De Onze-Lieve-Vrouw van Bijstandkerk is een rooms-katholieke bidplaats, gelegen aan het Onze-Lieve-Vrouwplein in de Belgische stad Aalst (Provincie Oost-Vlaanderen).
Geschiedenis Bij de aanvang van de 20-ste eeuw, toen vele Belgische steden door de bevolkingsaanwas uit hun kern groeiden, bleek ook in Aalst behoefte aan de bouw van meer kerken. Dit was onder meer het geval in de wijk Mijlbeek. Daar woonden, op de rechteroever van de Dender, hoofdzakelijk arbeidersgezinnen in kleine huizen. Het aantal daar wonende Aalstenaren werd geraamd op ongeveer 5000. De levensomstandigheden van de arbeiders waren in die tijd weinig rooskleurig. Een aantal priesters spande zich toen in om die te verbeteren, zo onder meer de Aalsterse priester Adolf Daens, maar ook priester J.S. Lauwereys.
Reeds in 1846 had het bisdom Gent voorgesteld om in de wijk Mijlbeek een parochie te stichten, maar dit voorstel stuitte her en der op onverschilligheid of tegenkanting. Op 1 maart 1898 besliste het stadsbestuur niettemin om grond aan de Moorselbaan te kopen. Zijnerzijds trof het bisdom de nodige voorbereidende maatregelen, en gelaste het Joannes Stanislas LauwereysDe familienaam van pastoor Lauwereys wordt door sommige bronnen gespeld als Lauwerys; anderen schrijven Lauwerijs. (°Ninove , 28-01-1853, † Aalst, 26-12-1928) met de oprichting van de nieuwe parochie, nog voor de eigenlijke kerk gebouwd werd. Aanvankelijk vonden de religieuze diensten voor deze nieuwe parochie plaats in de nabije Sint-Corneliuskapel, die voor dat doel vergroot werd. Op 9 april 1901 stelde bisschop Antoon Stillemans zijn priester Lauwereys officieel aan als pastoor en de stedelijke architect, Jules GoethalsDeze architect staat ook bekend onder de Latijnse variant van zijn naam, te weten: Julius Goethals. (* 1855, † 1918), ontwierp de te bouwen kerk en de bijhorende pastorij.
Ingevolge het drassig karakter van de grond kon de bidplaats, die de eerste neogotische kerk op de rechteroever zou worden -in tegenstelling tot het voornemen-, niet opgetrokken worden aan de rand van de Moorselbaan. Er werd beslist om het bouwwerk zestig meter verder, in oostelijke richting, te bouwen. Dit had tot gevolg dat er een plein ontstond (het huidige Onze-Lieve-Vrouwplein) tussen de kerk en de Moorselbaan.
20 maart 1902: Aanvang der voorbereidende grondwerken.
Spoedig nadien, reeds op zondag, 28 september van hetzelfde jaar, zegende Monseigneur Stillemans (bisschop van Gent) de eerste steen van het hoogkoor. Dit ging gepaard met opmerkelijke en massale feestelijkheden: overal werden vlaggen en wimpels uitgehangen, bloemen en lover tooiden de gevels. Een stoet trok voorbij de nieuwe kerk: praalwagens, ruiters, gilden, schoolgroepen, zoeaven... Vreugde en muziek alom.
Bij deze wijdingsplechtigheid sprak Mgr. Stillemans onder meer de volgende woorden: "Dank aan u allen voor uwe liefderijke en zoo eenparige toejuichingen, dank aan 't Stadsbestuur voor zijne milde medewerking, dank aan den heer pastoor voor zijnen onvermoeibaren ieverOud nederlands: lees: ijver, en weze de kerk voor u allen en uwe huisgezinnen eene bron van geluk en zegeningen..." Een gedenksteen -geplaatst in het portaal, nabij de ingang- herinnert aan de burgerlijke en kerkelijke betrokkenen van het eerste uur:
Door de verbazingwekkende snelle vorderingen van het werk kon pastoor Lauwereys op zaterdag 27 juni 1903, de laatste steen leggen. Twee maanden later, op dinsdag, 1 september 1903, werden de drie klokken gewijd door Z.E.H. Kanunnik Thibaut van de Sint-Martinuskerk ter stede. Zij waren alle geleverd door het huis Felix Van Aerschodt, in de Leopoldstraat te Leuven: de zwaarste klok, 1220 kilogram, werd toegewijd aan het H. Hart van Christus. Burgemeester Gheeraerdts nam het peterschap waar, en mevrouw Charles De Vis-De Cock werd meter. de tweede klok, 860 kilogram wegende, werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand. Peter werd de heer Eduard Muylaert, voorzitter van de Kerkraad, en mevrouw De Bruyn-Van Cauter werd meter. de kleinste klok, 540 kilogram, werd opgedragen aan Sint-Jozef. Baron Leon de Bethune werd peter en mevrouw Jan Moyersoen-Van den Hende meter.
