thumb|Elftal in 1930 Het Joegoslavisch voetbalelftal was een team van voetballers dat het toenmalige Joegoslavië vanaf 1920 vertegenwoordigde in internationale wedstrijden tot het land in 1992 uit elkaar viel. Het betreft de volgende staten: Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen (1920-1929) Koninkrijk Joegoslavië (1929-1941) Federale Volksrepubliek Joegoslavië (1946-1963) Socialistische Federale Republiek Joegoslavië (1963-1992) In 1992 viel Joegoslavië uiteen. Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Macedonië en Slovenië werden onafhankelijk en richtten hun eigen voetbalbond en -elftal op. De republieken Servië en Montenegro gingen echter samen door als de Federale Republiek Joegoslavië. In 2003 werd de Federale Republiek omgevormd tot de confederatie Servië en Montenegro. Dit artikel betreft echter niet het voetbalelftal van de Federale Republiek Joegoslavië; zie daarvoor het artikel voetbalelftal van Servië en Montenegro.

In 2006 werden Servië en Montenegro onafhankelijke landen van elkaar. Sindsdien beschikken zij over eigen nationale elftallen. Servië wordt door de voetbalbonden FIFA en UEFA beschouwd als de officiële opvolger van het Joegoslavisch voetbalelftal, waar het tevens alle bezittingen van overnam.

Voor de opvolgers van Joegoslavië zie: Bosnië en Herzegovina Kroatië Noord-Macedonië Servië en Montenegro Montenegro Servië Slovenië Kosovo

Geschiedenis 1920 - 1939 De beginjaren Het debuut van het Joegoslavisch team was in 1920 tijdens de Olympische Spelen van 1920, in Brussel werd meteen de zwaarste nederlaag aller tijden geleden: 7-0 tegen Tsjecho-Slowakije. Ook de volgende edities van de Olympische Spelen waren geen succes, in 1924 opnieuw 7-0 tegen Uruguay en in 1928 2-1 tegen Portugal.

In 1930 schreef Joegoslavië zich als een van de slechts vier Europese ploegen in voor het eerste WK in Uruguay. De Kroatische spelers boycotten het nationale team en het team kreeg na wat geharrewar twee maanden voor het begin van het toernooi toestemming van koning Alexander I om het toernooi te spelen met louter Servische spelers. In de eerste wedstrijd werd een 2-1-overwinning tegen het favoriete Brazilië behaald en na een 4-0-zege op Bolivia was Joegoslavië het enige Europese land dat de halve finale haalde. In de halve finale nam Joegoslavië een voorsprong tegen het gastland, maar uiteindelijk won Uruguay met duidelijke cijfers: 6-1.

In het volgende WK waren voorronde-wedstrijden nodig, in een halve competitie streed Joegoslavië met Zwitserland en Roemenië om twee WK-plaatsen. Na een 2-2 gelijkspel tegen Zwitserland werd er met 2-1 verloren van Roemenië, waardoor het land het toernooi misliep. In 1938 was Polen met 4-0 in de uitwedstrijd veel te sterk, waardoor de return geen waarde meer had.

1946 - 1962 4 finales op de Olympische Spelen, 2e op EK, 4e op WK Olympische Spelen 1948 - 1960 thumb|Milan Galić Na de Tweede Wereldoorlog ontstond een sterke generatie met als bekendste spelers Rajko Mitić en de broers Željko en Zlatko Čajkovski. Op de Olympische Spelen in Londen haalde het team de finale na overwinningen op Luxemburg, Turkije en Groot-Brittannië. In finale was Zweden met 3-1 te sterk, Stjepan Bobek scoorde het enige Joegoslavische doelpunt.

In 1952 was de Sovjet-Unie de lastigste tegenstander op weg naar de finale. In Helsinki verspeelde het team in het laatste kwartier een 5-1-voorsprong, eindstand 5-5. In de replay maakte Joegoslavië een 0-1-achterstand goed (eindstand: 3-1) en na zeges op Denemarken en West-Duitsland werd de finale opnieuw gehaald. In de finale was Hongarije met 2-0 te sterk. Branco Zebec was topscorer van het toernooi met zeven doelpunten.

In 1956 haalde het team voor de derde keer de finale, het toernooi was sterk gedevalueerd, verschillende teams trokken zich terug vanwege de Russische invasie van Hongarije en de Suezcrisis. Overwinningen op de teams van de Verenigde Staten en India waren genoeg om de finale te halen. In de finale was de Sovjet-Unie met 1-0 te sterk.

