Holwierde (Gronings: Holwier) is een dorp in de gemeente Eemsdelta in de provincie Groningen in Nederland. Het dorp werd zwaar getroffen bij de bevrijding van Delfzijl, zodat het grootste deel van het dorp nu bestaat uit naoorlogse bebouwing. Holwierde telt inwoners ().

Geschiedenis Oorspronkelijk zijn er drie wierden aan weerszijden van het Bierumermaar of de Groote Heekt (precieze grens tussen beide is onduidelijk). Katmis (2,68 meter boven NAP) is het wierdedorpje aan de westoever, Holwirth (met de kerk, 2,82 meter) en Ban(t)sum (3,29 meter) liggen aan de oostoever. In de loop der tijd groeiden de plaatsen aaneen. Katmis en Holwierde waren vroeger over de Groote Heekt verbonden door de 'Hiligho-brug' ('heilige brug' of 'kerkbrug'), die naar verluidt werd aangelegd door de kloosterlingen van het klooster Feldwerd (bij Oldenklooster). Later werd deze klap vervangen door een vaste brug verder naar het noorden, die op zijn beurt werd opgeblazen in 1945 en daarna is vervangen door de huidige vaste brug hier weer ten noorden van.

Holwierde wordt bewoond vanaf de vroege middeleeuwen op een hoger gelegen kwelderwal. Het wordt mogelijk voor het eerst genoemd in de laat-negende-eeuwse Vita Liudgeri van Altfrid, de derde bisschop van Münster. Volgens deze levensbeschrijving van zijn voorganger Liudger ontmoet die op zijn missie in de Ommelanden in het plaatsje Helewyret (vlak bij Wyscwyrt en Werfhem) de blinde zanger Bernlef, die bij de harp zingt van de daden van het voorgeslacht en de krijgsverrichtingen van de koningen.Altfrid, Vita S. Liudgeri, ed. Münster 1856, p. 30. Gearchiveerd op 31 juli 2023. Volgens sommige auteurs gaat het daarbij om Holwierde.Rolf H. Bremmer Jr, Hir is escriven. Lezen en schrijven in de Friese landen rond 1300, Hilversum/Leeuwarden 2004, p. 119, zie De meeste auteurs houden het echter op Helwerd, een wierde ten zuiden van Usquert en Warffum.J.A. Mol, 'Helwerd: de heilige wierde bij Usquert. De eerste dichter in de volkstaal', in: Wim Blockmans en Herman Pleij, Plaatsen van herinnering. Nederland van prehistorie tot Beeldenstorm, Amsterdam 2007, p. 74-85.

In 1344 werd het dorp Halwirth of Halfwirth genoemd. Hol slaat op 'lage', hoewel ook wel 'heilige', 'afhellende' en 'halve' als verklaring voorkomt. In de late middeleeuwen kreeg de plaats door het vergraven van de Grote Heekt vanaf Jukwerd een verbinding met het Damsterdiep. In 1536 werd de plaats verwoest door troepen van Meindert van Ham. Bij de Sint-Maartensvloed van 1686 vielen in Holwierde 37 doden en bij de Kerstvloed van 1717 30 doden, waarop in 1718 de Vierburenpolder werd bedijkt en het gebied voor verdere watersnoden werd behoed. Holwierde vormde samen met Marsum een rechtsstoel. Op 16 november 1813 werd Holwierde net als de omliggende dorpen geplunderd door Franse troepen tijdens het Beleg van Delfzijl.

