Verschoningsrecht is het recht van een getuige om te weigeren antwoord te geven op vragen, die door een rechter aan hem of haar worden gesteld. Dit verschoningsrecht is wettelijk omschreven en komt toe aan een bepaalde categorie getuigen in verband met bloedverwantschap of een bepaalde vertrouwelijke functie (zoals arts, verpleegkundige, advocaat of geestelijk verzorger). Dit recht komt deze getuigen ook toe tegenover opsporingsambtenaren tijdens hun onderzoek naar een vermoedelijk of mogelijk door een ander gepleegd strafbaar feit, doch deze zijn echter niet verplicht hen op dat recht te wijzen.

Getuigen kunnen een belangrijke rol in rechtszaken spelen, soms een doorslaggevende rol.

Situatie in Nederland Verschijningsplicht Wie wordt opgeroepen om als getuige in een rechtszitting te worden gehoord, is verplicht te verschijnen. De getuige die niet verschijnt, kan door Justitie worden aangehouden en opgebracht om te worden gehoord. Daarnaast is ook gijzeling mogelijk. Het niet voldoen aan de plicht als getuige te verschijnen is bovendien strafbaar gesteld in artikel 192 van het Wetboek van Strafrecht.

Hij of zij moet ook de eed of de belofte afleggen en naar waarheid antwoord geven op de vragen, die de rechter stelt of laat stellen. Het opzettelijk onjuist beantwoorden van zo'n vraag is strafbaar gesteld als meineed. De plicht om als getuige te verschijnen en vragen te beantwoorden is gegrond in het maatschappelijk belang, dat in elke rechtszaak de waarheid aan het licht komt, ook wel het beginsel van de waarheidsvinding genoemd. Deze verplichting tot antwoorden bestaat niet voor die personen, die zich op het verschoningsrecht kunnen beroepen. Voor hen geldt zoals voor alle getuigen wel een verschijningsplicht, maar geen plicht tot spreken.

Drie categorieën In Nederland bestaat het verschoningsrecht voor drie categorieën getuigen: familieleden van een van de bij het proces betrokken partijen zoals de (ex-)echtgenoot(-e), (ex-)geregistreerde partner, kinderen, stiefkinderen, en ouders; personen die zichzelf of hun familie door de getuigenis in het gevaar van een strafrechtelijke vervolging brengen (als gevolg van het beginsel van zwijgrecht) personen die in hun dagelijks beroep verplicht zijn tot geheimhouding, beroepsgeheim.

Vertrouwenspersonen Voor die laatste categorie is door de rechtspraak in Nederland erkend, dat de advocaat, de arts, de geestelijke, de notaris en de medewerker van de reclassering kunnen weigeren een verklaring af te leggen, op voorwaarde dat het gaat om feiten en omstandigheden, die zij in hun hoedanigheid van geheimhouder te weten zijn gekomen. Het wordt ook wel functioneel verschoningsrecht genoemd. De reden voor het verschoningsrecht van deze groep is, dat het gaat om vertrouwenspersonen, voor wie een beroepsgeheim geldt. Het wordt als een groot maatschappelijk belang gezien, dat eenieder zich vrij tot hen om bijstand en advies moet kunnen wenden, zonder vrees voor openbaarmaking van wat besproken is. Dit belang wordt zo groot gevonden, dat het een inbreuk rechtvaardigt op het genoemde beginsel van de waarheidsvinding.

