Loevestein is een kasteel en fort, dat valt onder de gemeente Zaltbommel in de Nederlandse provincie Gelderland en is opengesteld als Museum Slot Loevestein. Het ligt even ten noordwesten van het dorp Poederoijen aan het einde van de Schouwendijk in de uiterwaarden van de Waal en de Afgedamde Maas. Net ten westen van het kasteel ligt aan de overzijde van de Afgedamde Maas het vestingstadje Woudrichem, gemeente Altena.

Ridder Dirc Loef van Horne gaf rond 1361 opdracht tot de bouw van het kasteel. Hij gebruikte het als woonhuis, van waaruit hij rooftochten kon houden en illegale tol kon heffen. Na hem kwam het slot in handen van de heer van Holland en werd het gebruikt als verdedigingswerk tegen andere feodale heren. In het begin van de Tachtigjarige Oorlog, toen het kasteel was bezet door Spanjaarden, werd het in opdracht van Willem van Oranje eenvoudig ingenomen door de geuzenleider Herman de Ruyter. De Spanjaarden veroverden het nog één keer terug, maar daarna bleef het Staats bezit. Tot na de Belgische Revolutie deed het kasteel dienst als staatsgevangenis, met als bekendste gevangene Hugo de Groot, die na twee jaar kon vluchten met behulp van een boekenkist. In Staatse handen kreeg het moderne verdedigingswerken en werd het als fort onderdeel van de Oude en de latere Nieuwe Hollandse Waterlinie. De militaire functie werd in 1951 opgeheven. Van 1925 tot 1986 werd het complex gerestaureerd; momenteel doet het dienst als rijksmuseum en heeft het de status van rijksmonument.

Het kasteel bestaat uit een zaalbouw, twee hoektorens en een poorttoren en is omgeven door een slotgracht. Het fort is omgeven door twee grachten en heeft vijf bastions. Binnenin het fort staan verschillende gebouwen.

Ligging thumb|Ligging van Loevestein (1645) nabij de steden Gorinchem en Woudrichem (hier gespeld als Gorkum en Workum). De stippellijn rechts van Loevestein was toentertijd de grens met Gelderland.

Het slot is gebouwd op het uiterste puntje van het Munnikenland in de Bommelerwaard. Op die plaats komen de Waal en de Afgedamde Maas samen om over te gaan in de Merwede. Vroeger kwam de Maas in plaats van de Afgedamde Maas uit op de Waal, maar dat veroorzaakte vaak overstromingen. Daarom werd er in de negentiende eeuw een nieuwe vaarweg gegraven voor de Maas, namelijk de Bergsche Maas. Het gedeelte dat uitkwam op de Waal werd afgedamd en staat sindsdien bekend als de Afgedamde Maas. Het slot wordt niet tegen hoogwater beschermd door dijken maar staat in een uiterwaard. Daardoor kan de omgeving gemakkelijk overstromen en is er een natuurgebied ontstaan met een grote diversiteit aan dieren en planten. Bij hoogwater is het fort onbereikbaar over land. De enige toegangsweg staat dan namelijk onder water.

Eeuwenlang bevond het Hollandse slot zich aan de grens met Gelderland. Door een grenswijziging in 1814 staat het kasteel op Gelders gebied. Het valt onder het dorp Poederoijen, dat op zijn beurt valt onder de gemeente Zaltbommel. Nabij gelegen steden zijn Gorinchem (Zuid-Holland) en Woudrichem (Noord-Brabant), die in het toeristisch hoogseizoen met Loevestein verbonden zijn via een veerdienst voor fietsers en voetgangers.

Geschiedenis Voorgeschiedenis De rivieren Waal en Maas kwamen niet altijd samen op de plek waar zich het slot Loevestein bevindt. Omstreeks het jaar 1100 stroomde de Maas heel anders en kwam deze wellicht zo'n 23 kilometer meer naar het oosten, bij de huidige plaats Rossum, uit in de Waal. Wanneer de Maas anders is gaan lopen en door welke gebeurtenis dat is veroorzaakt is niet bekend. Wat wel bekend is, is dat de Maas vanaf halverwege de dertiende eeuw op de huidige plek uitkomt in de Waal.