In april 1945 werd het dorp zwaar getroffen door de beschietingen tussen Canadese en Duitse troepen, die onder meer vanuit de Batterie Nansum het dorp bestookten tijdens de bevrijding van Delfzijl. De Canadezen hadden eerst een kring gelegd rond Holwierde en de kustbatterij en lagen bij Krewerd en Oldenklooster. Op 23 april wisten ze in een verrassingsactie de Duitsers bij boerderij Oosterfeldwerd uit te schakelen en een paar gebouwen in Holwierde te bezetten. Hierbij hadden ze 20 aldaar gelegerde Duitse soldaten over het hoofd gezien. Bij een daaropvolgend vuurgevecht kwamen alle Duitsers en een Canadees om. Erger was dat de batterij was gealarmeerd en op Holwierde begon te schieten. In de dagen tot 29 april werd het dorp in man-tegen-mangevechten veroverd, waarbij 60 Duitsers werden gedood. De batterij werd op 28 april door een luchtaanval met vijf vliegtuigen verwoest. De kosten van de bevrijding waren zeer hoog voor Holwierde. Onder de bevolking vielen 25 doden en een groot deel van het dorp werd verwoest bij de beschietingen. Op de kerk na verdwenen alle historische gebouwen. Van de zestien omringende boerderijen werden twaalf verwoest en de rest raakte zwaar beschadigd. Troepen die de Canadezen aflosten plunderden in de dagen na de verovering 's nachts de overgebleven huizen. Het laatste overgebleven monument, de molen, brandde samen met omringende gebouwen af op 26 oktober 1945. Na de oorlog werd vooral aan oostzijde van het Bierumermaar nieuwbouw gepleegd. De wijk De Rippert (naar de familie Ripperda, die hier landerijen had) aan zuidzijde van Bansum dateert bijvoorbeeld uit de jaren zestig, en Schelpenplan aan noordzijde van de wierde uit het einde van de jaren zeventig.

Gebouwen Kerk en juffertoren De Kerk van Holwierde was vroeger gewijd aan (de binnen het rooms-katholicisme heilige) Stefanus. Het tufstenen schip dateert uit de 11e eeuw. Het schip werd verhoogd in de 13e eeuw en nogmaals in het begin van de 14e eeuw toen het dwarsschip en koor werden gebouwd.

Tot 1854 stond er een 13e-eeuwse vrijstaande Juffertoren ten zuiden van de kerk. Deze toren had een hoogte van 207 voet (ongeveer 60 meter) en was tot in de verre omtrek te zien en fungeerde dan ook als baak voor de scheepvaart op de Eems. Begin 19e eeuw begon de toren over te hellen en werd er 100 voet vanaf gehaald (ca. 30 meter). In 1807 werd de toren overgenomen door het Rijk die de toren voorzag van een nieuwe houten opbouw van 30 meter. Deze bleek echter niet bestand tegen een zware storm op 29 november 1836, toen de spits van de toren viel. Het dak van de toren werd daarop gedicht met leisteen. Tijdens de jaarwisseling van 1849/50 had het gemeentebestuur de klepel verwijderd omdat de toren bouwvallig was en men een einde wilde maken aan het jaarlijkse klokluiden door de jeugd, dat vaak gepaard ging met veel drankgebruik. Vindingrijke jongens bevestigden daarop met touw zelf een gewicht van 50 oude ponden als klepel in de toren. Het touw brak echter af bij het luiden, waarbij volgens inwoners twee jongens gewond raakten.Volgens de Groninger Courant waren er drie gewonden en brak een paard zijn nek van schrik, maar volgens dorpsbewoners had het paard zijn nek daarvoor al gebroken en brak de derde jongen zijn been pas de dag erop. Bron: OUDEJAARSVIERINGEN: Rumoer in de oudejaarsnacht (In dit artikel wordt gesteld dat het om de jaarwisseling van 1850/51 ging, maar de gebeurtenis wordt genoemd in kranten uit januari 1850.) Blijkbaar was de klepel er in de jaarwisseling van 1853/54 niet uitgehaald, want (de kranten spreken er niet over) tijdens die jaarwisseling zou de klepel van de torenklok zelf zijn gevallen bij het luiden van de klok. De klepel, die volgens het verhaal circa 900 kilo woog, zou drie jongens die aan het luiden waren, hebben geraakt en daarbij gedood. Omdat de toren al bouwvallig was is deze vervolgens geheel op afbraak verkocht in 1854. De 6000 oude ponden (2800 ponden) wegende Stefanusklok, waarvoor zes man nodig waren om hem te luiden, werd voor 3000 gulden verkocht aan een particulier. Op de klok stond de tekst: "S. STEPHANUS Ao 1620 JOANNUS SIMON ANTONIUS FILIUS, PETRUS JOLY GALLI ME FECERUNT".

