Na 1960 raakte de Nederlandse sociale geografie in een stroomversnelling. De tegenstellingen tussen de sociaal-geografen van Utrecht en de Amsterdamse sociografen verdwijnen en de invloed van de Angelsaksische en Zweedse geografie werd groter, die van de Franse geografie juist geringer. Na 1960 is de sociale geografie als zelfstandige universitaire studie aanwezig bij vijf universiteiten (Groningen, Utrecht, Nijmegen, Amsterdam UvA en VU). Het aantal studenten nam snel toe en dus ook het aantal stafleden op de verschillende geografische instituten. Dat betekende niet alleen meer onderzoeksmogelijkheden, maar ook meer variatie in aandachtsvelden. Overigens, na 1985 nam de groei van het aantal studenten duidelijk af. De overheid beperkte het aantal opleidingen sociale geografie, waardoor de opleiding aan de Vrije Universiteit Amsterdam afgebouwd moest worden. De overgebleven opleidingen werden ook daarna verschillende keren getroffen door bezuinigingsmaatregelen. Een selectie van thema's, specialisaties en aandachtsvelden volgt hieronder.

De Zestigers: oecologisch complex en ruimtelijk systeem In de periode 1960-1970 werden de theoretische uitgangsposities van de Nederlandse sociale geografie grondig veranderd. Het tot dan toe sterk beschrijvende karakter maakte plaats voor veel meer aandacht voor wetmatigheden. Het toegepaste karakter bleef, maar het begrippenapparaat werd aangepast aan de eisen van de veranderende maatschappelijke werkelijkheid (industrialisatie en verstedelijking). Algemeen wordt het begin van de koerswijziging gelegd bij de studie van Chris van Paassen, Piet Kouwe en Gerrit Wissink over de Haarlemmermeer (1955). Van Paassen zet vervolgens de toon met zijn klassiek geworden, zeer invloedrijke studie over het 'Geografische structurering en Oecologisch complex'. Gerard Hoekveld ontwikkelde op basis daarvan de befaamde 'bollenkubus' van de sociaal-ruimtelijke structuur. Jan Lambooy nam het systeembegrip bij de hand om op een andere manier naar regio’s te kijken.

Het tijd-ruimte-perspectief In Zweden was de factor tijd onder leiding van Torsten Hägerstrand op een nieuwe manier onder de aandacht van geografen gebracht. Voor de geograaf Hägerstrand was tijd niet ondergeschikt maar gelijkwaardig aan de factor ruimte bij het analyseren van menselijk gedrag. De basis voor zijn tijdgeografie vormde de analyse van de tijd-ruimte paden die iemand in de loop van een dag, een jaar of een leven aflegde (tijd-ruimtegedrag).

In Nederland zijn Hägerstrands ideeën onder anderen toegepast door Rob van Engelsdorp Gastelaars in stedelijk onderzoek, door Paulus Huigen in onderzoek naar het gebruik van plattelandsvoorzieningen en door Adri Dietvorst in onderzoek naar het ruimtelijk gedrag van toeristen. Ben de Pater analyseerde de achtergronden en ontwikkelingen van de begrippen ruimte en tijd

Stad en stedelijk systeem Stad en stedelijk systeem zijn bij uitstek het werkterrein van de stadsgeografie. In de Nederlandse stadsgeografie na 1960 ging de aandacht met name uit naar steden als centrale plaatsen (centraleplaatsentheorie), de hiërarchie van stedelijke centra en verzorgingsgebieden en de sociaal-ruimtelijke geleding van de steden zelf. Het gaat in het laatste geval om de ruimtelijke aspecten van sociaal-economische status, van leefstijl (onder andere het proces van gentrification), van etnische achtergronden (segregatie) en van stadsvernieuwing. Maatschappijkritische geografen als David Harvey en Manuel Castells hebben grote invloed (Maatschappijkritische geografie). Willem Heinemeijer, Rob van Engelsdorp Gastelaars, Gerard Hoekveld, Jan Buursink en Hans van Amersfoort gaven belangrijke impulsen aan de Nederlandse stadsgeografie na 1960.