Het gebied was in die tijd drassig en had nog geen bedijking. De Waalkant hoorde bij de graaf van Gelre en de Maaskant hoorde bij de graaf van Kleef. In 1264 was dit gebied bekend onder de naam Rodengoije dat “ruwe waard” betekent. Een leenman van de graaf van Kleef, de heer van Horne, had stukken van Rodengoije in leen. De heren van Horne, de graven van Kleef en Gelre hadden diverse stukken ook weer in leen uitstaan. Dit werd in 1264 weer in eigen bezit genomen. Wilhelmus van Horne verkocht deze stukken aan de cisterciënzermonniken van Villers.Loevestein ontrafeld. blz. 12 De monniken kregen de opdracht om het land te bedijken en in te polderen en er zo een vruchtbaar land van te maken. Zij bouwden dijken, een nederzetting en een kloosterhof. Verder werd het land vlak gemaakt en waren er akkers. Ondanks de inspanningen ging de gemeenschap failliet, doordat constante overstromingen te veel schade veroorzaakten. Na zeventig jaar werd het land, in 1333, dat sindsdien de naam 'der monic lant' of Munnikenland draagt, dan ook teruggegeven aan de heren van Horne. Een jaar daarvoor werd Altena en de stad Woudrichem door de graaf van Kleef verkocht aan de graaf van Holland. Hiermee werden de Van Hornes een Hollandse leenheer.

Ridderveste Na de dood van Gerard van Horne bij de slag bij Stavoren ging het land van Altena over op Willem V van Horne, een oudere broer van Dirc Loef van Horne. Deze Willem stierf al snel in 1357 met een na zijn dood geboren zoon als erfgenaam. Echter, twee maanden voor zijn dood was hij geen heer van Altena meer, omdat dit was ontnomen door zijn jongere broer Dirc Loef. Dirc Loef werd namelijk op 3 april 1357 beleend door Willem van Beieren met het heerschap over Altena en Munnikenland. Rond deze belening is veel onduidelijkheid, omdat er een wettelijke erfgenaam was.

Nadat Dirc Loef het leen had gekregen, ging hij zijn macht laten gelden over de inwoners van het land. Hoewel zij in eerste instantie zijn heerschap niet erkenden, werden zij daar met geweld toe gedwongen. Hij besloot een kasteel te bouwen op een strategische plaats waar hij Altena en Munnikenland kon beheersen en hem tevens uitzicht bood over de rivieren de Maas, Waal en Merwede en de steden Woudrichem en Gorinchem. Het land dat hij uitkoos, het westelijke punt van Munnikenland, was zijn eigendom en geen leengoed van de graaf van Holland. Dit zorgde ervoor dat hij minder afhankelijk werd van de Hollandse graaf. Verder stelde hij een riviertol in voor de drie rivieren. Deze tol leidde tot een onenigheid en bijna tot een oorlog met de Arkels die rond Gorinchem hun machtsbasis hadden. Uiteindelijk kwam de graaf ertussen en deze bepaalde dat de inkomsten uit deze tol aan de graaf behoorden.

Omstreeks 1357 liet Dirc Loef het slot Loevestein bouwen; in 1361 werd er in ieder geval gebouwd. De bouw ervan was voor 1368 afgerond.Loevestein ontrafeld. blz. 20-21 De naam Loevestein, komt waarschijnlijk van de samenvoeging van Loef en stein. Stein betekent stenen huis en in Loevestein zou dat betekenen: Loef's stenen huis.Loevestein ontrafeld. blz. 25

Na elf jaar later verloor Dirc Loef zijn leen en werd het alsnog gegeven aan zijn neef Willem, door toedoen van de graaf van Holland die tevens hertog van Beieren was. Willem van Beieren, die Dirc het leen had gegeven, was krankzinnig verklaard en werd opgevolgd door zijn broer Albrecht. Wellicht was deze Willem van Beieren toentertijd al zo ver van verstand en had Dirc Loef hier listig gebruik van gemaakt, waardoor hij het leen in bezit kreeg. Naast dat hij het land verloor, moest hij ook alle slachtoffers schadeloos stellen. Het slot bleef wel zijn eigendom, maar hij mocht het niet aan anderen dan aan de heer van Altena verkopen. In 1372 raakte Dirc Loef ook het slot kwijt dat toen in bezit kwam van de graaf van Holland. Vanaf dat moment zou het slot beheerd worden door een kastelein, een slotvoogd voor de graaf. Het kan zijn dat Dirc Loef het slot kwijt raakte nadat hij gevangengenomen werd bij de inname van Tiel in 1372 en daarbij het slot moest verkopen om met het losgeld vrij te kunnen komen.Loevestein ontrafeld. blz. 35

