thumb|Het huidige wapen van Georgië werd aangenomen op 1 oktober 2004. Het is gebaseerd op het middeleeuwse wapen van de Bagrationi thumb|De vlag van Georgië met het Sint-Joriskruis, eveneens sinds 1 oktober 2004
De geschiedenis van Georgië gaat terug tot het paleolithicum. Sinds die tijd is het gebied constant door mensen bewoond geweest. In haar geschiedenis is Georgië staatkundig gezien maar zelden één geheel geweest. Vaak werd het geheel of gedeeltelijk door omringende grootmachten beheerst.
In de oudheid lagen in het binnenlandse gebied van het huidige Georgië de koninkrijken Colchis en Iberië, die beide in de 4e eeuw overgingen op het christendom. Daarmee waren de Georgiërs bij alle verdeeldheid voortaan niet alleen verbonden door hun Zuid-Kaukasische taal, maar ook door hun eigen Georgisch-orthodoxe godsdienst. Zowel taal als godsdienst hebben zich steeds kunnen handhaven.
Alleen in de 11e en 12e eeuw, de Georgische gouden eeuw, was het land zelf een regionale mogendheid. Dit Georgische koninkrijk was omstreeks het jaar 1000 ontstaan, nadat verschillende vorstendommen zich hadden weten los te maken van Byzantijnen, Perzen en Arabieren. De Georgiërs werden sindsdien geregeerd door de Bagrationi-dynastie en dat bleef zo toen Georgië in de 15e eeuw uiteenviel en de speelbal werd van Aziatische steppevolken, Perzen en Turken. In de 18e eeuw zagen deze Bagrationi, die heersten over de afzonderlijke koninkrijken Imeretië, Kartlië en Kachetië, zich gedwongen tot de bescherming van het opkomende Rusland. Gedurende ruim een eeuw hoorde Georgië bij het Russische tsarenrijk en vervolgens, na een kortstondige onafhankelijkheid, tot de Sovjet-Unie. Daaruit wist het land zich in 1991 los te maken. Sindsdien heeft Georgië wederom te maken gehad met interne verdeeldheid, ditmaal langs etnische scheidslijnen, en tracht het zijn onafhankelijkheid van het machtige Rusland te bewaren.
Prehistorie
Het gebied ten zuidwesten van de Grote Kaukasus dat thans bekendstaat als Georgië, is al vele duizenden jaren bewoond. Het laat-paleolithicum, ruim 50.000 jaar geleden, wordt gezien als het begin van onafgebroken menselijke bewoning in dit gebied. Veel ouder nog zijn de bij Dmanisi gevonden schedels van de Dmanisi-mensen, die aantonen dat in het Vroeg-paleolithicum hier zo'n 1,75 miljoen jaar geleden al mensachtigen woonden.Abesalom Vekua (2002): A New Skull of Early Homo from Dmanisi, Georgia. Science no. 5578, p. 85 - 89. Deze Dmanisi-mensen gelden als vroege Homo erectus.
Van nederzettingen is sinds het 5e millennium v.Chr. sprake. Langs de Koera zijn hiervan op verschillende plaatsen sporen gevonden. In de kopertijd (4e en 3e millennium v.Chr.) was het onderdeel van de Koera-Araxescultuur of Vroeg-Transkaukasische cultuur. Omstreeks 2300 v.Chr. onderhielden de dragers van deze cultuur banden met Mesopotamië. In het 2e millennium werd deze in het oosten opgevolgd door de Trialeticultuur, die rond 1500 v.Chr. zijn hoogtepunt bereikte. In de kuststreek was tussen 1800 en 700 v.Chr. de Colchiscultuur te vinden.
Georgië in de oudheid thumb thumb|Uit Colchis afkomstig beeldje van de Griekse godin Nike De westelijke kuststreek van Georgië met het stroomgebied van de Rioni stond in de oudheid bekend als Colchis (in de Georgische traditie: Egrisi) en het oostelijke binnenland in het stroomgebied van de Koera als Iberië (Georgisch: Kartli). Van deze beide gebieden heeft Colchis de oudste traditie. Hier waren al in de 9e eeuw v.Chr. sprekers van Kartvelische of Zuid-Kaukasische talen te vinden, de taalgroep waar het Georgisch toe behoort. Mogelijk waren zij eerder ook de dragers geweest van het oudere rijk Diauehi, dat tussen de 12e eeuw v.Chr. en de 8e eeuw v.Chr. in Noordoost-Anatolië had bestaan.Suny, Ronald Grigor (1989): The Making of the Georgian Nation. London, p.6.
