De geschiedenis van Cyprus is bepaald geweest door de vaak strategische ligging van het op culturele gronden als Europees beschouwde maar geografisch Aziatische eiland aan de uithoeken van de grote rijken in de loop der tijden. Ook de bodemrijkdommen van Cyprus maakten het eiland een begeerd goed. Hier is de geschiedenis van Cyprus in feite een geschiedenis tussen oost en west in het klein.

Prehistorie

De prehistorie van Cyprus bestrijkt de periode vanaf de komst van de eerste mensen op het eiland rond 10.000 v.Chr. Deze jager-verzamelaars slaagden er in 1000 jaar in de populaties dwergnijlpaarden en dwergolifanten compleet uit te roeien.https://scientias.nl/hoe-de-schattige-dwergnijlpaardjes-14-000-jaar-geleden-verdwenen-van-cyprus-het-zal-toch-niet/

De prehistorie eindigt omstreeks 800 v.Chr., toen Cyprus voor het eerst werd genoemd in Romeinse bronnen. Weliswaar dateert de eigen geschreven taal van Cyprus uit het 2e millennium v.Chr., maar deze is nog niet ontcijferd.

Cypriotische oudheid

Assyrische periode Er is zowel van Sargon II (709 v.Chr.) als van Esarhaddon (673 v.Chr.) bekend dat zij van de koningen van Cyprus tribuut ontvingen en dat zij het Assyrische oppergezag erkenden. Sanherib had Cyprioten in dienst om zijn vloot te bemannen. De werkelijke macht op het eiland werd echter uitgeoefend door de koningen van de afzonderlijke stadstaten, hoewel er van 673 tot 669 v.Chr. Assyriërs op het eiland waren.

Egyptische periode Van 560 v.Chr.-545 v.Chr. had Egypte het oppergezag over het eiland, hoewel de lokale vorsten wederom grotendeels hun eigen zaken konden regelen. Farao Amasis kreeg echter wel de beschikking over de machtige Cypriotische vloot en dat versterkte de positie van Egypte in Syrië en Palestina aanzienlijk.

Perzische periode In 545 v.Chr. erkenden de koningen van Cyprus het gezag van het Perzische Rijk van Cyrus II en in 525 v.Chr. werd het eiland daadwerkelijk bezet. Nadien herwon het zijn autonomie maar bleef onder Perzische invloed. Dit hield bijvoorbeeld in dat Cyprus een belangrijke bijdrage tot de Perzische vloot bleef leveren. In 450 v.Chr. zond Kimon II van Athene een vloot om daar verandering in te brengen, maar dit liep op niets uit. Bij de vrede van 448 v.Chr. bleef het eiland in Perzische handen.

Rond 425 v.Chr. was Baalmilk II (zoon van Azbaal, zoon van Baalmilk I) koning van Kition en Idalion. Daarna greep de Fenicische balling Abdemon de macht. Na de dood van de Perzische koning Darius II in 404 v.Chr. probeerde Euagoras I, koning van Salamis het eiland te veroveren. Dit vormde een bedreiging voor de Perzen omdat Evagoras zich al snel ook met de Fenicische politiek ging bemoeien. Uiteindelijk zullen de koningen van Salamis over het eiland heersen, als vazal van de Perzen, tot Artaxerxes III in 344 v.Chr. Cyprus heroverde.

Hellenistische periode Bij de komst van Alexander de Grote steunden de Grieken van het eiland zijn veldtocht en bij de verdeling van het rijk onder zijn opvolgers, de Diadochen, werd Cyprus onderdeel van het (Hellenistische) rijk van Ptolemaeus van Egypte. Tijdens de Ptolemaeische periode stichtte Zeno van Citium, een Cypriotische filosoof de stoïcijnse school in Athene, waarvan het gedachtegoed zich zou verspreiden over de hele antieke wereld.

Romeinse periode

In 76 v.Chr. veroverden de Romeinen het eiland en vormden het om naar de provincia Cyprus. Dit opende de deur voor een aanzienlijke immigratie van Joden. In de tijd van de Kitosoorlog (115-117) slaagden Joden, geleid door Artemion, er zelfs in de controle over het eiland over te nemen. Het Romeinse leger heroverde echter de hoofdstad en Joden – zelfs drenkelingen – werd voortaan verboden voet aan wal te zetten op het eiland.

In de eerste, tweede en derde eeuw na Chr. nam de ontbossing van Cyprus grote afmetingen aan. Deze ontbossing was het gevolg van het kappen van bomen voor de productie van houtskool die in de metaalnijverheid gebruikt werd.

