thumb|Zeis scherpen met strekel Een zeis is een landbouwhandwerktuig om grassen, graan of ruigte te maaien. Het bestaat uit een lang, gebogen, stalen mes dat bevestigd is aan een lange houten of metalen steel met doorgaans twee handvatten. Een zeis met korte werft om granen te oogsten is een zicht.

Tijdens de La Tène-periode in Centraal-Europa ontwikkelde men uit de sikkel een werktuig met ijzeren lemmet om grassen te maaien. Tijdens de oudheid en middeleeuwen verbreidde het gebruik van de stalen zeis met lange steel zich over Europa. In de 16e eeuw concentreerde de productie zich in Oostenrijk en werd het smeedproces op punt gesteld. Aan het begin van de 19e eeuw ging men het werktuig ook gebruiken om granen te oogsten, wat tot dan steeds met de sikkel gebeurde. Later in de 19e eeuw begon de mechanisering en werd de zeis vervangen door gemotoriseerde machines. Sindsdien is de zeis nog slechts op kleine schaal in gebruik op het noordelijk halfrond, al kent het werktuig een beperkte heropleving eind 20e en begin 21e eeuw. Behalve als werktuig is de zeis ook gebruikt als gevechtswapen in boerenopstanden van de 16e tot de 20e eeuw.

De zeis is het traditionele attribuut van Magere Hein en andere personificaties van de Dood in het Westen.

Geschiedenis Oudheid De zeis ontstond in Centraal-Europa tijdens de IJzertijd als variant van de sikkel. Terwijl de sikkel een van de oudsteEr zijn sikkels teruggevonden in Mesopotamië uit de periode 18.000–8.000 v.Chr. en meest wijdverspreide gereedschappen is, is de zeis hooguit 2200 jaar oud. In het Centraal-Europese neolithicum, toen er voor het eerst aan akkerbouw werd gedaan, kende men primitieve stenen sikkels. In de bronstijd en de vroege ijzertijd (Hallstattcultuur) verschenen in heel Europa bronzen sikkels met een typische sikkelvorm. Zeitlinger 1944, p. 18-19. Een mes vervaardigen uit brons was echter moeilijk; grotere stukken brons met voldoende veerkracht waren niet vanzelfsprekend. De eerste zeisbladen, die langer en breder waren dan sikkels, werden gemaakt van ijzer nadat de winning en bewerking van dat materiaal bekend was geraakt in Centraal-Europa. Men begon met de vervaardiging van zeisen tijdens de La Tène-periode, die geassocieerd wordt met de (Proto-)Kelten. De zeis werd ontwikkeld vanuit de nood om grasland te maaien en zo hooi te maken waarmee men het vee in de wintermaanden kon voeden. De zeis is daarmee het oudste werktuig speciaal ontworpen om grassen te oogsten; om granen te oogsten bleef men de sikkel gebruiken. Zeitlinger 1944, p. 21.

De oudste vondsten werden gemaakt in La Tène (Zwitserland) en Römhild (Duitsland) en dateren uit de 2e eeuw v.Chr. De gevonden zeisen vertonen grote onderlinge verschillen. De zeisbladen maten hoogstens 40 centimeter en de stelen waren met 75 à 84 centimeter betrekkelijk kort, wat doet vermoeden dat de maaier geknield werkte. Op al deze vlakken vertonen ze gelijkenissen met de latere Russische gorboesjka. Net zoals bij latere zeisen werd het blad met de steel verbonden door een U-vormige ring. Dat er, met name in Römhild, zoveel exemplaren zijn teruggevonden, wijst op wijdverspreid gebruik en professionele productie. Zeitlinger 1944, p. 21-22. Bij Sanzeno (Italië) werden bladen van verschillende types uit de 1e eeuw v.Chr. teruggevonden, waaronder een model dat sterk lijkt op een moderne zeis met versterkte rug. Zeitlinger 1944, p. 23, 183. Latere vondsten, zoals die nabij Oxford (Engeland, 2e eeuw n.Chr.), Frankfurt an der Oder (Duitsland; 3e of 4e eeuw n.Chr.), Skarbimierz (Polen) en Moekatsjevo (Oekraïne), wijzen erop dat het werktuig was overgenomen door Germaanse volken. Zeitlinger 1944, p. 22-23. Ook Romeinen en Slaven leerden de zeis kennen. Torsten Capelle, "Sense", in: Walter de Gruyter, Reallexikon der Germanischen Altertumskunde 28, 2005, p. 177-178. Walter Blumauer, "Von der vor- und frühchristlichen Entwicklung der Erntewerkzeuge bis zur heutigen Sense", SensenVerein Österreich, online geraadpleegd op 9 juni 2018. In zijn Naturalis historia (77 n.Chr.) schreef Plinius dat er twee types bestonden: de zware 'Gallische' zeis met lange steel en twee handgrepen en de korte 'Italiaanse' zeis, mogelijk een zicht. K.D. White, Agricultural Implements of the Roman World. Cambridge: Cambridge University Press, 2010, p. 102-103. Al in de oudheid leek de zeis met lange steel het dominante type te worden. Zeitlinger 1944, p. 29-30. In de oudheid werd zowel niet-getemperd ijzer als al dan niet gehard staal gebruikt. Zeitlinger 1944, p. 30-31.

