Het 18e Leger (Duits: 18. Armee) was een onderdeel van de Wehrmacht in de Tweede Wereldoorlog. Het werd opgericht op 4 november 1939 en capituleerde op 9 mei 1945. Het leger vocht aan het westfront tijdens de inval in Nederland. Aan het oostfront belegerde het Leningrad gedurende 900 dagen. Op het einde van de oorlog capituleerde het 18e Leger in Koerland.
Inval in Nederland
Het 18e Leger werd op 4 november 1939 opgericht en het was verantwoordelijk voor de verdediging van de westelijke grens vanaf de Rijn tot aan de Noordzee. In het oorspronkelijke aanvalsplan voor de aanval op Frankrijk en de Lage Landen was louter een defensieve rol voor het leger weggelegd. Er zou immers geen aanval op Nederland worden ondernomen. Pas op 17 januari 1940 werd beslist om ook Nederland te bezetten. Volgens Fall Gelb zou de voornaamste aanval in de Ardennen plaatsvinden. De aanval op België en Nederland was slechts een afleidingsmanoeuvre om zoveel mogelijk Franse en Britse troepen naar het noorden te lokken. Het 18e Leger zou dus slechts een secundaire rol vervullen in het offensief.
De opdracht van het 18e Leger was de verovering van Nederland. Voor deze taak kreeg generaal Georg von Küchler de beschikking over vier reguliere infanteriedivisies en drie reserve-divisies. Dit was veel te weinig. Bovendien waren deze eenheden allemaal pas opgericht in augustus 1939. Ze waren nauwelijks getraind en ze beschikten over onvoldoende officieren en onder-officieren. Het Duitse opperbevel gaf generaal von Küchler versterkingen in de vorm van de 1e Cavalerie-divisie (de enige cavalerie-eenheid in de Duitse Wehrmacht) en de SS-Verfügungstruppe. In totaal telde het 18e Leger 150 000 man. Het 18e Leger kreeg tijdelijk de beschikking over de 9e Pantserdivisie (bestaande uit één tankregiment uitgerust met Tsjechische tanks) en luchtlandingstroepen. De twee luchtlandingsdivisies bleven onder de tactische controle van de Luftwaffe en generaal von Küchler had dus geen zeggenschap over hun inzet.
Op 10 mei 1940 overschreed het 18e Leger de Nederlandse grens. In het noorden veroverde de 1e Cavalerie-divisie zonder veel tegenstand Groningen en Friesland. Op 12 mei 1940 bereikte de voorhoede de kop van de Afsluitdijk bij Kornwerderzand. De Duitsers konden echter geen doorbraak realiseren. Pas na de capitulatie konden de Duitsers de Afsluitdijk oversteken.
In het centrum probeerden Duitse commando’s gekleed in Nederlandse uniformen de bruggen over de Maas te bezetten. Enkel bij Gennep lukte dit, maar dat was voldoende om reeds op de eerste dag de Maas- en de IJsellinie en de daarachterliggende Peel-Raamstelling te doorbreken. Op 11 mei 1940 bereikten de 207e divisie en SS-Regiment ‘Der Führer’ de voorposten van de Grebbelinie. Na twee dagen van zware gevechten langsheen de linie dwongen de Duitse aanvallers de Nederlandse troepen tot een terugtocht. thumb|links|Intocht van de Duitse troepen in Amsterdam, mei 1940 In het zuiden rukte de 9e Pantserdivisie snel op door Noord-Brabant. Gesteund door de Stuka-duikbommenwerpers baanden ze zich een weg door de Nederlandse verdediging. Op 12 mei 1940 maakten de tanks contact met de paratroepen, die op 10 mei 1940 waren gedropt nabij Rotterdam en de belangrijke bruggen bij Moerdijk hadden veroverd. Vesting Holland was afgesneden van de rest van de geallieerde strijdmacht. Na het bombardement op Rotterdam capituleerde Nederland.