De eerste studies naar de ruimtelijke aspecten van de informele sector in steden kwamen uit het Economisch Geografisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Dit instituut stond onder leiding van Jan Lambooy

Ruimtelijk keuzegedrag Na 1960 gingen sociaal-geografen zich sterk interesseren voor de dynamische aspecten van ruimtelijke structuren. De aandacht ging uit naar de relaties tussen ruimtelijk gedrag en ruimtelijke structuur. In het verlengde van studies over centrale plaatsen en verzorgingsgebieden ontstond de behoefte meer te weten over het ruimtelijk gedrag van de consument. Dat resulteerde in studies over het ruimtelijk koopgedrag. Ruimtelijke perceptie en de relatie preferentie-ruimtelijk gedrag vormden aspecten van dit type onderzoek. Opvallend is dat dit terrein van onderzoek veel modelbouw laat zien: Graviteitsmodellen (zie Graviteitsmodel in de geografie, Entropie-maximalisatiemodelen, Ruimte-preferentiemodellen en Ruimtelijke keuzemodellen. Harry Timmermans, hoogleraar aan de TU Eindhoven, heeft veel werk gemaakt van de modellering van het ruimtelijk keuzegedrag.

Andere facetten van ruimtelijk keuzegedrag en ook onderwerp van sociaalgeografisch onderzoek betreffen: migratie, woon-werkrelaties, verhuisgedrag en mobiliteit

Strijd om ruimte in de ontwikkelingsgebieden Aan het einde van de periode 1960-1970 ontstond de specialisatie sociale geografie van de ontwikkelingslanden. Voor de Tweede Wereldoorlog hadden geografen ook wel aandacht voor de Derde Wereld, maar de ‘koloniale geografie’ was sterk beschrijvend van aard en verschillen in niveaus van sociaal-economische ontwikkeling werd in die periode niet als erg problematisch gezien. De Universiteit van Utrecht kreeg als eerste een leerstoel sociale geografie van de ontwikkelingslanden in 1969. Jan Hinderink was de eerste hoogleraar. De meeste van zijn publicaties hadden betrekking op Tropisch Afrika. In 1975 kreeg de Katholieke Universiteit een leerstoel sociale geografie van de ontwikkelingslanden. Jan Kleinpenning werd er de eerste hoogleraar. Hij is een van Nederlands meest productieve sociaal-geografen. Onder zijn leiding kwamen 29 dissertaties tot stand. Zij aandacht was vooral gericht op de ontwikkelingsvraagstukken in Latijns-Amerika. Bij zijn afscheid in 1997 werd hij niet opgevolgd. Zijn leerstoel is wegbezuinigd. Aan de Vrije Universiteit van Amsterdam bezette Ad de Bruyne vanaf 1980 een professoraat. Hij was al jaren gespecialiseerd in de sociale geografie van de niet-westerse gebieden. Na de afbouw van de opleiding sociale geografie aan de Vrije Universiteit in de periode 1983-1986, werd De Bruyne hoogleraar in de sociale geografie van de ontwikkelingslanden aan de Universiteit van Amsterdam. Willem Heinemeijer had dit specialisme in de jaren daarvoor tot ontwikkeling gebracht (veel aandacht voor Marokko). De aandacht van De Bruyne was gericht op stedelijke vraagstukken in ontwikkelingsgebieden én op Suriname. Momenteel bezet Ton Dietz een leerstoel gericht op milieuvraagstukken in ontwikkelingslanden.

Rond 1960 werd de oorzaak van onderontwikkeling meer en meer gezocht in de afhankelijkheid van ontwikkelingsgebieden van de rijke landen. Hoewel sommigen deze opvatting betitelden als ‘kapitalistisch determinisme’, was er in de periode 1960-1980 sprake van een levendig debat over imperialisme-theorie, dependencia-theorie en wereldsysteembenadering. Na 1980 kwam er kritiek op een te eenzijdige benadering van het vraagstuk van onderontwikkeling. De regionale geografie kreeg weer meer aandacht omdat men zich meer richtte op de interne relaties en problemen.

