Militaire strategie is de verzamelnaam voor het voorbereiden van oorlogsvoering. Strategie, afgeleid van het Griekse woord strategos, werd gezien als "de kunst van de generaal". De vader van de moderne strategische studie, Carl von Clausewitz, definieerde militaire strategie als "het gebruik van gevechten om het doel van de oorlog te winnen." Militaire strategie is onderdeel van een drie-eenheid van "kunsten" of "wetenschappen" in de krijgskunde, samen met tactiek, de uitvoering van plannen en het manoeuvreren van eenheden in het gevecht, en logistiek, het onderhouden van een krijgsmacht.
miniatuur|Slag bij Heiligerlee 1568
Grondslagen van militaire strategie Strategie en tactiek zijn nauw met elkaar verbonden. Oorspronkelijk, in de terminologie van de vroege 19e eeuw, werd het woord "strategie" gebruikt voor manier waarop een leger voorafgaande aan de veldslag en na afloop manoeuvreerde, terwijl "tactiek" de uitvoering van het gevecht zelf aanduidde. Op het eind van de 19e eeuw waren de nationale legers zo groot geworden dat het feitelijke onderscheid tussen manoeuvre en gevecht steeds meer begon te vervagen — er was niet langer sprake van een betrekkelijk klein leger dat in een weids landschap rondtrok op zoek naar de vijand — zodat er geen reden meer was tussen tactiek en strategie in deze zin nog een begripsmatig onderscheid te maken.
Ondertussen hadden die woorden echter al verschillende andere betekenissen gekregen. Eén daarvan duidde een niveauonderscheid aan: het tactische niveau hield de concrete gevechtshandelingen in; het strategische niveau de beleidsbeslissingen. Daartussen lag dan het operationele niveau: het manoeuvreren met legereenheden. De meer gebruikelijke betekenis was echter een onderscheid tussen een algemene methode van oorlogsvoering — dat noemde men dan de tactiek — en het concrete plan: de strategie. De begrippen "beleidsbeslissing op het hoogste niveau" en "concreet plan" sluiten elkaar echter niet uit; vaak wordt met "strategie" een combinatie van beide bedoeld.
In zijn puurste vorm gaat strategie alleen over militaire zaken. In vroegere gemeenschappen was de koning of politiek leider ook meestal de militaire leider. Zo niet, dan was de afstand tussen beide leiders klein. Naarmate het leger professioneel werd, werd het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen het politieke en het militaire. Zoals de Franse staatsman Clemenceau zei:
"Oorlog is te belangrijk om alleen aan soldaten over te laten."
Hieruit volgde het concept van de grand strategy, die het beheer van alle middelen van de hele staat ten behoeve van de oorlogsvoering omvat. In de context van een grand strategy wordt de militaire component goeddeels gereduceerd tot een operationele strategie: de aansturing van grote militaire eenheden zoals legerkorpsen en divisies.
Fundamenteel in grand strategy is diplomatie waardoor een staat bondgenootschappen kan aangaan of andere staten kan overreden tot bepaald gedrag, zonder gebruik van geweld. Een ander element van grand strategy is hoe om te gaan met de vrede na een oorlog. Zoals Clausewitz stelde: een succesvolle militaire strategie is een middel tot een doel, niet een doel in zichzelf. Er zijn vele voorbeelden voorhanden in de geschiedenis waarbij een overwinning op het slagveld niet werd vertaald in een langdurige vrede, bijvoorbeeld de Vrede van Versailles (1919).
De strategie moet zich aanpassen aan veranderingen in de tactiek als gevolg van technologische ontwikkelingen. Een succesvolle strategie die op een bepaald oorlogstoneel effectief geweest is, blijft vaak populair, ook nadat nieuwe ontwikkelingen op het gebied van bewapening verandering noodzakelijk maken. Een voorbeeld hiervan is het na de Eerste Wereldoorlog tot in 1940 vasthouden van het Franse leger aan een defensieve opstelling (uitgewerkt in de Maginotlinie) die echter verslagen werd door de Duitse Blitzkrieg in de Slag om Frankrijk.