Zie ook: namenlijst met Slotvoogden

Hollands grenskasteel Belegering door Willem van Oostervant thumb|De Kruittoren, in de 15de eeuw bekend als Barbarye, is rond 1400, dus ná de belegering van 1397 gebouwd. De graaf wilde het kasteel, gelegen in het toenmalige Holland, graag hebben vanwege de strategische ligging tussen de rivieren Maas en Waal en de toegang tot Gelre. In naam van de graaf ging er een slotvoogd wonen op het kasteel. In 1385 werd dat de ridder Brunstijn van Herwijnen. Hij was zeer geliefd aan het hof van Albrecht en hij trouwde met zijn bastaarddochter. Net als de vorige bewoner van het slot ging Brunstijn vanuit het kasteel geregeld op rooftocht door Gelderland. Toen Brunstijn van Herwijnen door Albrecht naar de hertog van Gelderland gestuurd werd om brieven te overhandigen en te onderhandelen over staatszaken, werd hij door Willem III van Gulik, de hertog van Gelre, gevangengezet. Hij werd schuldig bevonden, maar ook weer vrijgelaten om Albrecht niet kwaad te maken.

Naderhand deed Brunstijn het rustiger aan en kreeg hij van Albrecht een aantal verbeurdverklaarde lenen, waaronder ook het land van Altena en Woudrichem. Een andere functie die hij gekregen had was die van rekenmeester van Zeeland. In die functie werd hij door de zoon van Albrecht, Willem van Oostervant, beschuldigd van het achteroverdrukken van geld. Mogelijk was dit een valse beschuldiging. Toen dat boven water kwam, vlak na Nieuwjaarsdag in 1397, moest hij het verschuldigde bedrag teruggeven aan de graaf. Dit weigerde hij echter, waarna hij zich met een leger terugtrok in het slot. Na een belegering van het slot voor de duur van een dag en een nacht door Willem van Oostervant, waarbij een deel van de zuidelijke toren van de voorburcht en een deel van de weermuur werden verwoest, gaven de belegerden zich over. Onder de gevangenen was niet Brunstijn van Herwijnen; die was voor de belegering al gevlucht naar Gelderland.Loevestein ontrafeld blz. 51-53

Arkelse en Gelderse Oorlogen Na de belegering door Willem van Oostervant werd Loevestein hersteld. In deze periode speelden de Arkelse Oorlogen aan de overzijde van de Waal. In deze periode werd de omringende singelwal van Loevestein versterkt met een ringmuur. Daarna werd het slot met het land door Willem van Beieren in 1413 in beheer gegeven aan Jan van Langerak. Deze beheerde het kasteel totdat Willems dochter, Jacoba van Beieren hem opvolgde. Het Beierse huis en de Van Arkels hadden al lange tijd een conflict over de macht om Holland, als onderdeel van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Tijdens dat conflict werd ter hoogte van Loevestein de Waal versperd met palen in de rivier en werd aan de overkant een blokhuis geplaatst. Daar werd in 1412 gevochten tussen de Hollanders en Geldersen. Ook is uit opgegraven pijlpunten en fragmenten van stenen kogels gebleken dat er langs de ringmuur rond Loevestein ook gevochten was.Loevestein ontrafeld blz. 56

Toen Jacoba met een leger Gorinchem veroverde, werden de gevangengenomen soldaten opgeborgen in slot Loevestein en deed het voor korte tijd dienst als gevangenis. Tegen die tijd verloor Jan van Langerak zijn ambt als slotvoogd ten gunste van Philips, bastaard van der Leck en Dirk van Heukelum. blz. 59 Waarom er twee heren slotvoogd waren is onbekend, maar dit feit resulteerde in een onderlinge strijd om de macht. Om het conflict te bezweren, sprak Jacoba uit dat bastaard van der Leck slotvoogd mocht blijven tot de vastenmaand van 1419, maar dat hij daarna het slot moest verlaten en overgeven aan Dirk van Heukelum. Wel kreeg Philips' bastaard van der Leck uiteindelijk een jaar later een vergoeding voor de werkzaamheden die hij heeft laten uitvoeren.

thumb|left|De Sint-Elisabethsvloed van november 1421 zorgde voor veel slachtoffers in de landen rondom Loevestein. Deze natuurramp werd omstreeks 1500 vastgelegd op de buitenzijde van een altaarstuk. Loevestein is in de linkerbovenhoek van het linkerluik zichtbaar.

In november 1421 werd het gebied rond het slot getroffen door de Sint-Elizabethsvloed, waarbij dijken doorbraken en dorpen en steden onder water kwamen te staan. Of het slot hierdoor aangetast werd is niet bekend.