De Brugse scherprechters of beulen waren door de stad Brugge aangestelde hulpkrachten binnen het gerechtelijk apparaat.

Historisch overzicht Over de beulen in Brugge bestaan geen exhaustieve studies. Wat over hen geweten is, is te halen uit informatie, soms toevallige, die her en der schuil gaat in meer algemene studies. Omvangrijke opzoekingen over verschillende eeuwen in de uitgebreide stadsrekeningen leren anderzijds heel wat namen van beulen kennen, evenals de activiteiten waarvoor ze bezoldigd werden.

Dat men zich vroeger nauwelijks voor de scherprechters interesseerde is bevreemdend, want hun activiteiten kwamen soms op spectaculaire wijze op de voorgrond. Zo was er het grote tweeluik Het oordeel van Cambyses door Gerard David, waarop men de beulen aan het werk zag en dat zowel in het stadhuis (het originele) als in het Brugse Vrije (de kopie) goed zichtbaar aanwezig was. Men vond in de kronieken de kleurrijk en wreedaardig beschreven folteringen op schout Pieter Lanchals en zijn lotgenoten in 1488. De vele martelingen en terechtstellingen zowel van protestanten als van katholieken (onder meer de ophefmakende zaak van de paters franciscanen in de tweede helft van de 16de eeuw) waren welbekend.

Er is een van de beulen, Wissel Geerts, die bekend bleef, vanwege de persoonlijke appreciatie die Joos de Damhouder over hem gaf. Volgens hem was hij een vrome en ingoede man, die de patiënten in de cel ging opzoeken om ze moed in te spreken alvorens hij ze folterde en die Missen voor hun zielenzaligheid deed opdragen. Hij bezocht herbergen noch bordelen en was mild in het uitdelen van aalmoezen.

Als de beul spectaculair faalde, was dit iets om in de kronieken te vereeuwigen. Nicolas Le Blond ging in 1586 zo onhandig te werk dat hij tot driemaal moest herbeginnen om het hoofd af te houwen van de protestantse patriciër Pieter Chantraines dit BroucxaultA. VIAENE, a.w. en Marant Reiniers drukte in 1613 zo onhandig op de schouders van de gehangene Pieter Van Wesemaal, dat de koord brak en de veroordeelde tegen de grond smakte. Een tweede opknoping leek te lukken en de booswicht werd voor dood achter gelaten in het graf dat gedolven was op het kerkhof van Sint-Donaas. Maar vooraleer men er het stoffelijk overschot kon bijvoegen van drie andere opgehangenen, kwam hij weer tot leven. Ditmaal werd hij geen derde keer meer opgehangen, maar door een besluit van Albrecht en Isabella vrijgesproken. Ze gaven hiermee gevolg aan de volksovertuiging dat wie het er na een opknoping levend van af bracht, moest gespaard worden.J. MONBALLIU, a.w.

In 1792 werd de beul door de Jacobijn Jean-Antoine van Zuylen de Gaesebeke ertoe overgehaald, mits betaling, de beelden van het stadhuis op de Markt symbolisch te onthoofden.

Bij de nogal massale terechtstellingen van roversbenden in de Franse tijd, die van François Salembier in 1798 en die van Ludovicus Baekelandt in 1803, bleef de beul op de achtergrond en werd hij nauwelijks en zeker niet bij naam genoemd.

Vroegste folteringen De vroegst bekende aanwending van de pijnbank in een rechtszaak is voor wat Vlaanderen betreft te situeren in Brugge in 1258-1260. R. VAN CAENEGEM, a.w.

Folteren teneinde inlichtingen te bekomen, of als politiek of militair wapen is van alle tijden en de geschiedenis ervan kan worden opgemaakt tot in de vroegste beschavingen. In 1129 werden de moordenaars van graaf Karel de Goede gefolterd opdat ze hun medeplichtigen zouden verklikken. GALBERTUS, a.w.

