thumb|263px|De door Couperus beschreven terrasvormige stad lijkt op de Toren van Babel zoals Pieter Brueghel de Oude die schilderde. Babel is een korte Bijbels-historische roman van de Nederlandse schrijver Louis Couperus. De roman werd door hem tussen 28 oktober 1900 en 12 februari 1901 in Nice geschreven. Babel werd in juni 1901 voor het eerst uitgegeven door uitgeverij L.J. Veen.

Totstandkoming De werkwijze van Couperus kan worden gevolgd aan de hand van de briefuitwisseling met zijn uitgever, Lambertus Jacobus Veen in Amsterdam. Couperus had zich na een jarenlang verblijf in Italië in oktober 1900 in Nice gevestigd. Op een dag zag hij hier bouwvakkers werken aan een kolossaal nieuw blok appartementen. Hun harde arbeid maakte grote indruk op Couperus en dat was het ogenblik waarop hij zijn inspiratie voor een verhaal over de Toren van Babel of de stad Babel kreeg. In een brief van 28 oktober 1900 wordt Babel bij Veen aangekondigd, met de woorden: "Zoodra ik wat op orde ben, ga ik beginnen aan Babel, heel rustigjes aan".

In een brief van midden november 1900 bood Couperus zijn nieuwe verhaal aan aan uitgeverij Veen. Deze keer zag hij af van voorpublicatie in een tijdschrift zoals De Gids. Hij was namelijk verontwaardigd over de negatieve reacties die in de Nederlandse pers over Langs lijnen van geleidelijkheid waren verschenen. Couperus schreef in dit verband over de "absurde preutschheid van ons publiek". Toch liet Couperus zijn uitgever weten dat hij deze keer "een beetje" aan de "Hollandsche preutschheid" zou denken.

Couperus beschreef Babel in een brief aan Veen als een roman. Frédéric Bastet stelt echter dat de schrijver zijn werk in wording ten onrechte als roman aanduidde. Couperus' biograaf noemt het boek een "symbolistische vertelling", waarin het bouwen aan de Bijbelse toren centraal zou staan.Bastet. Louis Couperus. Een biografie. Blz. 246

Uitgever Veen liet op 17 november 1900 in een brief weten dat hij graag de primeur van Babel wilde hebben. Een uitgave zonder voorgaande publicatie in een tijdschrift of als feuilleton in een krant zou de uitgeverij meer opbrengen. Een aantal werken van Couperus was op deze wijze gepubliceerd voordat zij als boek werden uitgebracht.

Het schrijven van Babel heeft Couperus veel moeite gekost. Het verhaal was rond de kerstdagen van 1900 al voltooid, maar Couperus was nog niet tevreden en heeft het verhaal herzien. Daarmee was hij in februari 1901 nog niet gereed. Hij schreef: "(...) eerst moet "Babel af en goed zijn, en het is een moeilijk ding. [...] Over een paar weken zal het wel heelemaal af en in orde zijn".

Couperus liet de redactie van De Gids buiten de onderhandelingen over Babel. Zijn nieuwe boek noemde hij:

Eerste uitgave Op 12 februari was de roman voltooid. Couperus had in het verleden zijn teksten een aantal malen tweemaal verkocht – hij moest tenslotte van zijn pen leven – en omdat hij bij Babel het honorarium van een voorpublicatie misliep vroeg hij zijn uitgever om een hoog bedrag: 1500 gulden voor de eerste druk en 800 gulden voor elke volgende druk. Veen ging daarmee akkoord in de veronderstelling dat Babel substantieel groter van omvang was dan het enkele jaren eerder uitgebrachte Fidessa dat 121 bladzijden telde. Couperus kon aan de hand van zijn geschreven manuscript slechts schatten hoeveel bladzijden het boek in gedrukte vorm zou gaan tellen. De verwachting van de uitgever kwam echter niet uit. Toen het manuscript van Babel in maart 1901 was gezet, nam de gedrukte tekst niet meer dan 130 pagina's in. Daarbij telde Veen de bladzijden met de motto's die aan de hoofdstukken voorafgaan niet mee.

Het honorarium voor Fidessa was in maart 1899 700 gulden, met een betaling van 450 gulden voor iedere volgende druk geweest. Veen liet weten dat hij voor de eerste druk van Babel niet meer dan 900 gulden wou betalen al vond hij het "vervelend om over honoraria te pingelen". Een tweede of latere druk wenste hij met niet meer dan 550 gulden te honoreren. Couperus ging met het bedrag voor de herdrukken akkoord, maar vroeg 1250 gulden voor de eerste druk. Daarover werden uitgever en schrijver het eens.

Couperus noemde in een brief van 12 februari 1901 de naam van Toorop als ontwerper van de band, en deze suggestie werd door Veen overgenomen.

Babel verscheen in juni 1901 bij uitgeverij L.J. Veen te Amsterdam.