Het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie heeft op in 2007 bepaald dat een in-house lawyer, gezien de hiërarchische ondergeschikte positie ten opzichte van zijn werkgever die tevens cliënt is, geen verschoningsrecht toekomt in geval van een onderzoek door de Europese Commissie. Deze uitspraak maakt twijfelachtig of de advocaten in loondienst in Nederland – de zogenaamde Cohen-advocaten – zich op het verschoningsrecht kunnen beroepen. Daarover is nog geen gerechtelijke uitspraak van een Nederlandse rechter bekend. Het Europese hof van Justitie heeft op 14 september 2010 in het Akzo-arrest bepaald, dat een advocaat die bij zijn opdrachtgever in dienst is, zich niet op het verschoningsrecht mag beroepen. Het enkele feit dat de onafhankelijkheid van advocaten in dienstbetrekking in Nederland en in enkele andere Europese lidstaten met beroepsregels en statuten wordt gewaarborgd, maakt voor het hof geen verschil. Niet helemaal duidelijk is of de strekking van dit arrest zich beperkt tot het mededingingsrecht, dan wel dat de advocaat in dienstbetrekking zich ook in andere zaken niet op het verschoningsrecht kan beroepen. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft op 14 oktober 2010 aangekondigd daar nader onderzoek naar te zullen instellen.

Degenen op wie de vertrouwenspersoon bij de hulpverlening beroep doet zoals medewerkers of deskundigen hebben een zogenaamd afgeleid verschoningsrecht.

Het verschoningsrecht is door de rechtspraak in Nederland niet toegekend aan de registeraccountant en evenmin aan de belastingadviseur. Ook de gezinsvoogd, de vertrouwensarts en het gemeenteraadslid kunnen zich er niet op beroepen. De Hoge Raad heeft op 10 april 2009 de mediator vooralsnog het verschoningsrecht ontzegd. De belastingadviseur komt echter een informeel verschoningsrecht toe, op grond van een mededeling van de Staatssecretaris van Financiën. Dit is inhoudelijk gelijk aan het formele verschoningsrecht van artikel 53a van de AWR, dat alleen de daar genoemde beroepen toekomt.

Vertrouwenspersonen ongewenste omgangsvormen en/of integriteit binnen een organisatie, zoals bedoeld in het arbobesluit met betrekking tot psychosociale arbeidsbelasting, kennen geen wettelijk verschoningsrecht. De basis beroepshouding van een vertrouwenspersoon binnen een organisatie is vertrouwelijkheid oftewel geheimhouding. Deze is verplicht conform artikel 272 van het wetboek van strafrecht zich aan zijn vertrouwelijk te houden. In veel organisaties is dit vastgelegd als intern verschoningsrecht. De vertrouwenspersoon kan door niemand binnen de organisatie gedwongen worden vertrouwelijke informatie prijs te geven. De vertrouwenspersoon ongewenste omgangsvormen en/of integriteit kent geen formeel verschoningsrecht en dient op vragen van een rechter te antwoorden.

De rechter toetst marginaal Er bestaat geen wettelijke plicht om zich op het verschoningsrecht te beroepen. De betrokken geheimhouder moet zelf beoordelen of wat hem is meegedeeld en waarover de rechter in het getuigenverhoor vraagt een verklaring af te leggen behoort tot datgene dat hij moet geheimhouden. De rechter mag het beroep op het verschoningsrecht daarom slechts marginaal toetsen. Het criterium daarbij is dat de rechter het beroep op het verschoningsrecht moet honoreren, tenzij er niet over kan worden getwijfeld dat het gaat om informatie die niet onder het verschoningsrecht valt.

Daarnaast geldt het algemene principe dat elke getuige het recht heeft om een vraag niet te beantwoorden als hij of zij dan wel een van de hierboven genoemde familieleden of geregistreerde partner daardoor de kans loopt strafrechtelijk te worden veroordeeld.

Journalisten Europa Of ook aan journalisten een verschoningsrecht toekomt is reeds lange tijd wereldwijd een omstreden vraag. In het arrest-Goodwin uit 1996 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich op het standpunt gesteld dat aan journalisten geen volledig verschoningsrecht toekomt, maar wel onder omstandigheden een recht op bronbescherming, vanwege het belang van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid in een democratische samenleving. In de arresten Voskuilarrest Voskuil, Sanomaarrest Sanoma en Telegraafarrest Telegraaf-Staat is het recht op bronbescherming verder vorm gegeven.

