thumb|383x383px|Afb. 1: De Baltische stammen rond 1200. De Baltische mythologie betreft het geheel van mythen en geloofsovertuigingen van de Pruisen, Letten en Litouwers in het Baltische gebied, zoals die hoofdzakelijk leefde voor de kerstening van het gebied in de late middeleeuwen. De Pruisen, Letten en Litouwers zijn verwant in taalkundige en culturele zin, en vormen de Baltische tak van de Balto-Slavische hoofdgroep in de Indo-Europese taalfamilie. Deze definiëring laat de Lijven, Esten en Finnen buiten beschouwing, omdat deze deel uitmaken van de Finno-Ugrische (taal)familie, welke niet Indo-Europees is. De afbakening is van belang, omdat de Baltische mythologie ten dele geïnterpreteerd en gecontextualiseerd wordt middels vergelijkende mythologie en vergelijkende (historische) taalkunde, zoals ingezet binnen de studie naar de Indo-Europese taal en mythologie.
Hoewel de Balten uit meer stammen bestonden, kunnen de middeleeuwse Balten in twee hoofdgroepen ingedeeld worden, West- en Oost-Balten. De West-Balten werden geheel geassimileerd, door de Duitsers en in mindere mate door de Oost-Balten. Representatief voor hen waren de Pruisen, waarover het meest bewaard is gebleven. Uit de Oost-Balten zijn de huidige Letten en Litouwers ontstaan.A. Gieysztor, in Grimal (ed.) 1965, p. 417. Naar deze drie groepen met hun talen zal in dit artikel ook verwezen worden. thumb|349x349px|Afb. 2: Het gebied van de Duitse Orde in 1410, het jaar waarin de Duitse Orde de slag bij Tannenberg verliest. Vanaf 1386 is Litouwen met het koninkrijk Polen verenigd.
Historisch kader
De geschiedenis van de Balten voor de middeleeuwen is onduidelijk, en daarmee ook hun cultuur, bij gebrek aan geschreven bronnen. Op taalkundige gronden menen onderzoekers wel dat de Proto-Balten als aparte groep bestaan moeten hebben vanaf het tweede millennium v.Chr.Mallory & Adams 1997, p. 50. De eerste vermelding is afkomstig van de Romeinse historicus Tacitus (ca. 56-117). Hij vermeldde in zijn De origine et situ Germanorum de zogeheten Aesti, waarmee mogelijk de voorouders van de Pruisen bedoeld werden. Reeds voor Tacitus noemde Plinius (23/24 - 79) in de Naturalis historia (IV) echter al het land van de Aengina, wat wellicht een verbastering is van Aestingia, 'land van de Aesti'. Dat deze Aesti inderdaad Balten waren, wordt versterkt door het gegeven dat Tacitus hen naast de Finni lokaliseert, waarin men dan de Finnen kan zien. Verder wordt nog kort naar de Balten verwezen door Cassiodorus (vijfde eeuw) en Jordanes (zesde eeuw).
Nadat Scandinavië rond de tiende eeuw tot het christendom was overgegaan,Zie Kinder, Hilgemann, Bukor & Bukor 1965, p. 163. was het Baltische gebied nagenoeg het laatste bolwerk van het heidendom en polytheïsme in Europa. Daar kwam verandering in gedurende de twaalfde en dertiende eeuw toen de Duitsers, meer in het bijzonder de Duitse Orde (Teutoonse ridders), de regio veroverden, kerstenden en/of koloniseerden. Deze oostkolonisatie leidde al sinds de elfde eeuw tot (re-)germanisering van op dat moment (nog) Slavische gebieden en tevens tot de kerstening ervan in wat nu Polen en Tsjechië zijn. Deze expansiebeweging was door Hendrik de Leeuw (1129/1130 - 1195) bevorderd in de twaalfde eeuw, onder meer door steden als Lübeck uitgebreide voorrechten te geven. In dezelfde periode kreeg de grootmeester van de Duitse orde, Hermann von Salza (1179 - 1239), Pruisen als werkterrein aangewezen door keizer Frederik II (1194 - 1250), zodat na de Kruistochten richting Palestina nu nieuwe campagnes op touw gezet werden tegen heidenen.Jansen 1978, pp. 226-227. In de loop van de dertiende en veertiende eeuw werd de Baltische regio zodoende monotheïstisch, soms verduitst en in elk geval afhankelijk van buitenlandse mogendheden.Kinder, Hilgemann, Bukor & Bukor 1965, p. 163; Le Goff 1984, pp. 86-87. Voor een uitvoerige bestudering van het onderwerp, zie Murray (ed.) 2009. In de tussentijd was de oorspronkelijke Pruisische populatie gedecimeerd en geassimileerd. Hun taal zou in de zeventiende eeuw geheel uitsterven. De verdrijving van het heidendom vond eerst vooral langs de kust plaats, maar bijvoorbeeld de Letten die verder landinwaarts leefden, wisten hun cultureel erfgoed te behouden tot in de zeventiende eeuw.A. Gieysztor, in Grimal (ed.) 1965, p. 422.
