thumb|Een inscriptie van de Codex Hammurabi De Codex Hammurabi, samengesteld in ca. 1780 v.Chr., ook bekend als de code van Hammurabi is een van de oudste tot dusver gevonden opgetekende wetboeken en een van de best bewaarde voorbeelden van wettenverzamelingen uit het antieke Mesopotamië. De tekst is casuïstisch, dat wil zeggen dat het individuele gevallen of casussen behandelt volgens een patroon 'als ..., dan ...' en de teksten zijn geschreven in volkstaal, vermoedelijk op de manier waarop in de praktijk recht werd gesproken, begrijpelijk voor het gewone volk (de muskinu). De regels zijn vastgehouden in spijkerschrift en de gevallen zijn gegroepeerd.

De codex van Hammurabi, koning van Babylonië (1792–1750 v.Chr.), is van groot belang geweest om tot een meer systematische studie te komen van het Babylonisch recht. Ook geven de teksten inzicht in de manier waarop samenleving en economie waren georganiseerd. Andere verzamelingen van wetten zijn de nog oudere Codex Ur-Nammu (ca. 2050 v.Chr.), de Codex Esnunna (ca. 1930 v.Chr.) en de Codex Lipit-Isjtar (ca. 1870 v.Chr.). Naast de granieten zuilen zijn er duizenden bewijzen van afspraken en contracten bewaard gebleven. Veel rechtsbeginselen uit deze codex komen later terug in de Bijbel en de Koran, zoals het principe "oog om oog, tand om tand" (ius talionis). Sommige rechtsfiguren belandden via het Romeinse recht in nu geldend Nederlands recht zoals bijvoorbeeld bewijsrecht, verkrijgende verjaring en vruchtgebruik.

Aanvankelijk werd gedacht dat de tekst een codificatie was van bestaande regels, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de Codex Justinianus, Saksenspiegel of Code Napoléon. Deze opvatting staat ter discussie. Meerdere wetenschappers zijn hier niet van overtuigd, onder meer omdat belangrijke zaken uit de toenmalige samenleving niet behandeld worden. Zo komt veeteelt slechts zijdelings ter sprake. Daarnaast wordt er in geen enkele juridische tekst van die tijd verwezen naar de codex. Over wat de tekst dan wel is, verschillen de meningen eveneens. Enerzijds wordt gedacht dat het een wetenschappelijke verhandeling is, anderzijds wordt wel gesteld dat het koninklijke propaganda is waarmee Hammurabi zichzelf neerzette als koning van de rechtvaardigheid op wie men kon vertrouwen als men onrecht was aangedaan.

De bekendste versie van de teksten is gegraveerd in spijkerschrift op een 2,25 meter hoge zuil van basalt. De zuil werd in 1901 door de Franse archeoloog Jacques de Morgan gevonden op de site van Susa in de bergen van Perzië, in drie delen gebroken. Sinds de restauratie wordt de pilaar tentoongesteld in het Louvre-museum in Parijs. Deze zuil zelf draagt eveneens de naam 'Codex Hammurabi', hetgeen voor verwarring kan zorgen.

Beschrijving De Codex is een van de eerst bekende wetboeken in onze geschiedenis. Hij is ongeveer 1780 v. Chr. samengesteld. In de proloog wordt aangegeven dat het doel is rechtvaardigheid te laten zegevieren, het boze en het kwade te vernietigen en te voorkomen dat de sterken de zwakken onderdrukken zodat de koning als wijze bestuurder de burgers veiligheid kan brengen en de welvaart voor het land kan verhogen.

