thumb|Mikalojus Konstantinas Čiurlionis, Perkunas, 1909. Perkunas was de Litouwse dondergod. Perkwunos (*perkwunos; IPA: pɛrkʷunɔs; spreek uit: per'kwoenos; 'eikenheer') is de hypothetische dondergod in de Proto-Indo-Europese religie die bestaan zou hebben rond het vierde millennium v.Chr.Gamkrelidze & Ivanov 1995, p. 761. Deze god is sinds de negentiende eeuw gereconstrueerd door filologen en mythologen op basis van vergelijkend taalkundig en mythologisch onderzoek naar de diverse Indo-Europese talen en tradities. Dat Indo-Europeanen vermoedelijk in een dondergod geloofd hebben, wordt onderbouwd door het karakter van het gereconstrueerde pantheon, de Indo-Europese woordenschat, de vele dondergoden in geboekstaafde tradities, de kenmerken daarvan, en het vaak voorkomende motief van een strijd tussen de dondergod en een draak.
De Indo-Europese voorstelling van Perkwunos was mogelijk als volgt. Hij heerste over storm, donder en regen, en hij had een speciale band met eiken. Zo aanbad men hem via heilige eiken. Ook zou hij bij voorkeur leven in beboste heuvellanden of bergen. Mogelijk had hij een baard en een geitenwagen. De god werd als krachtig beschouwd, en zijn wapen was de bliksemschicht. Soms werd die metaforisch voorgesteld als een strijdhamer of steen. Daarmee bevocht hij allerlei wezens, zoals reuzen en draken die zorgden voor chaos, droogte, dood en armoede. De god waarborgde dus orde, leven en vruchtbaarheid. In verschillende tradities zou Perkwunos zich ontwikkeld hebben tot een almaar prominentere godheid. Soms werd hij vereenzelvigd met de oppergod, of gold hij als de zoon daarvan.
Onderzoek heeft onvoldoende duidelijk gemaakt hoe het Indo-Europese materiaal zich verhoudt ten opzichte van omringende, niet-Indo-Europese culturen. Zo kenden ook culturen uit het Oude Nabije Oosten een strijd tussen de dondergod en een oerdraak. Ook is onduidelijk of er sprake is van een zuiver Proto-Indo-Europese oorsprong, of van een latere ontwikkeling binnen bijvoorbeeld de Noord-Europese tak van de taalfamilie, of van (zeer vroege) ontlening van naburige culturen. Dondergoden en drakendodersmythen komen wereldwijd in veel religies voor. Enerzijds sluit dat latere, onafhankelijke ontwikkelingen niet uit, maar anderzijds gebruikt men dit feit als argument voor de stelling dat Indo-Europeanen ze dan vermoedelijk ook gekend hebben.
Indo-Europese studies: relgie, cultuur en taal
thumb|340px|De moderne spreiding van Indo-Europese talen. Het onderzoek naar goden, en dus religie en cultuur, kan niet los gezien worden van de studies naar taal. Sinds de zestiende eeuw zijn overeenkomsten opgemerkt tussen Indo-Europese talen, zoals het vroeg gedocumenteerde Sanskriet, Oudperzisch, Grieks en het Latijn. Echt onderzoek naar taalverwantschap volgde in de vroege negentiende eeuw. Indo-Europees werd voor het eerst gebruikt als aanduiding voor de taalfamilie in 1813.West 2007, p. 1. Sindsdien is door vergelijkend, historisch-taalkundig onderzoek de verwantschap tussen bijvoorbeeld Baltische, Slavische en Indo-Iraanse talen vastgesteld, en is het hypothetische Proto-Indo-Europees gereconstrueerd.
Een taal veronderstelt een taalgemeenschap. Die gemeenschap had een bepaald intellectueel erfgoed, waaronder religie.West 2007, pp. 2-5; Watkins 1995, p. 7. Taalkundig onderzoek is echter eenvoudiger dan mythologisch onderzoek, omdat taalverandering regelmatiger is dan mythologische en religieuze verandering. Zo is in het oud-Griekse pantheon alleen Zeus duidelijk Indo-Europees in functie en naam. Verder is een enkele parallel tussen bijvoorbeeld een Griekse en een Indiase mythe onvoldoende om een Indo-Europese oorsprong aan te nemen. Culturen kunnen bijvoorbeeld goden en mythen van elkaar overnemen (horizontale transmissie). Reconstructies zijn beter indien ze gebaseerd zijn op materiaal uit veel verschillende gebieden, bijvoorbeeld Scandinavië tot en met India.West 2007, p. 20, p. 23. Die spreiding lijkt op te gaan voor de Indo-Europese dondergod.