Cypriotische middeleeuwen Arabieren en Byzantijnen In 649 stelde de latere kalief Muawija de eerste moslimvloot samen en veroverde het eiland. Daarna zou het eiland een aantal eeuwen een soort gezamenlijk bestuur tussen Byzantijnen en Arabieren kennen. Justinianus II kwam een verdrag overeen met Abd al-Malik, die in een burgeroorlog verwikkeld was, waarin de positie van het eiland verder geregeld werd. Justinianus verwijderde delen van de bevolking van het eiland om ze in de rest van het rijk onder te brengen. Deze politiek was niet erg succesvol en een aantal van hen wist weer naar huis terug te keren. In 876 slaagde Byzantium erin het eiland voor zeven jaar weer geheel in eigen handen te krijgen, maar daarna viel het weer in handen van de moslims. In de jaren 905 tot911 volgde er een reeks Byzantijnse overwinningen ter zee onder Himerius en werd het eiland weer Byzantijns, om vervolgens weer in Arabische handen te vallen. In 966 werd het opnieuw Byzantijns onder keizer Nikephoros II Phokas en dat zou dat zo blijven tot het einde van de 12de eeuw. Cyprus werd daarmee een belangrijk steunpunt voor de Byzantijnen in de Levantijnse Zee.

Op het einde van de 12e eeuw begon het rijk danig in verval te geraken en Isaäk Komnenos, een afvallige telg uit de Komnenendynastie, vestigde er in 1185 een eigen rijkje op het eiland en verklaarde het onafhankelijk. Dit was een zware klap voor het prestige van de keizer.

Kruisvaarders

Op weg naar Jeruzalem leed een deel van de vloot van Richard Leeuwenhart schipbreuk op het eiland. Isaak weigerde de schipbreukelingen vrij te laten en Cyprus werd in 1191 door Richard veroverd. Daarna droeg hij het eiland over aan de Orde van de Tempeliers. In 1192 verkocht Richard het aan Guy van Lusignan vanwege het verlies van zijn koningschap over het koninkrijk Jeruzalem, dit is het begin van het koninkrijk Cyprus. Het koninkrijk Cyprus werd enige tijd later (1269) verenigd met het koninkrijk Jeruzalem of wat daar in die tijd nog van restte. Met de val van Akko in 1291 werden de kruisvaarders voorgoed uit het Heilige Land verdreven, maar op het eiland zou hun bewind nog tot 1489 duren. Daarmee overleefden zij dus ook de val van Constantinopel.

Venetiaanse periode De laatste koning van Cyprus huwde met een vrouw uit een aanzienlijk Venetiaans geslacht. De Venetiaanse invloed werd daarmee steeds sterker. Toen zij weduwe werd trachtte zij de onafhankelijkheid van het eiland door een tweede huwelijk zeker te stellen. In 1489 namen de Venetianen het eiland echter over. Hun bewind was een regelrechte kolonisatie. Zij beschouwden het eiland als wingewest.

Ottomaanse periode

In juli 1570 voerden de Ottomaanse Turken een aanval uit op Cyprus. Ze veroverden bijna onmiddellijk de stad Nicosia, maar hadden meer moeite met de Venetiaanse vesting van Famagusta. Aan het christelijke bewind kwam een jaar later, in 1571, een einde toen de Ottomanen het hele eiland veroverden.

Ondanks de overwinning van de christelijke alliantie in de Slag bij Lepanto op 7 oktober 1571 stond Venetië Cyprus af aan de Ottomanen in 1573. De Orthodoxe Kerk verwelkomde het nieuwe bewind aanvankelijk omdat de Ottomaanse Turken bereid waren deze Kerk te erkennen. Zij gebruikten de Kerk echter ook als middel om meer belasting te kunnen heffen en de opbrengst daarvan verdween naar Istanbul. Bij de onafhankelijkheid van Griekenland in 1821 namen de Turken op het eiland de kerkleiders gevangen en onderdrukten de bevolking en ontstond er steeds meer verwijdering met de Grieks sprekende bevolking. Er was inmiddels een vrij grote minderheid Turken op het eiland komen wonen. De Turken regeerden het eiland tot 1878.