Het 18e Leger kreeg opdracht om het Nederlandse leger te ontwapenen en vervolgens Zeeland te veroveren. Generaal von Küchler stuurde een deel van zijn troepen langs Antwerpen in de richting van Gent. Op 24 mei viel ook het laatste deel van Nederland in Duitse handen. Het 18e leger zette zijn opmars langs de Belgische kust verder naar het zuiden. Op 31 mei 1940 kreeg generaal Georg von Küchler het bevel over alle Duitse troepen rond Duinkerke. Na de val van Duinkerke werd het 18e leger naar de Somme overgeplaatst. thumb|Intocht van de Duitse troepen in Parijs, juni 1940 Tijdens de Slag om Frankrijk behoorde het 18e Leger niet tot de frontlijntroepen. Enkel nadat het 4e Leger en het 6e Leger, samen met de Pantsergroep von Kleist een bres hadden geslagen in de Franse linie bij de Somme werd het 18e Leger ingezet. Het was echter generaal von Küchler die de hoofdprijs wist te bemachtigen. Op 14 juni 1940 trokken zijn eenheden Parijs binnen. Daarna rukten ze verder naar het zuiden op. De voorhoede bevond zich ten zuiden van Tours toen op 22 juni 1940 Frankrijk capituleerde.
Vanaf 26 juni 1940 fungeerde het 18e Leger als bezettingsmacht in Zuidwest-Frankrijk. Op 21 juli 1940 begonnen de eerste onderdelen zich te verplaatsen naar Duits-Russische grens in Oost-Pruisen.
Operatie Barbarossa Op 22 juni 1941 startte operatie Barbarossa, de Duitse inval in de Sovjet-Unie. Het 18e Leger, bestaande uit acht infanteriedivisies, vormde de noordelijke vleugel van Legergroep Noord. Kolonel-generaal Georg von Küchler moest in het spoor van de tanks van Panzergruppe 4 door de Baltische staten oprukken naar Leningrad, de geboortestad van het bolsjevisme.
Aanvankelijk verliep alles volgens plan voor de Duitse troepen. Gesteund door de aanvallen van Stuka-duikbommenwerpers braken de Duitse divisies reeds op de eerste dag door de Sovjetverdediging. De Sovjets werden compleet verrast door de kracht en snelheid van de Duitse opmars. De drie korpsen van het 18e Leger staken de Njemen over en veroverden op 26 juni Kaunas. Drie dagen later viel Libau in hun handen en bereikten ze de Duna.
De onverharde wegen vormden een probleem voor de opmars van de Duitse gemechaniseerde eenheden. De Duitse voertuigen op de zanderige wegen veroorzaakten enorme stofwolken. Het stof drong door elke opening. Olie en brandstof raakten vervuild en motoren begonnen te blokkeren. Wegens de snelle opmars hadden de Duitsers geen tijd om hun voertuigen te onderhouden. Naarmate de opmars vorderde, werd de slijtage steeds erger. Sommige divisies van het 18e Leger verloren meer dan een derde van hun voertuigen.
Op 1 juli bereikte Kolonel-generaal Georg von Küchler Riga. De stad viel bijna zonder verzet in Duitse handen. Het 26e Legerkorps, dat de linkervleugel van het 18e Leger vormde, rukte verder op via de kust. Geholpen door de lokale bevolking omzeilden de Duitse eenheden de Sovjetverdediging en ze drongen steeds verder Letland binnen. thumb|links|Overleg tussen maarschalk von Leeb (links) en generaal von Küchler (2de van rechts) Begin juli 1941 begonnen de eerste problemen van de Blitzkrieg tactiek zichtbaar te worden. De Duitse tanks van het 56e Gemotoriseerde Korps van generaal Von Manstein vormden de gepantserde speerpunt van Heeresgruppe Nord en hun tempo lag veel hoger dan de niet-gemotoriseerde infanteriedivisies. Bovendien moest het 18e Leger telkens de omsingelde Sovjettroepen vernietigen. De vuurkracht en tactische vaardigheid van de Duitse troepen was beter dan die van de Sovjets, maar de Duitse infanterieregimenten moesten zich ontplooien, de omgeving verkennen, artillerie in stelling brengen en ten slotte een aanval uitvoeren. Deze gevechten kostten tijd. Tijdens de veldtocht in het westen hadden de omsingelde troepen zich telkens overgegeven, maar de Sovjets bleven doorvechten. Op 19 juli 1941 beval Adolf Hitler dat Moskou niet het belangrijkste aanvalsdoel was, maar dat Leningrad en Oekraïne moesten worden veroverd vooraleer de opmars naar Moskou mocht worden hervat. De beide korpsen van Pantsergroep 4 kregen de opdracht om door te stoten naar Leningrad. Het 18e Leger moest de linkerflank dekken door de Sovjettroepen te verdrijven uit Koerland, Letland en Estland. De korpsen van het 18e Leger waren door opmars van de grens naar Riga erg verspreid geraakt. Het Duitse Opperbevel vond het niet nodig om deze eenheden tijd te geven om zich te hergroeperen en te concentreren, want volgens hun inlichtingen waren de Sovjetlegers te verzwakt om de opmars tegen te houden. Het 38e Legerkorps volgde in het spoor van de tanks van het 41e Gemotoriseerde Korps in de richting van Kingisepp. Ondertussen rukte het 1e Legerkorps samen met de tanks van generaal von Mansteins 56e Gemotoriseerde Korps via Soltsy op naar Novgorod. Na hevige gevechten bij Soltsy, waarbij de Sovjets erin slaagden om een van de pantserdivisie van von Manstein te omsingelen, bereikte het 1e Legerkorps op 30 juli de oever van het Ilmenmeer.