Belangrijke passages De wetteksten beginnen met regels voor het procesrecht, de zware misdrijven en straffen. De gerechtshoven hadden het recht om zaken af te wijzen, waarna de betrokkenen hun conflict zelf moesten beslechten. Wie een ander van een zwaar misdrijf beschuldigt maar dat niet kan bewijzen, of valse bewijzen of getuigenissen gebruikt, wordt zwaar bestraft: de aanklager wordt ter dood gebracht. Wie een ander beschuldigde en zijn beschuldiging kon bewijzen, kreeg een financiële beloning. Aanklachten wegens tovenarij waren ook ernstig. De beschuldigde wordt onderworpen aan een godsoordeel: hij werd in het water gegooid. Als hij verdronk was zijn schuld bewezen, en de aanklacht terecht. Mocht hij het overleven, dan verloor de aanklager zijn eigen bezit. Dit soort godsoordelen was niet alleen in Babylon bekend. Meineed was een ander misdrijf dat met de dood werd bestraft. Als bewijzen golden de procesverslagen, de verklaringen van getuigen en de afgelegde eed. Ook de rechters konden bestraft worden. Indien een rechter een rechtsgeldig oordeel achteraf herzag, verloor hij zijn post en moest hij een geldstraf betalen. Dit gold waarschijnlijk echter alleen voor rechters die zich lieten omkopen. Ook werden eigendom en bezit geregeld. Naast het bezit van de koning en de tempels werd ook het bezit van kleine boeren en hun familie, levend op het land van de koning, beschermd. Een man kon zijn grond en huis aan vrouw en dochter in eigendom toewijzen. De straffen voor diefstal en helen van eigendom van de koning waren draconisch. Daarvoor kon de doodstraf worden gegeven. Wie iemand van diefstal beschuldigde, zonder het te kunnen bewijzen, werd ook tot de doodstraf veroordeeld.

De rechters maakten in hun oordelen onderscheid tussen de koning en de tempel enerzijds en de overige bewoners anderzijds. De dief kreeg een hogere straf voor diefstal van de koning of de tempel dan bij diefstal van een "gewoon" mens.

Gelijkheid voor de wet gold dus niet voor iedereen, ondanks de aankondiging in de proloog.

De soldaten Het volgende gedeelte behandelt de wetten die het leven van soldaten regelen. De soldaten kregen van Hammurabi land toegewezen, zodat ze van de opbrengsten van de oogst in hun levensonderhoud konden voorzien. De soldaat was verplicht gehoor te geven aan een mobilisatieoproep. Als hij niet kwam opdagen of een vervanger stuurde, omdat hij zijn land nog wilde bewerken, werd de soldaat ter dood veroordeeld. Omdat oorlogen lang konden duren en de soldaten dan van huis waren, was het vaak niet mogelijk voor soldaten om hun akkers te bewerken. Daarom werd hun land tijdens hun afwezigheid overgedragen aan iemand anders om het werk voor hen te doen. Keerde de soldaat na een jaar terug, dan kreeg hij zijn land terug. Dwongen de krijgshandelingen de soldaat echter om langer weg te blijven, dan verloor hij na drie jaar afwezigheid zijn rechten op het land. Anders was het wanneer de soldaat een zoon met het bewerken van de velden kon belasten, dan bleef het land in zijn bezit. Een krijgsman die gevangengenomen werd, kon vrijgekocht worden. Hij kon daarvoor zaken uit zijn huis als losgeld aanbieden. De velden, de tuin en het huis zelf konden echter niet als losgeld gebruikt worden. Zo kon de vrijgelaten soldaat met deze bezittingen nog steeds in zijn levensonderhoud voorzien.

Ook kooplieden of de tempel konden soldaten vrijkopen en kregen het bestede geld van de koning terug.

De boeren en herders Ook boeren hadden allerlei plichten en rechten. De landbouwproductie was van levensbelang voor Babylonië, daarom waren vaste regels opgesteld die eigendom, huur en een ordentlijke bewerking van de akkers regelden en de verdeling van de opbrengsten. Als een pachter zijn werk verwaarloosde (bijvoorbeeld door irrigatiekanalen of dijken niet te onderhouden), met een misoogst tot gevolg, dan werd hij veroordeeld tot betaling van een bepaalde hoeveelheid gerst. Bovendien moest het betrokken veld teruggegeven worden aan de eigenaar. Als de oogst door natuurgeweld vernietigd werd, deelden de pachter en de eigenaar de overgebleven oogst volgens de vastgelegde pachtsom. De pachtsom varieerde tussen een derde en de helft van de oogst. Als een boer een lening heeft opgenomen en daarvoor betaalt met graan en de oogst mislukt, hoeft in dat jaar niet voor de lening te worden betaald.