Middeleeuwen thumb|Boeren maaien het hooiland in rijen, boerinnen raken het hooi bijeen. Afbeelding bij de maand juni in Les Très Riches Heures du duc de Berry (15e eeuw). thumb|Graanoogst met de zeis door Abel Grimmer (1607) Uit de vroege middeleeuwen zijn amper werktuigen overgeleverd, maar vermoed wordt dat de zeis in Midden-Europa ononderbroken in gebruik bleef na de Romeinse periode. Terwijl de metallurgie na de Germaanse volksverhuizingen verloren ging in het noorden, herontdekten de Germaanse volken de kunst opnieuw in de Alpen, waar nog Kelten woonden. Onder de Bajuwaren kwam er een felle uitbreiding van ijzerertswinning. Zeitlinger 1944, p. 32-35. In Gallië, waar veel grote landgoederen waren ten tijde van het Keizerrijk, won de zeis met lange steel aan belang doordat de vraag naar veevoer toenam en men efficiëntere manieren nodig had om de nieuwe weilanden te maaien. De zeis raakte langzaam ingeburgerd in de Karolingische periode om hooi te oogsten waarmee het vee in de winter gevoed kon worden. The Editors of Encyclopaedia Britannica, "Scythe", Encyclopædia Britannica, 10 augustus 2012, online geraadpleegd op 8 juni 2018. In Karel de Grotes landgoederenverordening (ca. 812) worden sikkels en zeisen vermeld, al gaat het om erg lage aantallen. Zeitlinger 1944, p. 35.

In een Oostenrijks manuscript (ca. 818), vermoedelijk naar Noord-Frans origineel, is een zeis met lange steel afgebeeld, in een Engels manuscript (midden 10e eeuw) maaien boeren gras met zeisen met lange steel en twee handgrepen. Daarna neemt het aantal afbeeldingen stelselmatig toe. Die beelden tonen een geleidelijke evolutie in de 12e en 13e eeuw in de vorm van het blad. Terwijl de baard van het zeisblad almaar breder wordt, komt de tang er zo goed als volledig van los te staan, met enkel de hiel als smal, getorst bevestigingspunt. Met deze verbetering viel het gemaaide gras vlotter neer. Zeitlinger 1944, p. 35-37.

In de loop van de middeleeuwen kreeg het werktuig een andere symbolische betekenis. Terwijl het voor de Romeinen, als landbouwhulpmiddel, nog stond voor vruchtbaarheid en de oogst (positieve invulling), werden zeis en sikkel nu meer met de dood geassocieerd. Deze associatie werd in de geesten gegrift door de in de 14e eeuw zo populaire dodendans-iconografie. Zeitlinger 1944, p. 37.

16e eeuw De productie van zeisen in Europa onderging een ingrijpende verandering in de 16e eeuw.

In de late middeleeuwen nam de productie en handel van zeisen toe. De vraag vanuit Duitsland, Frankrijk, Bohemen en Polen bleef bijvoorbeeld toenemen. Historische bronnen wijzen uit dat er eind 15e en begin 16e eeuw gespecialiseerde zeissmidses waren in tal van Duitse steden. In zo'n smidse was een meester aan de slag met tot wel tien gezellen; uit Oostenrijks halffabricaat smeedden ze gezamenlijk – voornamelijk met spierkracht – tot 60 zeisbladen per dag. Zeitlinger 1944, p. 38-40.