Regio: terug van weggeweest In de periode voor en kort na de Tweede Wereldoorlog was de regionale geografie als het ware het hart van de geografiebeoefening. De regionale monografie was de kroon op het geografisch werk. Deze idiografische (idiografie) sterk beschrijvende benadering was voor sociaal-geografen die streefden naar het opsporen van wetmatigheden (nomothese) een doodlopende weg. Rond 1960 werd deze traditionele regionale geografie verlaten. Het begrip regio tot dan toe niet veel meer dan een raamwerk voor het presenteren van geografische verschijnselen werd vervangen door regionaal systeem en ruimtelijk systeem. Omdat regio’s gezien werden als mentale constructies, werd er ook meer aandacht besteed aan regionaliseringstechnieken. Er kwam meer aandacht voor de regionale dynamiek en dus voor functionele regio’s en nodale regio’s.

Na 1980 sloop de twijfel over de bruikbaarheid van het systeembegrip de sociale geografie binnen. Het systeembegrip werd als te abstract ervaren. Sociaal-geografen gingen te rade bij de vernieuwers van de sociale theorie, zoals Anthony Giddens en zijn structuratietheorie (ook wel theorie van de structurering). Van Törnqvist haalde men het begrip arena, waardoor de dagelijkse leefwereld in de regionale benadering kon worden opgenomen.

In Nederland heeft met name Gerard Hoekveld zich sterk gemaakt voor een gemoderniseerde regionale geografie. De door hem ontwikkelde regionale geografie steunde op de ideeën van de socioloog/methodoloog Paul Lazarsfeld en van de Finse geograaf Anssi Paasi. De nieuwe regionale geografie wordt ingezet om de ontwikkeling van regionale structuren te verklaren. Piet Lukkes formuleerde de principes voor een toegepaste regionale geografie: de regiologie.

Multifunctionele plattelandsgebieden Na 1960 veranderde de sociaalgeografisch aanpak van het platteland. Daarvoor hield men zich vooral bezig met vraagstukken in relatie tot de primaire productie (agrarische geografie) of met de ontwikkeling van nederzettingsvormen. Verstedelijking en mobiliteitsgroei waren verantwoordelijk voor een andere rol van het platteland. Geen wonder dat men meer belangstelling kreeg voor de complexe relaties tussen stad en omliggend gebied. Grote delen van het landelijk gebied werden onderdeel van de dagelijkse actie-ruimte van de werkende mens. Het landelijk gebied werd ontdekt als woongebied, de natuurwaarden kwamen onder druk te staan en toeristen en recreanten namen het in bezit als recreatieruimte. Het platteland werd multifunctioneel. Het platteland is zeker niet het exclusieve onderzoeksterrein van de rurale geografie (plattelandsgeografie). Landbouwwetenschappen, rurale sociologie, rurale economie en demografie bestuderen eveneens plattelandsvraagstukken. Tussen deze wetenschappen ontstond overlap én samenwerking zodat sommigen nu spreken van rural studies.

Thema’s van onderzoek zijn in willekeurige volgorde: Leefbaarheid, kleine kernen, ruraliteit (wat maakt een gebied tot platteland?), bereik en toegankelijkheid. Specifieke aandacht was er voor het vraagstuk van de relatie fysieke structuur en sociaal-economische structuur in plattelandsgebieden. Bereik, ruraliteit, streekidentiteit en streekvorming zijn thema's waaraan Groningse sociaal-geografen onder leiding van Paulus Huigen werken.

Door de verhevigde aandacht voor het platteland als totaliteit was de aandacht voor (economische) landbouwvraagstukken wat op de achtergrond geraakt. Een uitzondering vormde het onderzoek van Nijmeegse geografen naar agribusinesscomplexen.

Recreatie en toerisme ontwikkelden zich als nieuwe functies in landelijke gebieden. Sociaal-geografen in Wageningen, Groningen en Nijmegen schonken er aandacht aan. Thema’s: recreatiedruk, ruimtelijk gedrag van recreanten, beeldvorming, toeristisch-recreatieve complexen, natuurbeleving, recreatief medegebruik en marketing van toeristengebieden.

Ruimtelijk gedrag van ondernemingen In de periode 1970-80 gingen economisch-geografen werken aan een andere kijk op de toepassingsmogelijkheden van de vestigingsplaatsleer. Erkend werd dat niet alleen productie- en marktfactoren belangrijk zijn, maar ook de bredere sociale context waarin een onderneming moest functioneren. Dat betekende ook meer aandacht voor opvattingen uit de sociale, culturele en politieke wetenschappen. Deze koerswijziging naar een meer multidisciplinaire aanpak werd de ‘cultural turn’ genoemd.