Mythologisch onderzoek begon in de negentiende eeuw. Folkloristen en taalkundigen, zoals Jacob Grimm en Hermann Hirt, zagen verwantschap tussen geattesteerde dondergoden in het Indo-Europese cultuurgebied. Hirt leidde namen zoals Fjörgyn en Perkunas af van *perk- 'eik', de boom die verbonden moest zijn met de dondergod.Kretschmer 1896, p. 81. Onder invloed van de evolutietheorie veronderstelden godsdiensthistorici, zoals James Frazer, aan het begin van de twintigste eeuw dat religie zich van primitief naar abstract had ontwikkeld, een vorm van culturele evolutie die bekendstaat als unilineaire of eenlijnige evolutie. Zo zouden oeroude goden enkel metaforen zijn voor natuurfenomenen in een animistische context. De dondergod representeert dan het onweer. Leopold von Schroeder stelde een middenweg voor. Volgens hem kenden de Indo-Europeanen een triade: de hoogste god (geloof in een opperste geest), de natuurgod (aanbidding van de natuur) en de zielsgod (geloof in de ziel, voorouders etc.). Volgens dit schema golden bijvoorbeeld Apollo en Thor als verwante personificaties van natuurverschijnselen.Arvidsson 2006, pp. 160-161; Von Schroeder 1914, I, p. 455. Georges Dumézil suggereerde met zijn onderzoeken niettemin een oude maar goed ontwikkelde, Indo-Europese religie.Arvidsson 2006, pp. 138-139. Voor hem en anderen gold de religie als een afspiegeling van een triadische sociale structuur: de priesterklasse, krijgersklasse en boerenklasse. De dondergod zou staan voor de krijgersklasse. Later is door onder anderen Roman Jakobson de verwantschap tussen het Baltische Perkunas, Slavische Perun (en variëteiten), Griekse Keraunos en andere dondergoden verder uitgewerkt.Watkins 1983, p. 40. Jakobson, 1950.
Veel theorieën, zoals Dumézils triadische structuur, zijn achterhaald. Indo-Europese dondergoden zijn bijvoorbeeld niet gelijk aan oorlogsgoden (Zeus ≠ Ares, bijvoorbeeld). Het taalkundige onderzoek heeft baat gehad bij onder andere de ontcijfering van het Tochaars en Hettitisch, twee aparte takken van de taalfamilie. Ook is er meer aandacht voor de structuur van mythen rondom goden en helden, en voor de verschillende, soms genuanceerde functies daarvan.
Indo-Europese dondergoden Naast de hemelvader Dyeus is de dondergod de meest zekere reconstructie van het Proto-Indo-Europese pantheon. Dat er een dondergod vereerd moet zijn geweest, wordt vermoed door de aanwezigheid van dondergoden in veel takken van de Indo-Europese taalfamilie. Indo-Europeanisten nemen aan dat de distributie qua tijd en plaats dusdanig is, dat de kans op overname uit naburige culturen (horizontale verbreiding) nihil is. De volgende, latere Indo-Europese dondergoden zijn bekend uit geschreven bronnen, en gelden als representaties van Perkwunos. Indo-Europese takGodenAlbaneesPerëndi/Perend/Perndī (verwantschap onzeker)AnatolischHettitisch: Perwasj, Pirwa,In een vroeg stadium verloor deze god zijn dondereigenschappen en raakte hij op de achtergrond. Gamkrelidze & Ivanov 1995, p. 695. Tarhunna/Tarhunta; Luwisch: Tarhunza; Palaïsch: TaruBaltischLitouws: Perkúnas; Lets: Pērkons/PerkuōnsDe tilde − geeft verlenging van de klinker aan. Vergelijk de uitspraak van bit tegenover beer (IPA: bɪt en bɪ:r).; Pruisisch: PercunisGermaansWest-Germaans: Donar; Noords: Thor, Fjörgyn, Fjörgynn (indirect)GrieksKeraunos, Zeus, Herkyna (verwantschap onzeker)IndiaasIndra, Parjanya, ParvataKeltischTaranus, Taranis, Hercynia; Iers: Dagda(e)NuristaniPärun (oorlogsgod; verwantschap onzeker)PashtoPērūne (naam voor de Pleiaden)PerzischVerethragna (indirect)RomeinsJupiterSlavischOudrussisch: Perunu; Wit-Russisch: Piarun; Pools: Perun;Naast Perun, de naam van de Slavische god, kent het Pools ook het woord piorun "bliksem", dat eveneens van uit het Oerslavische *perunъ is ontstaan, maar anders dan de naam van de god een regelmatige fonologische ontwikkeling heeft doorgemaakt. Slowaaks: ParomThracischPerkos/Perkōn (verwantschap onzeker)
Analyse
Binnen Indo-Europese studies is Perkwunos de gebruikelijke naam voor de dondergod. De naam *perkwunos , 'eikenheer', is gereconstrueerd op basis van overgeleverde, etymologisch verwante Indo-Europese woorden zoals godennamen. Gereconstrueerde woorden worden gemarkeerd met een asterisk. Belangrijk voor de reconstructie zijn vooral het Germaanse Fjörgyn, Keltische Hercynia, en de Baltische en Slavische namen. De Baltische taalgroep in het bijzonder is conservatief en bevat archaïsche, Indo-Europese elementen die elders niet of weinig meer voorkomen.James Patrick Mallory & Douglas Q. Adams 2006, p. 24. Overige etymologisch verwante namen zijn vermoedelijk Përendi, Keraunos, Parjanya, Herkyna, Pärun, Perkos, Perwasj, Pirwa en Parvata.