Moderne geschiedenis van Cyprus Britten

Door de opening van het Suezkanaal in 1869 was het strategisch belang van Cyprus nog toegenomen. In 1877 waren Groot-Brittannië en Rusland in oorlog met het steeds zwakker wordende Ottomaanse Rijk en de Britten bezetten het eiland. Als onderdeel van de Anglo-Turkse conventie van 1878 bleef de bezetting gehandhaafd. In 1925 werd het eiland een Britse kroonkolonie.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden drie belangrijke bombardementen plaats op Cyprus. Op 15 mei 1941 voerden acht Italiaanse vliegtuigen een aanval uit op Nicosia en de dorpen Dhavlos en Neokhorio, waarbij vier doden vielen. In juni 1941 werden Paphos, Xeros, Lemba en de luchthaven van Nicosia geraakt. In Nicosia vielen zeven doden en dertien gewonden. Een maand later, in juli 1941, werden Famagusta, Nicosia, Larnaca en Morphou gebombardeerd. De materiële schade was groot en er vielen tien doden.

Onafhankelijkheid en deling In 1950 werd Makarios III aartsbisschop van Nicosia. In het volgend jaar richtte kolonel Grivas de EOKA op, een beweging die enosis – aansluiting bij Griekenland – voorstond. Groot-Brittannië, dat zich net uit India en Palestina had teruggetrokken, had een nieuw dekolonisatieprobleem.

Op 1 april 1955 begon de EOKA een opstand. Behalve tegen de Britten was deze ook tegen de communisten gericht. In maart 1956 verbanden de Britten aartsbisschop Makarios van het eiland, maar dat bracht een oplossing niet dichterbij. Vanaf 1958 begonnen Grieks- en Turks-Cyprioten stelselmatig elkaars moskeeën en kerken in brand te steken.

In oktober 1959 werd te Zürich een verdrag gesloten tussen het Verenigd Koninkrijk, Griekenland en Turkije, waarin de onafhankelijkheid van het eiland werd overeengekomen onder de garantie van de drie landen. Schending van de neutraliteit van Cyprus zou elk van de beschermlanden het recht tot interventie geven. Op deze bepaling beriep de Turkse regering zich in 1974.

Op 16 augustus 1960 werd Cyprus onafhankelijk onder de in Zürich overeengekomen grondwet. Deze had de staat ingericht langs etnisch-religieuze lijnen, waarbij de Grieks-Cyprioten de president kozen en de Turks-Cyprioten de vicepresident. Alle regeringsposten moesten tussen beiden worden uitonderhandeld. Aartsbisschop Makarios werd president en Vasil Kücük vicepresident. De grondwet bepaalde verder, dat de Turks Cyprioten, een minderheid van ongeveer 18%, niet alleen een onevenredig grote invloed kregen in het bestuur (zoals 30% van de parlementszetels, 30% van de ambtelijke functies en 40% van de politiemacht), maar in essentiële zaken, zoals de kieswet en de belastingwetgeving, in feite ook een recht van veto. In de grote plaatsen zouden gescheiden gemeentebesturen moeten worden ingesteld.

Al spoedig ontstonden er onoverkomelijke problemen bij het vervullen van vacatures in de ambtenarij, het leger en de politie en de organisatie van de gescheiden gemeentebesturen, die niet van de grond kwam. Ook gebruikten Turks-Cyprioten hun veto om essentiële belastingwetgeving te blokkeren. Het bestuur kwam tot stilstand, hetgeen Makarios er toe bracht om in 1963 een aantal wijzigingen in de grondwet voor te stellen, die de invloed van de Turks Cyprioten zou beknotten.

Op 21 december braken er hevige gevechten uit in Nicosia. Aanleiding was een incident tussen Turks-Cypriotische inzittenden van een auto bij een routinecontrole door Grieks-Cypriotische agenten, dat leidde tot de dood van een Turkse vrouw. Zowel de TMT als ontevreden ex-EOKA-strijders grepen de situatie aan om hun posities te verstevigen. Op andere plaatsen braken eveneens gevechten uit. De situatie was precair omdat de Griekse en Turkse legercontingenten, die volgens de akkoorden van Zürich op het eiland gestationeerd waren, met elkaar slaags zouden kunnen raken. Om dit te voorkomen werd op Brits initiatief op 24 december een wapenstilstand gesloten en een dag later ging Makarios akkoord met een tijdelijke vredesmacht van Griekse, Turkse en Britse troepen. De Engelsen namen daarop posities in in Nicosia om de strijdende partijen te scheiden. Dit was het begin van de Groene Lijn, de demarcatielijn die het eiland in tweeën deelt.