Het folteren om bekentenissen te bekomen, dus binnen een officieel rechterlijk kader, wordt pas vanaf de dertiende eeuw in het graafschap Vlaanderen vastgesteld. De eerste scherprechters die hiervoor werden aangesteld kennen we pas vanaf de veertiende eeuw. Voordien behielp zich de baljuw waarschijnlijk met de politiemannen waarover hij het bevel voerde. Het vroegst bekende geval is dat van de Brabantse handelaar Franco van Langherode die rond 1258 door de baljuw van Brugge, Jan Ronghe, werd beticht van valsmunterij. Hij bekende onder foltering en werd onmiddellijk ter dood gebracht, hoewel achteraf bleek dat hij helemaal onschuldig was. De executie was gebeurd onder het luide protest van de schepenen van Brugge, die oordeelden dat bekentenissen op de pijnbank afgedwongen, onvoldoende waren als er geen andere bewijzen waren. De eigengereide actie van de grafelijke vervolgingsambtenaar was dus helemaal onwettelijk.

Er valt hierbij op te merken dat de pijnbank niet door een wettelijke bepaling werd ingevoerd, maar gewoon vanuit praktische overwegingen als een politiemiddel tot stand kwam. Wederrechtelijke folterpraktijken kwamen meer dan eens voor, zoals men weet uit de klachten die tot de graaf gericht werden. Daarom werden in Brugge en elders keuren uitgevaardigd die bepaalden dat geen poorter mocht worden gepijnigd, tenzij onder de controle van de schepenen. Langs deze weg sloop het folteren als het ware de rechtspraak binnen en kreeg het een wettig statuut, zonder dat er ooit wetgeving over werd uitgevaardigd.

Het folteren Waaruit het folteren in Brugge bestond, is weinig beschreven. Het publieke folteren op de Markt, zoals aan schout Pieter Lanchals en andere getrouwen van Maximiliaan van Oostenrijk te beurt viel, is een uitzondering. Daarover werd verteld dat de pijnbank, een uitrekkingstoestel, dat door diezelfde Lanchals was geperfectioneerd, op hem en zijn metgezellen werd toegepast.

Voor de folteringen binnen de kelders van het stadhuis of van het Brugse Vrije beschikte de beul over de gewoonlijke middelen om iemand uit te rekken, te radbraken, de duimschroeven op te zetten, met gloeiende tangen te bewerken enz. Na veroordeling moest hij ook kunnen handen afkappen, oren of neus afsnijden, tongen doorboren, brandmerken aanbrengen, enz.

Er waren in Brugge minstens twee 'pinecamers' waar de folterpraktijken plaatsvonden, namelijk in de kelders van het stadhuis en in de kelders van Het Loove of paleis van het Vrije. In dit tweede gebouw had de schout, als hoofd van de politie, zijn zetel. De gevangenen werden naar daar overgebracht van het Steen (tot in 1687) en vanaf die datum van het Pandreitje.

Jacques Gadeyne, conciërge van het stadhuis in Brugge, maakte in 1746 de factuur op van wat hij aan spijs en drank had geleverd voor de beulen, de gefolterden en de leden van de stadsmagistraat die de folteringen bijwoonden. P. CLAEYS, a.w., blz. 411-412. Voor vier dagen waarop gefolterd werd, met name 21, 22, 23 en 29 maart 1746, leverde Gadeyne, in opdracht van de griffier-crimineel Maarten Willems: Viermaal een bottel warme wijn of een pint wijn voor de patiënt. Voor zover het niet om dezelfde verdachte ging, werden dus op één week tijd vier personen gefolterd. Viermaal bier voor de scherprechter en zijn dienaars. Viermaal Bourgognewijn voor de aanwezige artsen die er moesten over waken dat de verdachten niet dood gefolterd werden en na ieder foltersessie, de toegebrachte verwondingen moesten helen. Viermaal eten voor de gefolterden, de folteraars en de andere aanwezigen. Op 21 en 22 maart 1746 werd ontbijt, middag- en avondmaal geserveerd, wat aantoont dat het om lange sessies ging. Voor 23 en 29 maart werd geen eten vermeld. Drie flessen Bourgogne, ten behoeve van de griffier crimineel, de artsen en de burgemeester van de Commune (hoofd van de stedelijke politie), die de zittingen bijwoonden. De kostprijs van deze wijn lag dubbel zo hoog als die van de wijn die men aan de patiënt liet drinken.

De folteringen werden vanaf 1784, als ondervragingsmethode, onderworpen aan een voorafgaande toelating van de hogere overheid in Brussel, die ze nooit verleende, hetgeen in de praktijk het einde van de folterpraktijken betekende. In 1787 volgde het edict van keizer Jozef II waarbij het folteren definitief werd verboden.

De beulen bleven nochtans verder voor de strafuitvoeringen zorgen: het opknopen, het geselen, het brandmerken, het aan de schandpaal nagelen enz.

Het opknopen De ultieme straf, de beroving van het leven, die in bepaalde perioden op aanzienlijke wijze werd toegepast (bij volksopstanden en tijdens de godsdiensttroebelen bijvoorbeeld) behoorde tot het meest zichtbare deel van het beulenwerk. Het evenement was dan toch voldoende uitzonderlijk om de menigte aan te lokken die dit vaak als een morbide feest kwam bijwonen. Gebeurde dit in de vroegere eeuwen buiten de stad op het galgenveld, dan werd het van lieverlede, als een vorm van afschrikwekkend voorbeeld, naar het centrum van de stad gebracht.

Oorspronkelijk werd vooral het hoofd van de romp gescheiden met het zwaard. In de zestiende-zeventiende eeuw werden ketters en heksen meestal verbrand. Nadien werd het ophangen aan de galg de meest toegepaste methode. De Brugse scherprechter Adriaan Onderbank gaf in 1731 aan de magistratuur een prijslijst van zijn diensten: brandmerken, geselen, wurgen en onthoofden. Ophangen was er niet bij. In 1765 bleek Sluis wel over een galg te beschikken. In 1769 maakte Pieter Boitquin een offerte op om in Sluis te radbraken. Na het breken van de ledematen werd een kwartier gewacht tot het geven van de dodelijke genadeslag. Vanaf de Franse tijd werd het opknopen vervangen door de guillotine. De nieuwe strafrechtbank schafte zich zo een toestel aan.

Na de executie Het terechtstellen van een veroordeelde was vaak niet de laatste akte. Het lichaam werd in veel gevallen gevierendeeld. Het slachtoffer mocht zich al gelukkig prijzen als hem dat niet levend was overkomen.

Het hoofd werd door de beul op een spies vastgestoken en permanent (of toch voor een aantal jaren) tentoongesteld, op de Markt, op de Burg, of boven een van de stadspoorten, als afschrikwekkend voorbeeld.

Het galgenmaal Op elke terechtstelling volgde een feestje, waarschijnlijk om de emoties weg te spoelen.

Een voorbeeld vindt men in de stadsrekening van Brugge voor het jaar 1782. Na een terechtstelling aten schout, burgemeesters, schepenen en griffiers samen in de grote ledenkamer; twee paters predikheren (die de gehangene hadden bijgestaan), de officieren van de schout en twee klerken van de vierschaar aten bij de conciërge; in de groene kamer werd opgediend voor de scherprechter, zijn zoon en helper, vier officieren van justitie en de adjudant van de Burgerlijke wacht. Dit alles op stadskosten. J. DE SMET, a.w. De bezoldiging De voornaamste bezoldiging van de scherprechters bestond in een vaste jaarwedde en woonstvergoeding vanwege de stad Brugge en een jaarwedde vanwege het Brugse Vrije. Voor iedere activiteit (foltering, lijfstraf, halsrechten, oppakken van geestesgestoorden) kregen ze een bijkomende vergoeding. De scherprechter werd ook eigenaar van de klederen die de ter dood veroordeelden droegen. L. GILLIODTS, Mémoriaux de Bruges, blz. 448. Hij was ook aangesteld voor het uitroeien van de in de stad loslopende honden en dit was, gelet op het groot aantal ervan, een niet te versmaden supplementaire bron van inkomsten. L. KNAPELINCK, a.w.; J. DE DAMHOUDER, a.w., blz 549-555.

Daarnaast behield de scherprechter tal van rechten, van zeer uiteenlopende en soms curieuze aard. Zo kon hij een vaste taks heffen op: alle voedingswaren zoals vlees, eieren, groenten en fruit die door particulieren werden aangeboden op de Markt en in de Steenstraat; brandhout en stro dat door niet-poorters in de stad werd binnengebracht; ieder huwelijk dat in een Brugse parochiekerk werd voltrokken; de kegelbaan die tijdens de Brugse jaarmarkt op de Markt werd uitgebaat (afgeschaft in 1477).