Nederland 1976: KGB-affaire Journalisten vielen naar Nederlands recht niet onder de groep die zich beroepshalve op het verschoningsrecht kunnen beroepen. Voor hen geldt wel onder omstandigheden een mogelijkheid zich te verzetten tegen het prijsgeven van hun bronnen. Dit vraagstuk werd in het Nederlands recht en de Nederlandse journalistiek voor een langslepende juridische strijd sinds 1976, waarbij het een onderwerp werd van een jarenlange, uiteindelijk voor de eiser frustrerende en vruchteloos gebleken streven in de zogeheten KGB-affaire, nadat in 1976 de journalist René de Bok (de latere hoofdredacteur van De Krant op Zondag) onder de redactionele verantwoordelijkheid van de latere LPF-politicus Ferry Hoogendijk van het rechtse opinieweekblad Elseviers Magazine had gepubliceerd over een door een geheime bron beweerd "werken voor" de toenmalige Sovjet-inlichtingendienst KGB twee politici van de PSP, namelijk het Tweede Kamer-leden Bram van der Lek en mogelijk ook zijn fratiegenoot Fred van der Spek en tevens een politicus van de Partij van de Arbeid, namelijk Han Lammers, de toenmalige landdrost van Almere en voormalig wethouder van de stad Amsterdam. Op 24 april 1976 publiceerde Elseviers Magazine een artikel, geschreven door René de Bok, waarin onder meer werd meegedeeld dat Elsevier zou beschikken over een lijst met namen van min of meer vooraanstaande Nederlanders van wie volgens een functionaris van "de Amerikaanse geheime dienst" met volstrekte zekerheid mocht worden aangenomen dat ze in Nederland als KGB-agenten zouden opereren. Op die lijst zouden onder meer voorkomen ‘een PvdA-lid uit de Amsterdamse gemeenteraad’ en ‘een Tweede Kamerlid van een andere progressieve partij’. Op 6 mei 1976 kwamen de dagbladen De Limburger en De Stem met de mededeling dat de bedoelde personen respectievelijk Han Lammers en Bram van der Lek zouden zijn.

Alle drie deze politici ontkenden deze insinuatie en deden deze af als laster. Bram van der Lek voerde hierop het meerdere jaren durende proces Van der Lek contra Bonaventura (de uitgever van Elseviers Magazine) met als inzet de verplichting om de naam kenbaar te maken van de onbekende bron van deze voor hem grievende bewering, hetgeen door de betrokken journalist en redacteuren van deze drie publicaties hardnekkig geweigerd werd. Op 12 mei 1976 diende Van der Lek een verzoek in bij de rechtbank van Amsterdam voor een voorlopig getuigenverhoor, om uit te zoeken of inderdaad moest worden aangenomen dat onder meer hij bedoeld werd in de publicatie van Elsevier, omdat hij in dat geval een civiele rechtsgang overwoog tegen de uitgever van EM de BV Bonaventura.

Op 4 juni 1976 werden de hoofdredacteuren van De Limburger, De Stem, en van EM (respectievelijk de Hulskorte, Leyendekker en Hoogendijk) verhoord; op 20 augustus 1976 de EM-redacteur Van Rosmalen, de journalist van De Stem, De Ligt, en de Haagse redacteuren van het Audet-concern Max de Bok en Dekkers; op 13 september 1976 de schrijver van het stuk, René de Bok. Zij beantwoorden iedere vraag die iets zou kunnen ophelderen over de manier waarop De Limburger en De Stem aan mijn naam zijn gekomen dan wel de simpele vraag òf mijn naam op de ‘lijst’ voorkomt met een beroep op hun ‘verschoningsrecht’ als journalist, dus niet. De rechter-commissaris die de verhoren afnam, kwam na enkele dagen (de eerste keer op 9 juni 1976) met een beschikking waarin zij bepaalde dat een deel van de vragen wel degelijk beantwoord moest worden.