In hetzelfde jaar werd de kerk voorzien van een dakruiter in de westgevel, waarin de andere kleinere Mariaklok, die in 1467 was gegoten door Henriek Rekenacker, werd teruggeplaatst. In 1943 werd de Mariaklok gevorderd door de Duitse bezetter. Op 29 april 1945 werd de dakruiter, die toen werd gebruikt als uitkijkpost door de Duitsers, kapotgeschoten (de beide Duitse wachtposten kwamen om), evenals een groot deel van de kerk. Tussen 1945 en 1951 werd de kerk gerestaureerd en van een nieuwe dakruiter voorzien. De huidige klok werd in 1949 gegoten bij A.H. Van Bergen in Heiligerlee. De Mariaklok werd zwaar onherstelbaar beschadigd (gescheurd) teruggevonden en door de toenmalige kerkvoogden verkocht aan het Nationaal Beiaard- en Natuurmuseum Asten. Holwierdenaren die niet van de verkoop af wisten, poogden later tevergeefs de klok te herkrijgen. Het interieur van de kerk werd bij de restauratie van de jaren veertig sterk aangepast. Er zijn plannen om het weer terug te brengen in de staat van voor 1945. Sinds 2003 draagt de kerk officieel de naam Stefanuskerk.

De kerk heeft een laat-gotisch doksaal met galerij voor het orgel en de zangers. Het orgel werd oorspronkelijk rond 1560 geplaatst, is in de loop der tijd sterk gewijzigd en werd in 1924 vernieuwd. De orgelkast werd gebouwd in 1663 en kreeg in 1828 gesneden vleugelstukken. De kerk heeft verder een preekstoel met getorste korinthische zuiltjes uit ongeveer 1660, een stel herenbanken, waaronder een met het jaartal 1559 en het wapen van de familie Eysens. In het westelijk deel van de kerk staat een uit de tweede helft van de 12e eeuw daterende Bentheimer zandstenen sarcofaagdeksel waarop een afbeelding staat van een man en een vrouw met daarboven een aantal engelen. Op de vloer liggen een aantal 16e- en 17e-eeuwse grafzerken, waaronder een aantal rijkversierde.

Borgen, huizen en heerden In het oosten van het gehucht Uiteinde ten oosten van Holwierde staat de boerderij Eissingeheem, die in het jaar 1654 'borg' werd genoemd. De huidige boerderij dateert van na de oorlog. In het noorden van het wierdegehucht Nansum ten zuidoosten van Holwierde stond het Huis toe Nansum (mogelijk was de familie Nansum een tak van de Ripperda's). In 1492 werd hier een Ripperdeheert genoemd en in 1588 een To Nansums Heerd. Na 1662 komt het huis niet meer voor. Er staat nu een huis met de naam 'Burchstee'. Op de Nes komt in 1518 een borg voor, mogelijk op de plek van de huidige boerderij Kleine Nes. Verder komen zonder nadere lokalisering in 1412 een Kaminghehues en Kamingheheem voor bij Holwierde, had in 1492 de familie Van Ewsum een steenhuis bij Holwierde en komen begin 17e eeuw kerkgestoelten in Holwierde voor van de families Van Berum (en een grafsteen uit 1612 van Johan van Berum) en Van Welvelde. De vroegere kerkklok uit 1620 droeg de naam van kerkvoogd Remmert van Berum, die begin 17e eeuw processen voerde voor Holwierde op de Ommelander Landdag en waarvan in 1628 onder andere een 'huis' in Holwierde te verdelen viel onder zijn kinderen, waarbij niet duidelijk is of dit huis een borg was. Tussen 1628 en 1686 komt een behuizing, schuur, poort en plantage voor in Uutende (Uiteinde), waaraan het kerkgestoelte van de Van Welveldes verbonden was.

Scholen De openbare basisschool (kosterij) van Holwierde stond aan de Hoofdweg 15 ten zuiden van de kerk en was vastgebouwd aan de tweede pastorie (nr. 17). Rond 1909 (wellicht in 1905) was deze uitgebreid tot drie lokalen. In 1978 werd dit gebouw omgevormd tot het verenigingsgebouw Credo van de gereformeerde Irenekerk van Bierum-Holwierde (ergens in de tachtig 1980 of later verkocht aan een particulier) en wellicht is toen het huidige gebouw aan de Pastorielaan 1 betrokken. Dit gebouw werd Hiliglo genoemd (naar de brug tussen Katmis en Holwierde) en kreeg 6 lokalen. In 2007 is het uitgebreid.

De christelijke basisschool werd in 1902 gebouwd aan de noordwestzijde van Katmis. Ernaast werd de hoofdmeesterswoning gebouwd. School en hoofdmeesterswoning raakten zwaar beschadigd in de oorlog en werden herbouwd. In 1997 sloot de school vanwege een gebrek aan leerlingen.

Molens thumb|Zaag-, pel- en korenmolen De Hoop voordat deze afbrandde.