Tezelfdertijd werden er in de Oostenrijkse bergdalen tal van nieuwe hamersmidses opgericht. De grote hamersmidsen uit de dalen rond Innerberg (Eisenerz) konden de vraag naar halffabricaat namelijk niet aan; bovendien waren de met waterkracht aangedreven hamers te zwaar voor fijn smeedwerk. In de nieuwe smidses werden de halffabrikaten uit de zware staalindustrie verwerkt tot fijner halffabricaat, waarmee zeissmeden in heel Europa aan de slag konden. Om hun aanvoer veilig te stellen, richtten verschillende zeissmeden zelf fijne hamersmidses op. Met deze werkwijze kon een typische zeissmidse nog steeds zo'n 60 bladen per dag opleveren, zij het met minder fysieke arbeid als input en gelijkmatigere zeisen als output. Zeitlinger 1944, p. 41-43.

Ook aangespoord door de sterke vraag, maakten messensmeden uit Steinbach an der Steyr de overstap naar zeisbladen smeden. Hun lucratieve handel in messen met Venetië was immers stilgevallen, nadat de Portugezen een zeeroute naar India hadden ontdekt. Overal in Oostenrijk doken nieuwe smidses op. In 1574 zag keizer Maximiliaan II erop toe dat de zeissmeden van Kirchdorf als eerste het staal van Innerberg aangeleverd kregen. In 1583 werd de productie van fijn halffabricaat voor zeisen door de zware industrie verboden, om zo de zeissmeden in Stiermarken te beschermen. Zonder dat halffabricaat konden de smidses in de steden buiten Oostenrijk, waar met de hand werd gesmeed, niet concurreren met de Stiermarkse zeisindustrie, die met minder inspanning betere bladen produceerde. Lokale zeissmidses verdwenen en de Oostenrijkse zeis deed zijn intrede in heel Europa.

Hoewel sommige auteurs Simon Fairlie, "History", The Scythe Association, 2011, online geraadpleegd op 19 april 2020. wijzen op Ottomaanse invloeden om de doorbraak van de 16e-eeuwse Oostenrijkse zeisindustrie te verklaren, kan dat niet bevestigd worden door betrouwbare bronnen. Peter Vido, "American versus “Austrian” scythe pitches — A review by Peter Vido", ScytheConnection, februari 2014, online geraadpleegd op 19 april 2020.

17e - 20e eeuw De zeis raakte stelselmatig verder verbreid. In een van de uithoeken van Europa, Schotland, raakte het werktuig rond 1800 ingeburgerd om grasland te maaien. George Peterken, Meadows. Londen: Bloomsbury Publishing, 2017, n.p. Rond de wisseling van de 18e naar de 19e eeuw werd het in grote delen van Europa gebruikelijk om granen te oogsten met de zeis, iets wat daarvoor bijna overal met de sikkel gebeurde; Fernand Braudel, Civilization and Capitalism, 15th-18th Century, Vol. I: The Structure of Everyday Life. Berkeley: University of California Press, 1992, p. 335. deze evolutie voltrok zich echter geleidelijk en niet compleet. Nicola Verdon, Rural Women Workers in Nineteenth-century England: Gender, Work and Wages. Woodbridge: Boydell Press, 2002, p. 27.

Vanaf de 19e eeuw werd de zeis grotendeels vervangen door machines, zoals de zwadmaaier en later de pikdorser. Simon Fairlie, History - Notes on the History of the Scythe and its Manufacture, The Scythe Association, 2006, online geraadpleegd op 8 juni 2018. Het gebruik nam eerst af in de geïndustrialiseerde landen, waardoor een almaar kleiner aantal Europese producenten zich voornamelijk op de export moest richten. In 1889 telden Stiermarken, Neder- en Opper-Oostenrijk 69 zeissmederijen; in 1914 ging het om 29 smidses. In 1914 produceerden zij samen 33.600 messen per dag. Een aanzienlijk deel was bedoeld voor de export, met Rusland als grootste afnemer. Andreas Resch, Die Alpenländische Sensenindustrie um 1900: Industrialisierung am Beispiel des Redtenbacherwerks in Scharnstein, Oberösterreich. Wenen: Böhlau Verlag, 1995, p. 55-56.

Tegen het midden van de 20e eeuw was de zeis verdwenen uit de Europese en Noord-Amerikaanse landbouw, die in grote mate geïndustrialiseerd was. Gebruik ervan beperkte zich tot het maaien van kanten in tuinen en op boerenhoven.

De zeis was nog op kleine schaal in gebruik, ook in delen van Azië, J.M. Suttie, Hay and Straw Conservation: For Small-scale Farming and Pastoral Conditions. Rome: Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, 2000, p. 22. op plaatsen waar machines niet bij kunnen of als duurzaam alternatief.

21e eeuw