Colchis werd omstreeks 720 v.Chr. verwoest door nomadische Cimmeriërs en Scythen en kwam later in bezit van de Perzische Achaemeniden. Aan de kust stichtten Grieken uit Milete belangrijke handelsposten: Dioscurias (nu Soechoemi) en Phasis (nu Poti; deze plaats is de naamgever van de phasianus colchicus ofwel de fazant). Colchis gold als een rijk gebied: het was in de Griekse mythologie het land van Medea, waar het gulden vlies werd bewaard.
Iberië ontstond omstreeks 300 v.Chr., nadat zich in de 6e en 5e eeuw v.Chr. Kartvelische stammen in dit gebied hadden gevestigd. Het had als hoofdstad Mtscheta. De eerste koning van dit rijk, Parnavaz I,Ook: Parnavazi. Veel Georgische namen hebben een variant op -i. Deze i is een nominatiefuitgang, die in sommige posities verloren gaat, bijvoorbeeld voor een rangtelwoord. Dit artikel gebruikt steeds de i-loze vormen. slaagde erin ook het grootste deel van Colchis te beheersen. Over Parnavaz is weinig met zekerheid bekend, ook niet wanneer hij precies regeerde. De middeleeuwse Georgische traditie schreef aan hem het begin van de Georgisch militair-bestuurlijke structuur en ook het Georgische alfabet toe (hoewel de oudste overgeleverde teksten in dit alfabet uit de 5e eeuw na Christus dateren). De opvolgers van Parnavaz betaalden tribuut aan het Seleucidische Rijk en verloren hun greep op Colchis.
Aan het einde van de 2e eeuw v.Chr. verzwakten de Seleuciden, die door de opkomende Romeinen bestreden werden, waardoor het koninkrijk Armenië kon opkomen. Dit rijk controleerde onder Tigranes de Grote Iberië, terwijl Colchis omstreeks 100 v.Chr. door Tigranes' schoonvader, Mithridates VI van Pontus, was veroverd. Nadat de Romeinen onder Pompeius in 66 v.Chr. Mithridates hadden verslagen, kregen zij de controle over zowel Colchis als Iberië. Colchis kwam direct onder het Romeinse Rijk te vallen en Iberië werd een vazalkoninkrijk. In Oost-Georgië was de Romeinse invloed dan ook kleiner dan in het westen. Het gebied was in de eerste eeuwen van de jaartelling een voortdurend strijdtoneel tussen Romeinen, Armeniërs en Parthen, waarbij Iberië meestal aan de kant van Rome stond. De sociale structuur en de bestuurlijke organisatie van Oost-Georgië bleven daarbij sterk Perzisch gekleurd. In de 3e eeuw moesten de Iberische koningen de suprematie van de Perzische Sassaniden erkennen.
Het westelijke Colchis bleef intussen Romeins en later Byzantijns, tot het in de 5e eeuw werd veroverd door de Lazen,Dit volk spreekt een taal die verwant is aan het Georgisch en is thans een minderheid in Noordoost-Turkije. die er hun koninkrijk stichtten dat de Byzantijnen Lazica noemden.
Tussen Byzantium en de Sassaniden, 3e eeuw – 7e eeuw
thumb|Koning Mirian III, afgebeeld op een fresco in de kathedraal van Mtscheta De Sassaniden waren degenen die in 284 Mirian III (Meribanes) op de Iberische troon plaatsten, die met zijn getrouwen omstreeks 337 overging op het christendom, na te zijn bekeerd door de later heilig verklaarde Nino. Deze bekering was ook een poging om toenadering tot Rome te zoeken. De christelijke religie kreeg onder de edelen voet aan de grond, maar onder het volk waren er in de daaropvolgende eeuwen veel aanhangers van het zoroastrisme, de godsdienst van de dominante Perzen. In dezelfde periode verspreidde het christendom zich onder invloed van het Byzantijnse Rijk ook in Egrisi. De Georgisch-orthodoxe kerk viel aanvankelijk onder de patriarch van Antiochië. In Iberië ontstond een bloeiend kloosterleven.
De voornaamste vorst uit deze nieuwe Perzische periode in de Georgische geschiedenis was Vachtang I Gorgasali. Tijdens zijn regeerperiode, die van 452 tot 502 duurde, werd de Georgisch-orthodoxe Kerk autocefaal: de bisschop van Mtscheta kreeg in 466 de rang van Katholikos. Vachtang IV stichtte ook de stad Tbilisi en leidde een opstand tegen de Perzen. Hij heeft nog steeds de status van nationale held en is de naamgever van de voornaamste ridderorde van Georgië. Ook hij werd gecanoniseerd als heilige.