In de kwalificatie voor de vierde olympische finale was Israël bijna te sterk en de finale werd gehaald door overwinningen op Bulgarije en Italië na het gooien van het muntstuk. In de finale tegen Denemarken werd de gouden medaille behaald. Milan Galić werd topscorer van het toernooi met zeven doelpunten.

WK 1950 Kwalificatie voor het WK leverde een slijtageslag op tegen Frankrijk, de wedstrijden in Belgrado en Parijs eindigde in 1-1 en er moest een beslissingswedstrijd gespeeld worden in Florence. Nadat Prvoslav Mihajlović vlak voor tijd de gelijkmaker scoorde (2-2) zorgde Željko Čajkovski in de 114e minuut eindelijk voor de beslissing. Op het WK in Brazilië begon Joegoslavië met duidelijke overwinningen op Zwitserland en Mexico. Omdat Brazilië gelijkspeelde tegen Zwitserland zou Joegoslavië genoeg hebben aan een gelijkspel om de finalepoule te halen. In het nog in aanbouw zijnde Maracanã-stadion kreeg Rakjo Mitić een stuk beton op zijn hoofd en moest hij daarom eerst verzorgd worden. De wedstrijd begon niettemin zonder hem en met 10 man kwam Joegoslavië met 1-0 achter. Na een kwartier nam Mitić weer deel aan het spel, de wedstrijd kantelde, maar na de 2-0 van Zizinho was de wedstrijd definitief beslist.

WK 1954 thumb|Vujadin Boškov Joegoslavië won alle vier de wedstrijden met 1-0 en ten koste van Griekenland en Israël werd de eindronde gehaald. Op het WK in Zwitserland behoorde Joegoslavië niet tot de "geplaatste landen", het speelde in zijn groep alleen tegen de geplaatste landen Brazilië en Frankrijk en niet tegen het eveneens ongeplaatste Mexico. Het won met 1-0 van Frankrijk door een doelpunt van Miloš Milutinović. Een gelijkspel tegen Brazilië was genoeg voor beide landen om zich te plaatsen voor de kwartfinale. Joegoslavië was favoriet tegen West-Duitsland, maar kwam snel achter door een eigen doelpunt van Ivica Horvat en kon ondanks een stormloop de gelijkmaker niet forceren.

WK 1958 Voor de derde achtereenvolgende maal plaatste Joegoslavië zich voor het WK, het moest de beslissende wedstrijd tegen Roemenië winnen en won met 2-0 dankzij twee doelpunten van Milutinović. Joegoslavië begon het WK in Zweden matig met een gelijkspel tegen Schotland, maar won voor de derde achtereenvolgende keer op een WK van Frankrijk: 3-2. Een 3-3 gelijkspel tegen Paraguay zorgde voor kwalificatie voor de kwartfinales, maar door het gelijkspel eindigde de ploeg als tweede en moest het opnieuw tegen West-Duitsland spelen. Joegoslavië was kansloos tegen de regerende wereldkampioen, al was de eindstand draaglijk: 1-0. Een hele generatie Joegoslavische spelers nam afscheid van het nationale team, waaronder Vujadin Boškov, die een grote carrière zou opbouwen als coach van o.a. Feyenoord, Real Madrid en Sampdoria.

EK 1960 thumb|Dražan Jerković Een nieuwe generatie moest het land leiden naar het eerste EK, in een gedevalueerd deelnemersveld waren twee rondes nodig om het eindtoernooi te halen, in de achtste finales werd Bulgarije en in de kwartfinales werd Portugal verslagen. Na een 2-1-nederlaag in Lissabon werd de return met 5-1 gewonnen. Het eerste EK werd gehouden in Frankrijk en het deelnemersveld bestond uit vier landen. Frankrijk was voor de vierde keer tegenstander van Joegoslavië, maar leek nu eindelijk te gaan winnen, want een kwartier voor tijd stond Joegoslavië met 4-2 achter. Tussen de 75e en 79e minuut scoorde Joegoslavië drie keer, waaronder twee treffers van Dražan Jerković: 4-5. In de finale tegen de Sovjet-Unie speelde men vooral tegen doelman Lev Jasjin, die zijn ploeg op de been hield met een aantal reddingen. Joegoslavië kwam in de eerste helft met 1-0 voor dankzij Galić, maar in de tweede helft liet doelman Vidinić een bal uit zijn hand glippen, waardoor de Sovjets gelijk kwamen. In de verlenging viel de beslissing, door een doelpunt van Viktor Ponedelnik werd de Sovjet-Unie de eerste Europese kampioen. Later in de zomer namen de Joegoslaven revanche door het olympisch goud te winnen.

