedieën, waar in navolging van klassieke voorbeelden zoals Plinius' Naturalis historia en de Physiologus (tweede eeuw) dieren, planten en stenen beschreven werden met eigenaardige, magische eigenschappen. Voorbeelden van grote middeleeuwse encyclopedieën zijn de Speculum Maius van Vincent van Beauvais, de Etymologiae van Isidorus en Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant. In laatstgenoemd werk leest men bijvoorbeeld hoe amethist door zijn kleur geassocieerd wordt met wijn: 'Some amatisten sijn ghevarwet na roden wijn metten watre verkeert. [...] mar die ne sijn no bore diere, no oec van sconre maniere, enter werden heveti min. Die cracht die hi hevet in dats dat hi dronkenscap verdrijft, alsmen ons lert ende scrijft.' (vss. 15064-15079) Dergelijke gevallen zijn te herleiden tot het idee van universele sympathie, de voorstelling van het universum als eenheid waarin alle dingen met elkaar verbonden zijn op basis van allerlei waarneembare overeenkomsten of occulte krachten. De notie van sympathie was niet enkel gangbaar bij de klassieke neoplatonici en hermetici (zie ook Klassieke semiotiek), maar is door de negentiende-eeuwse onderzoeker sir James Frazer ook aangeduid als de basis voor het magische denken in The Golden Bough.O.a. nog het geval bij Lie 2002, pp. 202-203. Hoewel versimpelend en veralgemeniserend, klopt deze voorstelling in veel gevallen. Zo schreef de veertiende-eeuwse Italiaanse alchemist Bernard van Treviso: 'Als datgene wat boven is, gemaakt is door dat wat beneden is, en als dat wat beneden is gelijk is aan dat wat boven is, dan zullen wonderbaarlijke verschijnselen daaruit voortkomen'.Hannam 2011, p. 104. Bij liefdesmagie was bijvoorbeeld koper bijzonder geschikt, omdat dit metaal van oudsher verbonden was met Venus, godin van de liefde. Het echte sympathetische denken zou echter pas erg gangbaar worden in de vroegmoderne tijd.

Syncretisme en vroege middeleeuwen

In de vroege middeleeuwen is magie veroordeeld op basis van kerkvaders zoals Augustinus, die het in het verlengde behandelde van zijn aanval op het heidendom. Men was hierbij vooral bezorgd over syncretische heterodoxie. Syncretisme en de christelijke adaptatie van bijvoorbeeld Germaanse, magische overlevering vond desalniettemin plaats, en overname van heidense elementen was zelfs gebruikelijk onder missionarissen in hun pogingen om heidenen voor het christendom te winnen.Kieckhefer 1990, p. 44. Veel heidense tradities leefden voort, waaronder dus magische, in onder meer het Germaanse cultuurgebied. Onder Germaanse stammen werd magie al eeuwenlang gepraktiseerd, en dat veranderde niet in enkele jaren. Meer algemeen is erkend dat Germaanse runen ook ingezet konden worden voor magische doeleinden, zoals tevens gebeurde bij andere alfabetten.Düwel 2001, p. 209. Zie ook Flowers 1986.

Toverspreuken zijn dan ook overgeleverd in onder andere het Oudengels en het Oudhoogduits, bijvoorbeeld de tweede Merseburger toverspreuk. Frappanter is de Oudsaksische Heliand, een evangelie-epos uit de negende eeuw, waarin diverse sporen van magie en waarzeggerij te vinden zijn.Voor een bespreking, zie Murphy 1992, pp. 205-220. Een goede reden voor het feit dat dergelijk materiaal bewaard is gebleven, is naast 'gedoogbeleid' ook het gegeven dat het vaak afdoende was om heidense (goden)namen weg te laten en christelijke in te voegen. Een ander voorbeeld is het toevoegen van 'Driemaal onzevader' aan het eind van de spreuk.Voorwinden 1995, p. 132. Een voorbeeld uit de Anglo-Saxon Charms is hieronder gegeven.

[Om te voorkomen dat bijen te ver uitzwermen] 'Take earth, cast it with thy right hand under thy right foot, and say: "I put it under foot; I have found it. Lo, the earth can prevail against all creatures, And against injury, and against forgetfulness, And against the mighty tongue of man [een tovenaar]." Cast gravel over them when they swarm, and say: "Alright, victorious women [de bijen], descend to earth! Never fly wild to the wood. Be as mindful of my profit As every man is of food and fatherland."Gordon 1949, p. 97. In diverse bekende teksten binnen de germanistiek zijn magische elementen zoals voorwerpen terug te vinden, zoals de laatmiddeleeuwse Edda, Völsungsaga en Gesta Danorum ('Daden van de Denen') van Saxo Grammaticus (ca. 1140-ca. 1220), het vroegste werk over het Deense volk.