Verwijzingen naar de Balten komen voor in Scandinavische bronnen gedurende de vroege middeleeuwen. Het is pas in de loop van de middeleeuwen dat meer en precieze bronnen voor handen zijn, en wel van christenen. Voorbeelden zijn Adam van Bremen (1050 - 1081/1085), de Roetheense kroniek van Wolynië uit 1245, Peter van Dusburg (kroniekschrijver van de Duitse Orde; overleden in 1326), de Poolse kroniekschrijver Meester Vincent (fl. vroege dertiende eeuw), een verslag van de bisschop van Ermland uit 1418, een Catechisme van 1547 en diverse werken van jezuïeten.A. Gieysztor, in Grimal (ed.) 1965, pp. 417-419. Voor een overzicht van Oudpruisisch bronmateriaal, zie de compilatie van M. Klussis 2007.
De officiële bekering van de Balten wilde echter niet zeggen dat er onder het oppervlak geen heidendom meer was, integendeel. De taalkloof tussen de plaatselijke bevolking en bijvoorbeeld Poolse missionarissen hielp daarbij in Litouwen.A. Gieysztor, in Grimal (ed.) 1965, p. 420. Hoewel een inheemse, pre-christelijke literatuur niet bestaat, zijn diverse mythologische elementen bewaard gebleven in liederen (zinge, dzisma), balladen, raadsels en volksverhalen. Toen in de negentiende eeuw folkloristen in Europa op zoek gingen naar dergelijke overlevering, zoals de gebroeders Grimm en Elias Lönnrot (die de Fins-Estische Kalevala op schrift vastlegde), vond men ook in de Baltische regio nog tal van gegevens.West 2007, pp. 18-19; A. Gieysztor, in Grimal (ed.) 1965, p. 418.
Sommigen proberen het heidendom vandaag de dag in leven te houden in vooral Litouwen. Deze beweging heet Romuva.
Uitgesproken Indo-Europese elementen Er is een aantal mythische elementen aan te wijzen dat duidelijke tegenhangers heeft in andere Indo-Europese tradities, en die gezamenlijk een Indo-Europese achtergrond suggereren, waarbij moet worden opgemerkt dat het Proto-Indo-Europees geschat wordt op hoogstens 6000 v.Chr.McColl Millar 2007, pp. 224-225. In grote lijnen heeft de Baltische godsdienst geen duidelijk pantheon, kent het diverse kleine godheden en vooral veel natuurwezens van regionale en lokale allure. Daarbij zijn elementen van natuurgodsdienst aan te wijzen. Hier op aansluitend is er het gegeven dat de Baltische goden niet geïsoleerd leefden, zoals op een Olympus of in een Asgard.G. Beresnevičius, in Baranova 2000, p. 38.