Nog een maand later, op zondag, 27 september 1903, werd de kerk door Mgr. StillemansDe literatuur is niet eenduidig met betrekking tot de consecrator. Het boek Parochie Onze Lieve Vrouw Bijstand Aalst 1901-1926: Jubeljaar, gepubliceerd kort na dat jubeljaar, schrijft de inwijding toe aan Mgr. Stillemans. Daar tegenover staat dat het boek van meer recente datum De Parochiekerk van Onze Lieve-Vrouw-Bijstand te Aalst Mijlbeek: Beknopt historisch overzicht. (door Marc Uyttersprot) kanunnik Thiebaut noemt als consecrator. feestelijk ingezegend.
Voor de levering van het kerkmeubilair werd de gelauwerde beeldende kunstenaar Remi Rooms uit Gent aangezocht. Hij had de Eerste Prijs gewonnen in het zevende jaar "Sint-Lucasschool" (Gent), met het werk: "De dood van Onze-Lieve-Vrouw".
Op dinsdag, 20 december 1904 werd -gelijktijdig met Lauwereys' jubileumviering van "25 jaar priester"- de afwerking van het hoogaltaar (oeuvre van Remi Rooms) gevierd. Dit stuk werd geschonken door Mevr. Lossie-Van de Velde, uit St-Niklaas. Het interieur was toen bijlange na niet voltooid.
Gedurende zijn langdurig priesterschap (wijding op 20 december 1879) gaf pastoor Lauwereys blijk van ernstige bekommernis om de gemeenschap. Zo beijverde hij zich voor de oprichting van een boerenbond, dag- & avondscholen, instellingen voor maatschappelijk nut, zowel ten bate van jongeren als ouderen, alsook tijdelijke huisvesting. Hij droeg ook bij tot de oprichting van ‘t hospitaal dat later zou uitgroeien tot het huidige Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis (schuin tegenover de kerk). Tijdens de Eerste Wereldoorlog ontvluchtte hij geenszins het oorlogsgeweld maar bleef trouw in de parochie aanwezig, en nadat de wapens zwegen nam hij in augustus 1919 met de volgende woorden het initiatief om een monument ter nagedachtenis van de oorlogsslachtoffers te laten oprichten: “Op den dag van het bombardement, toen wij in doodsgevaar verkeerden, deed ik de belofte het beeld van het Heilig Hart in ’t openbaar te vereeren, indien wij gespaard bleven...”.
“Uit dankbaarheid voor de groote offers in dezen oorlog gebracht door de gesneuvelde soldaten, de gemartelde burgers en opgeeisschten onzer stad en tot eeuwig aandenken aan onze geliefde helden”.
Zodoende werd een Heilig Hartbeeld ontworpen door beeldhouwer Aloïs De Beule uit Gent, en in brons gegoten door Karel Vindevogel uit Gentbrugge. Dit gedenkteken draagt de volgende tekst: "Dank aan het H. Hert van Jesus - 1914-1918 - Heer verleen de eeuwige rust aan onze gesneuvelden en opgeëischten". Het werd op een sokkel in grijze steen, op het plein voor de kerk onthuld door Monseigneur Seghers, Bisschop van Gent. Dit gebeurde op maandag, 5 april 1920 (Paasmaandag). Op de sokkel staan de namen vermeld van 10 opgeëisten, 10 burgers en 40 soldaten, allen plaatselijke inwoners.
Omstreeks 1928 zou de binneninrichting van de kerk voltooid worden, toen Eerwaarde Heer Lauwereys (kort voor zijn overlijden) zelf het schilderen van het hoogkoor bekostigde.
Voor zijn onverdroten inzet werd hij gelauwerd met het Burgerlijk Ereteken 1-ste en 2-de klas, de titel "Ridder in de Leopoldsorde", en het "Ereteken der mutualiteit". Te zijner ere werd op een boogscheut van het kerkplein de "Pastoor Lauwereysstraat" naar hem genoemd.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog eiste de Duitse bezetter de klokken op, ingevolge zijn behoefte aan metaal voor de productie van oorlogsmateriaal. Om die reden werden de twee grootste klokken (H. Hart, 1220 kg, en OLV van Bijstand, 860 kg) aangeslagen. Zij werden op 2 juli 1943 weggevoerd en naar de smeltkroes gezonden. Tijdens de herstelperiode van het land na de vijandelijkheden, werd in 1960 aan tien klokkengieters een bestek gevraagd voor de levering van twee nieuwe exemplaren. Gieterij Sergeys uit Leuven verwierf ten slotte de bestelling. De nieuwe H-Hart-klok had een gewicht van 1250 kg en kreeg als peter en meter het echtpaar Jozef Bessems-Van Vlasselaer Germaine; voor de andere, met een gewicht van 940 kg, werd het peter- en meterschap waargenomen door Jozef De Bondt-De Wolf Augusta.