Late middeleeuwen

Vanaf de twaalfde eeuw wordt de geschiedenis van de magie gecompliceerder door de invloed van andere kennisvelden en disciplines, en door de beschikbaarheid van nieuwe bronnen. Zo zijn voor de Europese magie de islamitische en joodse mystiek en magie van belang, zoals de kabbala. Ook vindt vanaf de elfde eeuw een wederopleving van astrologie plaats, die van belang was voor de astrale magie: met behulp van figuren of rituele handelingen krachten van de sterren en planeten aantrekken.Hanegraaff 2013, p. 23. Een en ander hangt samen met een nieuwe golf van kennis in het westen. Gedurende de twaalfde-eeuwse renaissance worden namelijk veel teksten uit het Arabisch vertaald naar het Latijn, waardoor veel nieuwe kennis over bijvoorbeeld klassieke auteurs zoals Aristoteles, astrologie, alchemie en magie beschikbaar is voor Europa. Een voor magie belangrijke tekst was de geleerde tekst Picatrix, die van Arabische origine was.

Rond de twaalfde eeuw veranderen ook attitudes. Een onderscheid tussen demonische en natuurlijke magie (magia naturalis) werd meer geaccepteerd, waarbij natuurlijke magie verbonden werd met heelkunde en waarzeggerij.Kieckhefer 1990, p. 12. Daarbij was de introductie van de notie natuurlijke magie zinvol om zo de studie naar natuurkrachten te onttrekken aan de theologie. Met de ontsluiting van veel klassieke en Arabische (natuurfilosofische) kennis in de periode van de twaalfde-eeuwse renaissance, richtte de natuurmagie zich op het in (toentertijd) wetenschappelijke termen bestuderen van occulte relaties, zoals magnetisme en de werking van de maan op de getijden. Ook astrologie leefde in deze periode op, en diende hetzelfde doel. Daarmee konden theologisch-demonische verklaringen omzeild worden.Hanegraaff 2013, p. 22. De occulte krachten werden niet door iedereen beschouwd als demonisch, en het manipuleren ervan werd evenmin steeds aangeduid als magie. Thomas van Aquino en Roger Bacon erkenden bijvoorbeeld het bestaan van occulte krachten, maar vonden dat de term magie voorbehouden moest worden voor demonische en misleidende, frauduleuze praktijken. Daarbij werden occulte krachten door geleerden eerder toegeschreven aan de effecten van sterren en planeten.

Het beeld van magie in de latere, westerse, middeleeuwse cultuur is gevarieerd. In deze periode is het christendom nagenoeg overal dominant in Europa, maar zijn heidense, Grieks-Romeinse, Keltische en Germaanse magische elementen voort blijven leven.Voor een selectie van magie in literaire context, zie Jackson 1982, pp. 141-166. Ook beperkt het praktiseren en bestuderen van magie zich niet tot alleen geleerden of leken, of tot een bepaalde beroepsgroep.Kieckhefer 1990, pp. 56-57. Integendeel, magie kan overal aangetroffen worden, en in veel gedaanten. Zo waren er medische magie, liefdesmagie, magische gebeden en zegeningen, beschermende amuletten en talismans, tovenarij zijnde misbruik van medische en beschermende magie, astrologie, goochelkunst, het aanroepen van geesten (necromantie), het aanroepen van goddelijke wezens (theürgie) en waarzeggerij, die ook weer allerlei varianten kende. Voor magische recepten konden allerlei middelen gebruikt worden. Vaak waren dit bepaalde kruiden, soms ook mineralen en dierlijke materialen.

Een reden voor het aanhoudende succes van magiërs kan te maken hebben met het idee dat zij over het algemeen weinig directe schade toebrachten, en dit kan niet gezegd worden voor geneesheren, chirurgen en barbiers uit die tijd.Hannam 2011, p. 101. Veel magische recepten werden dan ook op schrift gesteld in compilaties van informatieve, praktische gebruiksteksten (zie Artesliteratuur).Zie bijv. Braekman 1997. Een voorbeeld is het volgende eenvoudige, magische recept in het Middelnederlands uit het vijftiende-eeuwse Hattemse handschrift C 5: