Neoklassieke economie of neoklassieke economische theorie is de naam voor een economische school met verschillende benaderingen die zich richt op het bepalen van prijzen, geleverde goederen en diensten en inkomensverdeling in markten, door middel van het in theorie bepalen van vraag en aanbod in die markt. Het gaat vaak uit van een hypothetische nutsmaximalisatie door consumenten, onder restrictie van een gegeven inkomen, en van winstmaximalisatie door bedrijven, onder restrictie van gegeven kosten, waar bedrijven de productiefactoren, waar zij over beschikken, op basis van de beschikbare informatie en in overeenstemming met de rationele-keuzetheorie inzetten. (1987), "marginal economy" (Marginalistische economie), The New Palgrave: A Dictionary of Economics, v. 3, blz. 323. De neoklassieke economie domineert de micro-economie en vormt samen met de Keynesiaanse economie de neoklassieke synthese, die de economische wetenschap al decennialang domineert. (1998). Principles of political economy: A comparative approach (Beginselen van de politieke economie: een vergelijkende benadering). Westport, CT: Praeger. Er bestaat al lang gefundeerde kritiek op de neoklassieke economie. Deze kritiek wordt in de wetenschap gebruikt om neoklassieke theorieën te verbeteren, waar aanvullende aannames over het gedrag van gebruikers en bedrijven in zijn opgenomen. Ook worden soms bestaande aannames verworpen.

De term neoklassieke theorie werd in 1900 geïntroduceerd door Thorstein Veblen (die zelf beschouwd wordt als grondlegger van het institutionalisme) in zijn Preconceptions of Economic Science om een onderscheid te maken tussen de marginalisten in de traditie van Alfred Marshall en de Oostenrijkse School.; “The Preconceptions of Economic Science” (Vooropgezette meningen binnen de economische wetenschap) Pt III, Quarterly Journal of Economics v14 (1900).Colander, David; The Death of Neoclassical Economics (Het einde van de neoklassieke economie). De term werd later gebruikt door John Hicks, George Stigler, en anderen die ten onrechte veronderstelden dat de belangrijke geschillen tussen de marginalistische scholen grotendeels waren opgelost Production and Distribution Theories: The Formative Period, Productie- en verdelingstheorieën: de ontstaansperiode, MacMillan (1941). om te verwijzen naar het werk van Carl Menger, William Stanley Jevons, John Bates Clark en vele anderen. Heden ten dage wordt de term meestal gebruikt om te verwijzen naar de stroming binnen de economische wetenschap, hoewel het ook wordt gebruikt als overkoepelende term voor een aantal reeds ter ziele gegane scholen.; “Introduction to the Neoclassicals” (Inleiding tot de Neoklassieken), The Nes School. De institutionele economie, verschillende historische scholen, de Marxistische economie en diverse andere heterodoxe benaderingen van de economische wetenschap maken geen deel uit van de neoklassieke economie.

Overzicht Er is geen volledige overeenstemming over wat nu precies bedoeld wordt met neoklassieke economie, en het resultaat is een breed scala van neoklassieke benaderingen voor verschillende probleemgebieden en domeinen - variërend van een neoklassieke theorie van arbeid tot een neoklassieke theorie van demografische veranderingen. Zoals verwoord door E. Roy Weintraub berust de neoklassieke economie echter op drie uitgangspunten, alhoewel bepaalde deelgebieden van de neoklassieke theorie soms andere benaderingen hebben:

Mensen hebben rationele voorkeuren in de keuze tussen uitkomsten. Deze voorkeuren kunnen worden geïdentificeerd en deze voorkeuren kunnen ook in waarden worden uitgedrukt. Particulieren maximaliseren nut en ondernemingen maximaliseren winsten. Mensen handelen onafhankelijk van elkaar op basis van volledige en relevante informatie.

Op basis van deze drie aannames hebben neoklassieke economen een raamwerk gebouwd waarmee zij de allocatie (toewijzing) van schaarse middelen over alternatieve mogelijkheden proberen te begrijpen - in feite wordt het verkrijgen van inzicht in deze allocatie door neoklassieke economen vaak zelfs beschouwd als de definitie van de economische wetenschap zelf. Een van de grondleggers van de neoklassieke economie, William Stanley Jevons, legde het "probleem van de economie" als volgt uit. "Gegeven een bepaalde bevolking, met verschillende noden en productiemogelijkheden, die in het bezit is van een bepaalde hoeveelheid land en andere grondstoffen: vereist, de manier om de arbeid van die bevolking op een zodanige wijze in te zetten dat het nut de door hen gemaakte productie maximaliseert."William Stanley Jevons (1879, 2de Ed., blz. 289), The Theory of Political Economy (De theorie van de politieke economie).

Uit deze drie uitgangspunten van de neoklassieke economie vloeit een breed scala aan theorieën over de verschillende deelgebieden van economische activiteit voort. Achter de neoklassieke theorie van de onderneming ligt bijvoorbeeld het winstmaximalisatie motief, terwijl de afleiding van vraagcurves tot een theoretisch begrip van consumptiegoederen leidt. Aanbodcurve laten de analyse van productiefactoren toe. Nutsmaximalisatie is de bron voor de neoklassieke consumptietheorie, de afleiding van de vraagcurves voor consumptiegoederen, de afleiding van de arbeidsaanbodcurve voor arbeid en de reserveringsprijs daarvanPhilip H. Wicksteed The Common Sense of Political Economy (Het gezond verstand van de politieke economie). Vraag en aanbod in de markten worden over bedrijven en particulieren geaggregeerd. De interacties tussen bedrijven en particulieren bepalen de evenwichtsproducties en de evenwichtsprijzen.

De markt van vraag en aanbod voor elke productiefactor wordt op analoge wijze afgeleid als die voor de gehele eindproductenmarkt om zo het evenwichtsinkomen en de inkomensverdeling te bepalen. De vraag naar productiefactoren incorporeert de marginale productiviteitsrelatie van deze productiefactor in de eindproductenmarkt. Christopher Bliss (1987), "distribution theories, neoclassical" (verdelingstheorieën, neoklassiek), The New Palgrave: A Dictionary of Economics, v. 1, pp. 883-886. Robert F. Dorfman (1987), "marginal productivity theory" (marginale productiviteitstheorie), The New Palgrave: A Dictionary of Economics, v. 3, pp. 323-25.George Stigler (1941). Productie en distributie Theorieen (Productie en verdelingstheorieën) (1870-1895). New York: Macmillan.

De neoklassieke economie benadrukt evenwichten, waar evenwichten moeten worden gezien als de oplossingen van agenten maximalisatie problemen. Regelmatigheden in economieën worden verklaard door een methodologisch individualisme, het standpunt dat de economische verschijnselen kunnen worden verklaard door het het gedrag van agenten te aggregeren (bij elkaar op te tellen). De nadruk ligt hier op de micro-economie. Aan instituties, die kunnen worden beschouwd als voorafgaand aan en als individueel gedrag conditionerend, wordt minder aandacht besteedt. Deze keuze leidt tot economisch subjectivisme.

Oorsprong Van de klassieke economie, die zich in de 18e en 19e eeuw had ontwikkeld, maakte ook een waarde- en verdelingstheorie deel uit. Men dacht dat de waarde van een product afhing van de gemaakte kosten die nodig waren om dat product te maken. De uitleg van kosten was in de klassieke economie tegelijkertijd ook de uitleg van de verdeling. Een landeigenaar ontvangt pacht, een werknemer ontvangt loon, en een kapitalistische pachter ontvangt winst op zijn investeringen. Binnen deze klassieke aanpak vallen ook de werken van Adam Smith en David Ricardo.

In de loop van de 19e eeuw begonnen sommige economen geleidelijk aan de nadruk te leggen op de gepercipieerde waarde van een goed voor de consument. Zij stelden een theorie voor waarin de waarde van een product werd uitgelegd met behulp van verschillen in "nut". Deze stroming noemt men het utilitarisme. Zij wordt geassocieerd met de filosoof en economische denker John Stuart Mill.

De derde stap van de politieke economie naar de economie was de introductie van de "marginale waardetheorie" of het marginalisme. Marginale waarde betekent dat de economische actoren beslissingen nemen op basis van de "marges". Een persoon beslist bijvoorbeeld om een tweede broodje te kopen op basis van hoe vol hij of zij zit na consumptie van het eerste broodje, een onderneming huurt een nieuwe medewerker in op basis van de verwachte winststijging die deze extra werknemer met zich mee zal brengen. Dit verschilt van de geaggregeerde besluitvorming van de klassieke politieke economie in die zin dat het marginalisme verklaart waarom sommige vitale goederen, zoals water bijvoorbeeld goedkoop is, terwijl luxegoederen daarentegen duur kunnen zijn.

De neoklassieke revolutie Het ontstaan van de neoklassieke economie wordt conventioneel gedateerd als de jaren 1870-75. In deze periode verscheen William Stanley Jevons' Theory of Political Economy (Theorie van de politieke economie) (1871), Carl Mengers Grundsätze der Volkswirtschaftslehre (Principes van de economie) (1871), en Léon Walras Éléments d'économie politique pure (Elementen van de pure economie) (1874 - 1877). Van deze drie economen wordt gezegd dat zij de marginalenutsrevolutie, of de neoklassieke revolutie in gang hebben gezet. Historici van de economie en economen hebben de onderstaande drie zaken bediscussieerd:

Is nut of is het marginalisme van meer essentieel belang voor deze revolutie (of is het zelfstandig naamwoord of het bijvoeglijk naamwoord in de uitdrukking "marginaal nut" belangrijker)? Was er sprake van een revolutionaire verandering in het denken of slechts van een geleidelijke ontwikkeling en verandering van nadruk ten opzichte van hun voorgangers? Leidt het samen groeperen van deze drie economen in een stroming er niet toe dat verschillen die eigenlijk belangrijker zijn dan hun gelijkenissen te veel worden toegedekt? (1976) "Menger, Jevons, and Walras De-Homogenized" (Menger, Jevons en Walras gedehomogeniseerd), Economic Inquiry, V. 14 (december): 511-525

In het bijzonder was Walras meer geïnteresseerd in de wisselwerking van markten dan in het uitleggen van de individuele psyche aan de hand van een hedonistische psychologie. Jevons zag zijn economische theorie als een toepassing en ontwikkeling van Jeremy Benthams utilitarisme en stelde nooit een volledig algemene evenwichtstheorie op. Menger benadrukte onevenwichtigheid en de discrete aard van de economie. Menger had een filosofisch bezwaar tegen het gebruik van wiskunde in de economie, terwijl de andere twee hun theorieën modelleerden op de 19e-eeuwse mechanica. (1989) More Heat than Light: Economics as Social Physics, Physics as Nature's Economics (Meer warmte dan licht: Economie als sociale natuurkunde, natuurkunde als de economie van de natuur), Cambridge University Press

Een generatie later was Alfred Marshalls Principles of Economics (1890) het dominante tekstboek in Engeland. Marshalls invloed breidde zich over de hele wereld uit. Zo complimenteerden men Maffeo Pantaleoni door hem de "Marshall van Italië" te noemen. Marshall vond dat de klassieke economie probeerde om prijzen uit te leggen aan de hand van de productiekosten. Hij beweerde dat de neoklassieken te ver gingen bij het corrigeren van deze onbalans door een overdreven nadruk te leggen op nut en vraag. Marshall vond de discussie of nu aanbod of de vraag het belangrijkst is vrij zinloos, analoog aan de vraag welk blad van een schaar het snijwerk doet.

Marshall legde prijzen uit als het snijpunt van de vraag- en aanbodcurven. De introductie van verschillende markt "termijnen", was een belangrijke innovatie van Marshall: Markttermijn. De voor de verkoop geproduceerde goederen op een markt worden als een gegeven beschouwd, een voorbeeld is een vismarkt. Prijzen passen zich snel aan om de markt te ruimen.