Hemelgod Belangrijk in het Indo-Europese pantheon is de hemelgod of hemelvader, *deiwós. In veel latere mythologieën komt deze nog voor, zo ook in de Baltische. Vergelijk het Pruisische deiws/deywis, Litouwse Diēvas en Letse Dievs.West 2007, p. 120. Hij woonde in de hemel, werd geassocieerd met hemellichamen en werd voorgesteld als een stralend persoon. In de Pruisische en Litouwse tradities zou hij echter geheel passief worden. Enkel in de Letse overlevering was hij nog een actief figuur, waar hij 'vader van de hemel' genoemd werd. Uit zijn huis groeide een eik, zo groot en sterk, dat zelfs de bliksem van Perkunas hem niet deed beven.West 2007, pp. 169-170. Het is evenwel niet zeker of hij een cultus had. Er zijn bijvoorbeeld geen heilige plaatsen naar hem vernoemd.G. Beresnevičius, in Baranova 2000, pp. 31-32. Perkunas de dondergod Duidelijk vertegenwoordigd is de dondergod: Litouws Perkúnas, Lets Pērkons, Pruisisch Percunis, alle 'donder'. Als zoon van Diēvas was hij de belangrijkste god.G. Beresnevičius, in Baranova 2000, p. 32. Vanaf de dertiende eeuw worden hij en zijn aanbidding diverse malen vermeld en heet hij Percunus, Percunos, Pirchunos, Perkuns, Parcuns, of Pargnus. Hij verschijnt in diverse verhalen en in bijvoorbeeld de verwensing: 'God geve dat Perkunas je neerbliksemt'. Aan hem werd gebeden voor regen in tijden van droogte, maar boeren baden ook tot hem om hen en hun gewassen niet te schaden. Simon Grunau vermeldt in zijn Pruisische kroniek van ca. 1520 dat Perkunas werd voorgesteld als middelbare man met een baard, rijdend in een wagen die voortgetrokken wordt door bokken, nu eens met een bijl, dan eens met een hamer (milna, vgl. Noorse Mjölnir) werpend (vgl. Noorse Thor). Daarmee levert hij goed werk, want hij doodt demonen en de draak Áitvaras. De Balten kenden verder aan hem gewijde eikenbomen, Perkūno ažuolas/Pērkōna ōzōls, waar zijn bliksem in het bijzonder insloeg. De eik is dan ook etymologisch met de dondergod verbonden. In de godennaam zit de Indo-Europese wortel *per(g)- 'slaan/inslaan' (vgl. bliksem), vanwaar ook het Latijnse woord voor eik, quercus (p → k), stamt.Mallory & Adams 1997, p. 407. De dondergod komt ook voor in de Slavische mythologie, met etymologisch verwante namen als Perunu (Oudrussisch), en in diverse andere Indo-Europese mythologieën bestrijden de dondergoden net als Perkunas chaosmonsters.West 2007, pp. 236-242. Het is al met al dan ook een uitgesproken Indo-Europese godheid.Zie Watkins 1995, p. 429 e.v.; Mallory & Adams 1997, pp. 582-583; G. Beresnevičius, in Baranova 2000, p. 32. Zonnegodin De zon, Saule (vgl. Lat. sol), is vrouwelijk, iets wat typerend is voor Noord-Europese culturen, mogelijk ten gevolge van substraatwerking. Zij wordt voortgetrokken door paarden, iets waar Tacitus naar verwijst direct voordat hij de Aesti vermeldt (Germ. 45). Dit beeld leeft voort in folklore, zoals bij Letse liederen waarin de zon reist op de rug van een paard. Dit motief komt tevens voor in de Germaanse, Griekse en Slavische mythologie, en lijkt Indo-Europees te zijn.West 2007, pp. 206-207; Mallory & Adams 1997, p. 163. De Letten kenden Saule, voorgesteld als iemand die alles ziet wat op aarde gebeurt.West 2007, p. 199. Ze reist te paard of in een wagen die voortgetrokken wordt door afwisselend een tot zes paarden.West 2007, p. 206. In sommige liederen wordt ook vermeld dat ze nooit slaapt.West 2007, p. 211. Saule draagt net als haar dochter kleding van zijde, zilver of goud met gouden schoeisel.West 2007, p. 221. Diverse Letse liederen beschrijven het huwelijk van de Dochter van de Zon, Saules meita, waarbij de Zon of de Zonen van God bomen versieren met groene weefsels, gouden ringen en andere decoratie. Dit geeft een traditie weer die eens wijdverbreid was in noordelijk en oostelijk Europa, namelijk het versieren van de meidoorn aan het begin van de zomer, wanneer volgens de traditie de Dochter van de Zon zou trouwen.West 2007, p. 235. Goddelijke tweeling en de Dochter van de Zon Er is bewijs voor een goddelijke tweeling, parallel aan de Griekse Dioskouroi, Vedische Asvins en Germaanse Alci. Ze staan bekend als de 'zonen van god', Litouws Diēvo sunēliai, Lets Dieva dēli. Ze zijn niet betrokken bij de menselijke geschiedenis, en hun precieze aantal kan weleens uitlopen tot vijf. In bepaalde verhalen hebben zij tot taak de Dochter van de Zon te redden, net als de Asvins (de Dioskouroi zijn de broers van Helena, welke met de morgenstond geassocieerd is), of ze staan in een andere maar persoonlijke relatie tot haar.West 2007, p. 189, pp. 228-229. De Dochter van de Zon wordt in sommige andere volksliederen echter voorgesteld als de bruid van de Maan, Meness.Mallory & Adams 1997, p. 232, p. 556. thumb|347x347px|Volgens de overlevering werd Perkunas onder deze 1500 jaar oude eik in Stelmužė vereerd. Godin van de zonsopgang