Verhuur Niet alleen velden en tuinen konden verhuurd worden, ook woningen duiken in de gevonden documenten op als verhuurbare objecten. Ook voor deze huurovereenkomsten liet Hammurabi regels opstellen. De overeenkomsten hadden vaak een looptijd van één jaar. De huur werd op twee manieren betaald, ofwel werd aan het begin van het jaar een aanbetaling gedaan met het restant te voldoen aan het einde van het jaar, ofwel men betaalde pas aan het einde van het jaar de volledige huur. De huurders hadden zorg te dragen voor een onberispelijke toestand van het huis; reparaties moesten uitgevoerd worden, bij beschadigingen moest de verhuurder schadeloos worden gesteld.

Huizen bestonden in die tijd voornamelijk uit leem, hout was zeer schaars. Indien het huis houten onderdelen bevatte, dan werden deze uitdrukkelijk in het huurcontract vermeld. Daarvoor moest dan extra betaald worden. Behoorden de houten onderdelen toe aan de huurder, dan kon de huurder deze bij vertrek meenemen. Huurders en verhuurders stonden ook toen vaak op gespannen voet met elkaar, getuige de vele gerechtelijke documenten over huurconflicten.

Kooplieden De bepalingen over de bedrijvigheden van kooplieden waren ten dele zeer hard. Kooplieden stuurden gewoonlijk agenten op handelsreizen naar verre landen. In opdracht van een koopman kochten of verkochten ze goederen. De agenten werden "beursdragers", Shamallum, genoemd, en zij konden een deel van de winst van een expeditie zelf houden. De winsten van dergelijke bedrijven konden hoog oplopen. Als een agent geen winst behaald had, moest hij de koopman het dubbele van het toevertrouwde geld of goederen als straf terugbetalen. De straf was zo hoog omdat de agent in zulke gevallen van bedrog verdacht werd. Er was ook een regel voor het geval de koopman zijn "beursdrager" onterecht beschuldigde van oplichting. De koopman moest in zulke gevallen het zesvoudige van het ingezette kapitaal aan de agent betalen.

Herbergiersters Naast de kooplieden werden ook houdsters van taveernes streng behandeld onder de wet, wanneer ze in strijd met de bepalingen handelen. Herbergen en hun waardinnen, blijkbaar uitsluitend een vrouwenberoep, stonden niet in hoog aanzien. Ze hadden de naam prostitutie en misdaad te bevorderen. Vroeg een waardin geen granen als betaling voor bier, maar zilver, of schonk ze te weinig bier in, dan werd ze verdronken. Ook het verbergen van gezochte misdadigers werd met de dood bestraft. Het "op de pof" verteren in de kroegen was toegestaan, men betaalde in de oogsttijd zijn schuld met gerst. Zilver was geen geldig betaalmiddel.

De familie De overgang van de tempeleconomie naar een economie op basis van privébezit had ook gevolgen voor de samenleving in het land. Door de individualisering van bezit en productie verloren de voormalige stammen, gemeenschappen en de grotere familie aan betekenis. De directe familie met kinderen, bijvrouwen en slaven waren de basis van de maatschappij geworden. Deze maatschappelijke ontwikkeling kreeg ook haar weerslag in de rechtspraak. Zo liet Hammurabi vele wetten na rond het thema familie en huwelijk.

Er was weliswaar geen gelijkheid tussen man en vrouw, maar Hammurabi verleende vrouwen talrijke rechten. Een vrouw mocht zelfstandig rechtshandelingen uitvoeren, zoals koop en verkoop en ruiltransacties. Ook was het vrouwen toegestaan leningen te verstrekken.

Het huwelijk was alleen dan geldig wanneer een huwelijksovereenkomst afgesloten werd. Deze overeenkomst was zeer belangrijk in vermogenskwesties. Betrapte een man zijn vrouw op overspel, dan werden de vrouw en haar minnaar vastgebonden in het water gegooid en daardoor ter dood veroordeeld. De bedrogen echtgenoot kon zijn vrouw echter ook het leven schenken als hij dat wilde. Een vrouw kon onrechtvaardige beschuldigingen ontkrachten door zich te onderwerpen aan een godsoordeel (in de rivier geworpen worden). De doodstraf wachtte ook de man die een maagd in het huis van haar vader verkrachtte.