Gelet op de monumentale waarde van het gebouw heeft -in september 2013- de toenmalige Vlaamse Minister van Onroerend Erfgoed, Geert Bourgeois, de voorlopige bescherming goedgekeurd. thumb|right|380px|Pilaren met bladkapitelen, vervaardigd uit arduin en witte steen. Gewelven opgebouwd uit rode baksteen, met randen in zwarte steen.
Architectuur De kerk is gebouwd in de neogotische stijl die op het einde van de 19-de eeuw en het begin van de 20-ste eeuw veel opgang maakte. Zij bestaat uit een middenbeuk met twee zijbeuken, een kruisbeuk, een koor, twee aansluitende koorkapellen en een octogonale vieringtoren met spits. In de linkerkoorkapel is er een toegang tot de sacristie. Als bouwmateriaal werd okergele baksteen in allerlei schakeringen, afgewisseld met licht rode baksteen, gebruikt.
De pilaren met bladkapitelen zijn vervaardigd uit arduin en witte steen. De gewelven werden opgebouwd uit rode baksteen, met randen in zwarte steen. Olijfgroene verf bedekt de met pleisterkalk bezette muren. De combinatie van de gebruikte tinten en de aanwezigheid van lancetvensters, zowel in de middenbeuk als in de twee zijbeuken, resulteert in een zeer helder interieur.
Interieur Doopkapel Bij het binnenkomen via de hoofdingang, ziet men in de linkerhoek (noordwaarts) dadelijk de doopkapel. Dit vertrek is verlucht met drie glasramen, geplaatst in 1904: links: een voorstelling van de bekende geloofsverkondiger Sint-Amandus, geschonken door de heer Carolus Collin. in het midden: een toepasselijke verbeelding van het "Doopsel van Christus door Joannes de Doper". Dit raam was een schenking van de heer Ser. De Bruyn-Van Cauter. rechts: een afbeelding van de H. Ursmarus, geschonken door Etienne & Georges Eeman.
De doopvont werd in 1905 in grijze arduinsteen gekapt door Remi Rooms. Ze werd onafgewerkt geplaatst op 7 april. De afwerking gebeurde een jaar later, in april 1906. Op de zijvlakken ziet men voorstellingen van de vier evangelisten. De kuip is afgesloten door een deksel, in 1906 uit messing gemaakt door de gentenaar Alfons Geeraert.
Linker- & rechterzijbeuk thumb|right|300px|Preekstoel gebeeldhouwd door Remi Rooms. In de beide zijbeuken treft men vier biechtstoelen aan van het half-open type. Daarvan is er een vervaardigd door Remi Rooms' atelier (geplaatst in juni 1904); de drie andere (gebouwd in maart 1905) zijn het werk van de Aalsterse beeldhouwer Rob. Van Caelenberg. Op de zijkanten, boven, nabij de kraag, werden latijnse teksten gebeiteld. In de overgang van de linkerzijbeuk naar de middenbeuk staat de houten preekstoel. Dit meubel is afgewerkt met figuren die Christus en de vier evangelisten voorstellen. Het houtsnijwerk is van de hand van Remi Rooms. De muren zijn verfraaid met schilderijtjes op messing, die de kruisweg voorstellen, evenals de lijdensweg van Christus‘ moeder: Maria. De achtergrond van messing geeft aan deze werken een heel apart voorkomen. De kruisweg werd geleverd in het voorjaar van 1908, en de "7 Weeën van OLV" in januari 1909. Deze stukken zijn het oeuvre van Leo Steel (* 1878, † 1938), toentertijd de bekendste en meest talentvolle kunstenaar uit Sleidinge, die onder meer ook de Sint-Vincentiuskerk van Eeklo versierde. In de linkerzijbeuk, nabij de viering, ziet men een voorstelling van Maria, Mater Dolorosa: de uitbeelding van het moederlijden. In de rechterzijbeuk, ongeveer op gelijke afstand ten overstaan van de viering, staat een beeld van Sint-Cornelius.
Kruisbeuk