*Perkwunos is de gangbare reconstructie.Mallory & Adams 1997, p. 582. Mallory & Adams 2006, p. 409. Daarbij staat kw voor articulatie van de [k] met beide lippen.Tussen vierkante haken betreft het de klank, niet de letter. Notatie volgens het Internationaal Fonetisch Alfabet. Er bestaan sterk gelijkende alternatieven. De Russische taalkundigen T.V. Gamkrelidze en V.V. Ivanov geven *pher(kho)uno-,Gamkrelidze & Ivanov 1995, pp. 527-528. en P. Jackson *perkwúh3nos.Jackson 2002, p. 75. De Russische variant heeft aspiratie h van de [p], en bevat (k), omdat hij als reconstructie bedoeld is voor twee groepen woorden en namen, respectievelijk met -k- en zonder -k- (bijvoorbeeld Perkunas en Perun). Het is echter mogelijk dat de groepen met en zonder -kw- verschillende etymologieën hebben. Jacksons variant heeft h3, een niet exact te reconstrueren o-achtige klinker. Ook wordt klemtoon genoteerd, ú. Bij beide geldt [o] als mogelijke klinker naast [u].
Alle varianten hebben dezelfde morfologische structuur: perkwu- + -no- + -s. *Perkwu- is de stam van het woord, voluit *perkwus, 'eik'.Pokorny 1959; Mallory & Adams 1997, p. 582; West 2007, p. 240. De afleiding *perkwunos van *perkwus is analoog aan bijvoorbeeld het Latijnse Portunus van portus en tribunus van tribus.Schulze 1929, p. 287, aangehaald in Nagy 1990, p. 185. De wortel van *perkwu- is *per-, '(in)slaan'. Het Proto-Indo-Europese achtervoegsel -no- diende voor de vorming van naamwoorden uit stammen, en betekent '(be)heerser van'.Mallory & Adams 2006, p. 66; West 2007, p. 208. Voorbeelden ervan zijn *Woðanaz[ð] is de stemhebbende interdentale variant van [Þ], zoals in het Engelse bother. (Wodan) 'heer van razernij' en dominus 'heer van het huis'.West 2007, p. 137. Na -no- volgt de naamval. De mannelijke nominatief enkelvoud is -s.
Reconstructie De namen zonder -kw- worden soms beschouwd als afgeleide (verbasterde) vormen van de namen met -kw-, maar gelden vaak als oorspronkelijke varianten. Bijvoorbeeld het Oudrussische Perunŭ en Litouwse Perkṹnas hebben dan geen Proto-Balto-Slavische grondvorm, maar een afzonderlijke Indo-Europese oorsprong. Wel is het Proto-Indo-Europese *perkw- waarschijnlijk een verlengde wortel van *per- '(in)slaan'.Mallory & Adams 1997, p. 582; West 2007, p. 242; Pokorny 1959. Het semantische verband is dat bliksem veel vaker inslaat bij eiken dan bij andere boomsoorten.Nagy 1990, p. 195. Blijkens een onderzoek tussen 1879 en 1890 maakten eiken 56% uit van alle getroffen bomen. Eiken maakten echter slechts 11% van het totale aantal bomen uit. Mogelijk werd de eik *perkwus genoemd, omdat hij gewijd zou zijn aan de dondergod.Nagy 1990, p. 186.