Terwijl de korpsen van de rechtervleugel van het 18e leger zware tegenstand ontmoette, rukten het 26e Legerkorps en het 42e Legerkorps op door Estland. Ze verdreven de verspreide eenheden van het 8e leger. Ze veroverden Tartu en Pärnu. Begin augustus bereikten ze Tallinn, dat na een kort beleg werd veroverd.
Beleg van Leningrad Op 24 augustus 1941 naderde het 18e leger de buitenste verdedigingslinie van Leningrad. Vanuit het zuidwesten en zuidoosten naderden de Duitsers de stad. Bij Krasnogvardievsk kwam het tot hevige gevechten en het 41e Gemotoriseerde Korps wist een doorbraak te forceren. Onder druk van de Duitse aanvallen begonnen de Sovjets terug te wijken. In het oosten veroverde het 39e Gemotoriseerde Korps, geleend van Heeresgruppe Mitte, de stad Ljoeban en op 1 september viel ook het belangrijke spoorwegknooppunt Mga in hun handen. Op 8 september 1941 bereikte het 28e Legerkorps Sjlisselburg aan de zuidoever van het Ladogameer, waardoor Leningrad volledig was omsingeld. Slechts over het meer was de stad nog bereikbaar. Vanuit het zuidwesten begon het 18e Leger aan de verovering van de stad. Het eerste doel waren de heuvels bij Krasnoje Selo. Gesteund door de tanks van het 41e Gemotoriseerde Korps vielen de twee infanteriedivisies van het 38e Legerkorps deze belangrijke heuvelrug aan. Na hevige gevechten kreeg het 18e Leger de overhand. De tweede verdedigingslinie was doorbroken en de Duitsers zagen de buitenwijken van de stad liggen, maar ze waren te uitgeput om snel door te stoten. Generaal von Küchler hergroepeerde zijn divisies voor de laatste aanval. Op de linkerflank moest het 28e Legerkorps Peterhof aan de Finse Golf innemen, de centrale aanval zou worden gevormd door het 38e Legerkorps en de drie korpsen van Panzergruppe 4. Op de rechterflank moest het 28e Legerkorps voorkomen dat de Sovjets zouden uitbreken naar het oosten. links|200px|thumb|Generaal Lindemann bekijkt Sovjetstellingen
Op 12 september 1941 beval Adolf Hitler de aanval te staken. Hij had beslist dat Leningrad moest worden uitgehongerd. Volgens hem zou een frontale aanval te veel verliezen aan manschappen en tanks veroorzaken. Bovendien kreeg Heeresgruppe Nord opdracht om de tanks van Panzergruppe 4 over te dragen aan Heeresgruppe MItte. Deze versterkingen zouden worden ingezet bij de aanval op Moskou. Door deze beslissing werd het 18e Leger beroofd van de ondersteuning van tanks en het offensief in de richting van de stad vertraagde en kwam tot stilstand op 19 september op minder dan 20 kilometer van de stad. Aan de linkerflank boekte het 28e Legerkorps nog wel een succes door de verovering van Peterhof op 25 september 1941, waardoor het 8e Leger werd geïsoleerd in het bruggenhoofd bij Oranienbaum.
Vanaf oktober 1941 begon het 18e leger een serie van verdedigingslinies ten zuiden van Leningrad aan te leggen. Vanuit deze posities beschoten ze onophoudelijk de stad met zware artillerie. De Duitse troepen zouden meer dan 900 dagen de stad belegeren.