WK 1962 Joegoslavië schakelde voor het WK Polen uit door met 2-1 te winnen in Belgrado en met 1-1 gelijk te spelen in Chorzów. In een Play-offwedstrijd tegen de Aziatische nummer één Zuid-Korea werd twee keer simpel gewonnen en Joegoslavië plaatste zich voor de vierde achtereenvolgende keer voor een WK. Het WK in Chili begon met een reprise van de Europese finale, de Sovjet-Unie won opnieuw met 2-0. De Sovjet-Unie speelde bijna de hele tweede helft met tien man, omdat een ruwe tackle een beenbreuk opleverde, de opmaat voor een buitensporig hard toernooi. De eerste helft door twee duidelijke overwinningen op Uruguay (3-1) en Colombia. Voor de derde achtereenvolgende keer was West-Duitsland de tegenstander in de kwartfinale, na twee eerdere nederlagen werd er nu gewonnen door een doelpunt van Petar Radaković vlak voor tijd. De halve finale tegen Tsjecho-Slowakije werd met 3-1 verloren door sterk keeperswerk van de Tsjechische doelman Schroiff en fouten in de verdediging. Uiteindelijk eindigde Joegoslavië op de vierde plaats door een 1-0-nederlaag tegen Chili. Jerković was een van de zes topscorers van het toernooi met vier doelpunten.

1962 - 1980 Wisselvalligheid troef 1962 - 1966 Na het succes in Chili volgde een neergang, voor het EK van 1964 werd Joegoslavië in de achtste finales uitgeschakeld door Zweden, na een doelpuntloos gelijkspel in Belgrado werd in de return in Malmö met 3-2 verloren. Ook de Olympische Spelen in 1964 werden geen succes, na vier opeenvolgende finaleplaatsen volgde nu een teleurstellende zesde plaats. Voor kwalificatie voor het WK van 1966 was Frankrijk weer de tegenstander, beide landen wonnen hun thuiswedstrijd met 1-0. Joegoslavië liet het echter liggen in de confrontaties tegen Noorwegen, in Oslo werd een smadelijke 3-0-nederlaag geleden, Joegoslavië eindigde zelfs op de derde plaats in zijn groep. De generatie Jerković/Galić nam afscheid van het nationale team, in die periode debuteerde het grote talent Dragan Džajić.

EK 1968 thumb|Dragan Džajić In de eerste ronde voor kwalificatie voor het EK van 1968 was de loting pittig, voornaamste tegenstander voor een plaats in de kwartfinales was finalist op het laatste WK West-Duitsland. Joegoslavië won in Belgrado met 1-0 door een doelpunt van Josip Skoblar, maar verloor in Hamburg met 3-1. Een beslissingswedstrijd op neutraal terrein leek onvermijdelijk, maar omdat West-Duitsland in de laatste wedstrijd tegen Albanië met 0-0 gelijkspeelde, was Joegoslavië geplaatst voor de kwartfinale, het zou de eerste en laatste keer zijn dat (West-)Duitsland zich niet plaatste voor een groot toernooi. In de kwartfinale wachtte de zoveelste confrontatie met Frankrijk, na een 0-0 gelijkspel won Joegoslavië in Belgrado met grote cijfers: 5-1. Het EK in Italië bestond uit vier deelnemers, het deelnemersveld was pittig met naast het gastland, wereldkampioen Engeland en nummer vier van het laatste WK de Sovjet-Unie. Het venijn van de halve finale tegen Engeland zat hem in de staart; Joegoslavië won in Florence met 1-0 van de door een sterke individuele doelpunt van Džajić vier minuten voor tijd en Džajić maakte veel indruk met wervelende, individuele acties en was de smaakmaker van het toernooi. Het was het enige doelpunt in de halve finales, aangezien de andere halve finale tussen Italië en de Sovjet-Unie beslist werd door het gooien van een muntstuk, Italië was de gelukkigste. Joegoslavië kwam in de eerste helft met 1-0 voor door opnieuw een doelpunt van Džajić en het was aan de Italiaanse doelman Dino Zoff te danken, dat de voorsprong niet vergroot werd. De scheidsrechter gaf een vrije trap aan de Italianen, die niemand zag en hinderde enkele uitlopende Joegoslaven, waardoor er een gat in de muur ontstond en Italië vlak voor tijd de gelijkmaker kon scoren. Omdat de score na 120 minuten nog steeds gelijk was en deze keer niet werd geloot werd er een tweede finalewedstrijd georganiseerd. Dat duel verloor Joegoslavië met 2-0 en het eindigde opnieuw op een tweede plaats op een EK.

1968 - 1972