Ontwikkeling van de militaire strategie Militaire strategie in de Oudheid miniatuur|Falanx (Alexander de Grote) De principes van militaire strategie zijn voor het eerst op schrift gesteld rond 500 v.Chr. door Sun Tzu en denkers uit Sparta.
De campagnes van Alexander de Grote, Hannibal, Julius Caesar en vooral Cyrus II geven blijk van strategische planning en beweging.
Mahan beschrijft in het voorwoord van The Influence of Sea Power upon History hoe de Romeinen effectief hun zeemacht inzetten om de communicatie van Hannibal met Carthago te belemmeren; en hem zo via een maritieme strategie te verslaan, wat hen te land niet lukte.
Dzjengis Khan en de Mongolen De Mongolen baseerden hun strategie op hun verregaande beheersing van het paard. Dzjengis Khan wist de diverse stammen te verenigen, waarna ze bewapend met pijl-en-boog een groot deel van Eurazië onder de voet liepen. Het succes van deze strategie (het onderwerpen van Eurazië), was gebaseerd op de tactiek van de manoeuvre, terreur en verrassing waarvan het doel was het moreel van de te onderwerpen bevolking te breken. Het leger leefde van plundering en trok verder voordat het land uitgeput raakte.
Militaire strategie na de Middeleeuwen In 1520 behandelde Niccolò Machiavelli's Dell'arte della guerra (De kunst van het oorlogvoeren) de verhouding tussen politieke en militaire zaken, zoals het vormen van een grand strategy.
In de Dertigjarige Oorlog demonstreerde koning Gustaaf II Adolf van Zweden een geavanceerde operationele strategie die leidde tot overwinningen in het territorium van het Heilige Roomse Rijk.
Pas in de 18e eeuw werd militaire strategie een onderwerp voor serieuze studie. Tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) improviseerde Frederik de Grote een "strategie van afmatting" om de vijand buiten te houden en zijn Pruisische troepen te sparen. Van alle kanten belaagd door Frankrijk, Oostenrijk, Rusland en Zweden wist hij zijn centrale positie uit te buiten om zijn leger langs inwendige lijnen te verplaatsen en te concentreren tegen steeds één tegenstander. Frederiks optreden leidde tot grote aandacht voor "geometrische strategie" met nadruk op manoeuvre, terrein en het bezit van strategische posities.
Napoleons strategie De Franse Revolutie en de napoleontische oorlogen die volgden veroorzaakten een revolutie in militaire strategie, waarvan de gevolgen voelbaar bleven tot in de Eerste Wereldoorlog. Met de komst van goedkope vuurwapens en de dienstplichtige soldaat groeiden de legers uit tot massale formaties.
miniatuur|Napoleons terugtocht uit Rusland (door Northern) Napoleon Bonaparte gebruikte deze ontwikkeling voor een brute maar effectieve "strategie van annihilatie" die zich niets aantrok van de wiskundige perfectie van de geometrische strategie. Napoleon zocht zonder uitzondering de beslissing in de veldslag, met als enig doel om zijn vijand volledig te vernietigen, wat hij doorgaans bereikte door middel van superieure manoeuvre. Als niet alleen de militaire, maar ook politieke leider hield hij zich bezig met zowel de grand strategy als met de operationele strategie en maakte gebruik van politieke en economische maatregelen. Napoleon werd pas verslagen toen zijn tegenstanders zijn methodes overnamen.
Napoleons praktische strategische successen inspireerden nieuwe studie naar militaire strategie. De twee belangrijkste studenten van zijn werk waren Carl von Clausewitz, een Pruis met een achtergrond in filosofie, en Antoine-Henry Jomini, die een van Napoleons stafofficieren was. Clausewitz' Vom Kriege is het standaardwerk voor strategie; het behandelt zowel politiek als militair leiderschap. Zijn meest bekende uitspraak hieruit luidt:
"Oorlog is niet alleen een politieke handeling, maar ook een heus politiek instrument: oorlog is voortzetting van de politiek met toevoeging van een ander middel." (namelijk: geweld)
Clausewitz verwierp "geometrie" als onbelangrijk in strategie. In plaats daarvan geloofde hij in de vernietiging van de wil van de tegenstander om verder te vechten. Daartoe moest het schwerpunkt van de vijand worden aangepakt: datgene wat de vijand tot vrede zou aanzetten. In sommige gevallen kon dit schwerpunkt de vernietiging van het leger zijn, soms het lamleggen van handel en economie, soms de val van een belangrijke stad.