Byzantium en de Sassaniden bestreden elkaar in de 6e eeuw in een reeks Romeins-Perzische oorlogen die er na een vredesverdrag van 561 toe leidden dat Goearam I, een gunsteling van de Byzantijnen, de Iberische troon kon bestijgen. Hij verplaatste zijn residentie van Mtscheta naar Tbilisi. Aan de Perzische invloed kwam een einde nadat de Byzantijnse keizer Herakleios de Sassaniden tussen 623 en 625 vanuit Lazica uit de Georgische gebieden had verdreven. Lazica, dat gedurende een eeuw eveneens een Byzantijns-Perzische twistappel was geweest, werd na 561 definitief een onderdeel van het Byzantijnse Rijk.
Tussen Arabieren en Byzantium, 645-1008 thumb|300px|De Georgische vorstendommen en hun buren omstreeks het jaar 1000 Kaukasisch Iberië werd in 642 voor het eerst door plunderende Arabieren bezocht. Het islamitische Arabische Rijk kreeg na de inlijving van Armenië spoedig ook Iberië in zijn greep. In 645 werd Tbilisi ingenomen. De Arabische kaliefen legden Iberië een forse djizja op: een belasting voor niet-moslims. Iberië vormde een grensgebied voor de Arabieren. Het gebied had in de 8e eeuw dan ook regelmatig te maken met invallen uit het Rijk der Chazaren. De Georgiërs, en ook de Armeniërs, kwamen verschillende keren in opstand. Uit de plaatselijke adel, die balanceerde tussen Byzantium en het kalifaat, kwamen de Bagrationi voort (in Georgië: Bagrationi, in Armenië: Bagratuni), die aan de basis stonden van een rijk vertakte dynastie. Na 772, toen de Arabieren een slachting hadden aangericht onder opstandige edellieden, was het pad voor de Bagrationi geëffend. De macht van de Arabieren was toen inmiddels tanende. De emirs van Tbilisi hadden eigen ambities en kwamen eveneens in opstand, wat in 853 onder kalief Al-Moetawakkil leidde tot een strafexpeditie in de vorm van de verwoesting van Tbilisi. Maar in de 9e eeuw ontstonden er uiteindelijk nieuwe rijkjes: koninkrijk Kartlië, Tao (ook: Tao-Klardzjeti)De naam van dit gebied gaat terug op die van het rijk Diauehi, dat hier had gelegen., Kachetië en Hereti. Tbilisi handhaafde zich vooralsnog als islamitisch emiraat en zou dat tot 1122 blijven.
West-Georgië stond intussen onder Byzantijnse invloed, maar ook deze was in de 9e eeuw tanende: het iconoclasme verdeelde het rijk ernstig. Zo kon Abchazië zich gaandeweg uit de Byzantijnse invloedssfeer losmaken. Langzamerhand namen de Bagrationi het heft in handen. Aanvankelijk gebeurde dat in Armenië, dat onder Ashot I Bagratuni tussen 862 en 890 een bloeiperiode doormaakte waarbij het grote delen van Georgië onder controle had en van tijd tot tijd Kachetië en Abchazië tot zijn vazallen mocht rekenen. Aan het begin van de 10e eeuw waren Tao en Abchazië de voornaamste machtsfactoren in de regio. Tao werd geregeerd door Bagrationi, Abchazië tot 989 door het geslacht Antsjabadze (ook: Atsjba).
Ontstaan en bloeitijd van het koninkrijk Georgië, 1008-1243
Vereniging onder de Bagrationi thumb|Koningin Tamar. Mihály Zichy, 1888 Bagrat III bracht in 1008 de vereniging van de Georgische rijkjes tot stand. Daarbij noemde hij zich voortaan Koning der Koningen, een titel naar Perzisch model die de Georgische koningen voortaan zouden blijven dragen. Met de vereniging stelde hij ook de positie van de Bagrationi veilig. Bagrat had langs moederszijde in 989 de Abchazische troon geërfd en kreeg in 1008 ook die van Kartlië, het land waarover zijn vader had geregeerd. Daaraan lag een plan ten grondslag van Bagrats adoptiefvader, David Kouropalates, die regeerde over Tao. Tao zelf kon Bagrat niet verwerven, doordat ook Byzantium aanspraak maakte op dit gebied en het veroverde nog voordat Bagrat de troon van Kartlië besteeg. Wel wist Bagrat Georgië (Sakartvelo) met Kachetië uit te breiden. Hij vestigde zich in Koetaisi, waar hij ook de Bagratikathedraal liet bouwen.
David de Bouwer