In tegenstelling tot Clausewitz behandelde Antoine-Henri Jomini vooral operationele strategie, planning & inlichtingen, het voeren van een campagne, en "generaalschap" in plaats van "staatsmanschap". Hij veronderstelde dat de overwinning kon worden bereikt door het territorium van de vijand te bezetten in plaats van de wil van de vijand te breken.
Strategie en de Industriële revolutie De evolutie van de militaire strategie ging door tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865). Het geweer verving de musket. Spoorwegen verplaatsten troepen snel over grote afstanden, terwijl de telegraaf communicatie op afstand versnelde. Stoom maakte een eind aan het militaire nut van het zeilschip in de oorlogvoering op zee.
Er was nog altijd ruimte voor triomfen door een manoeuvre-strategie zoals Shermans Mars naar de Zee in 1864, maar deze waren afhankelijk van de bereidheid van de vijand om zich niet in te graven. Tegen het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog groeiden de loopgraven aan noordelijke en zuidelijke kant tot Eerste Wereldoorlog-proporties, vooral bij het beleg van steden zoals Vicksburg en Petersburg. Echter, deze lessen werden weer vergeten toen in Europese oorlogen zoals de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866) en de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) manoeuvre de overwinning bracht.
Vóór de Eerste Wereldoorlog waren de invloedrijkste strategen twee Pruisische generaals: Helmuth von Moltke (de Oude) and Alfred von Schlieffen. Onder Von Moltke won het Pruisische leger de oorlogen van 1866 en 1870-1871 tegen Oostenrijk resp. Frankrijk. Von Moltke gebruikte spoorweg en telegraaf effectief. Hij delegeerde de commandovoering naar lagere commandanten die ter plaatse waren en vaardigde directieven uit, geen specifieke orders, omdat hij wist: "Geen oorlogsplan overleeft het eerste contact met de vijand."
miniatuur|Het Schlieffenplan en het Franse Plan XVII Veldmaarschalk von Schlieffen leidde de Duitse Generale Staf in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog. Zijn oplossing voor Duitslands strategische probleem dat het aan twee fronten moest vechten, tegen Frankrijk en Rusland, was het Schlieffenplan: verdedigen in het oosten, terwijl in het westen met een omtrekkende beweging à la Cannae de Franse troepen ingesloten en vernietigd zouden worden.
Terwijl de industrialisatie grote veranderingen veroorzaakte in maritieme technologie vernieuwde een enkele Amerikaanse strateeg, Alfred Thayer Mahan, hoogstpersoonlijk de studie van de maritieme strategie. Mahan propageerde een grote marine, gericht op beheersing van de zee en haar handelsroutes, in tegenstelling tot fortificatie van de kust. Zijn theorieën hadden grote invloed op de maritieme wapenwedloop tussen vooral Engeland en Duitsland tussen 1898 en 1914.
Strategie in de Eerste Wereldoorlog Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog werd strategie gedomineerd door het offensieve gedachtegoed dat sinds 1870 in de mode was, ondanks de recentere ervaringen van de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) en de Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905), waar het machinegeweer zijn defensieve kracht liet zien. Tegen het eind van 1914 was het Westelijke Front vastgelopen in een loopgravenoorlog waarbij elke mogelijkheid tot manoeuvre verloren was.
Op andere fronten was nog wel ruimte voor manoeuvre. Zo maakte de Engelse officier T.E. Lawrence met Arabische ongeregelde troepen in een guerrilla-campagne het de Ottomanen moeilijk.