Plaats binnen het oeuvre van Couperus Couperus zag in Nice arbeiders zwoegen aan een gebouw. De schrijver identificeerde zich met zich afbeulende arbeiders die op die bouwplaats hun zware werk verrichtten. Couperus zag ook hun tragische rol. Babel is daarmee een "symbolisch verhaal van sociale bewogenheid geworden".Bastet. Louis Couperus. Een biografie. Blz. 260 Het boek werd geschreven in een tijd waarin men over de "sociale kwestie" debatteerde en waarin het socialisme steeds belangrijker werd. Couperus, een auteur die voor alles door medelijden met de zwakkere werd gedreven, voelde zich verwant aan deze slaven. Zijn eigen werk zag hij niet anders. Hij werkte hard aan zijn boeken zoals anderen harde handenarbeid verrichten.

Babel kan worden gezien als een dystopie of een beeld van de menselijke beschaving, "een civilisatie, geleid door eerzuchtigen die zich als idealisten voordoen en priesters die huichelen, terwijl de wijsgeren terzijde staan en on-eendere wijsheid doceren".Epiloog. - V. Tricht, Verkenning, 115,

De verlosser als hoofdpersoon, een rol die Cyrus in Babel krijgt, heeft Couperus intensief beziggehouden. In de onmiddellijk na Babel geschreven cyclus van vier romans, die de titel De boeken der kleine zielen meekreeg, zou Addy van der Welcke deze rol krijgen. Beiden zijn de ideale figuur die door de hele historie heen centraal wordt gesteld.Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Blz.260 Babel is daarmee in zekere zin te beschouwen als een proloog tot de op dat ogenblik nog uit te werken vierdelige romancyclus.Biografie van Couperus door Frédéric Bastet. Louis Couperus. Een biografie. Blz. 260 In De Boeken der kleine zielen komen Babel en het stijgen en dalen in de maatschappij nog aan de orde; ook Max Brauws heeft "alle ellende der wereld" willen ervaren. Couperus schrijft: "En de metropolen waren om hem heen opgerezen als reusachtige Babels van koortsigen hoogmoed -opeenstapelingen van egoïsmes-;...".De boeken der kleine zielen. Deel I en II. Wetenschappelijke uitgave 1996, Blz. 456. Hij is als fabrikantenzoon gaan "dalen" in de maatschappij en ging werken als dokwerker.

Het verhaal bevat verwijzingen naar de vrijmetselarij, waar Couperus waarschijnlijk zelf bekend mee was doordat zowel zijn zwager Gérard Valette als zijn vroegere leermeester Jan ten Brink vrijmetselaars waren.

Het manuscript Het bewaard gebleven manuscript draagt de sporen van de moeilijke ontstaansgeschiedenis van Babel. Over de eerste versie schreef Couperus: "zoo ver het bestaat: het eerste gedeelte is dikwijls overgewerkt en verscheurd".

Couperus was gewoon om voor gebruik door de zetter een kopijhandschrift te maken. Dat werd deze keer, omdat Veen haast had met de uitgave, in afleveringen naar Nederland verzonden. Ook het kopijhandschrift is door Couperus samengesteld uit de bladen van de verschillende versies van het verhaal. Het document bevat veel doorhalingen, verbeteringen en aanvullingen. Er zijn verschillende handschriften te herkennen. Couperus liet zich vaak door zijn vrouw Elisabeth Couperus-Baud helpen bij het "in het net schrijven" van zijn werk. De tekst is nu eens met paarse, dan weer met blauwe inkt, soms ook met potlood geschreven.

Verworpen passages van Babel zijn teruggevonden op de achterzijde van het manuscript van de kopij van de ‘Epiloog’ van Babel bevinden zich tussen de bladen van het kladhandschrift van De boeken der kleine zielen. De kleine zielen. Ook de kopij van de epiloog van Babel bevindt zich tussen de bladen van het kladhandschrift van De boeken der kleine zielen; De kleine zielen.

Op 30 april 1901 vroeg Veen Couperus om de oorspronkelijke kopie. Couperus was zijn uitgever ter wille; het manuscript werd door Veen zorgvuldig bewaard en is in 1961 aan het Letterkundig Museum geschonken. De epiloog van Babel ontbreekt echter.

De inhoud

De hoofdpersonen zijn: Cyrus, een jonge herdersprins; twee goden: Baäl, die hier een zonnegod is, en Astarte, een liefdesgodin; Myrrha, een priesteres; een oude man die de "Opperrechter des Opperbouwmeesters van Babels Vijfde Terras" is; een kind dat de erfelijk opperbouwmeester is; de opperpriesteres en opperbouwmeesteres Idonia.

Proloog In de proloog spreken twee goden met elkaar over Babel:

Verhaal De hoofdpersoon, Cyrus, is een prins van een herdersvolk. Hij verlaat zijn familie omdat hij een speciale roeping heeft gekregen: meebouwen aan de stad Babel. Hij maakt kennis met Myrrha, een danseres en volgelinge van Astarte, en dwaalt dagenlang doelloos door Babel.

Wanneer hij herkend wordt als prins, wordt hem een baan als opzicht over 15 slaven aangeboden. Cyrus krijgt nu de kans om zich "schatrijk" te ranselen. Een opzichter die ziet dat Cyrus geen bouwmeester is maar ook geen slaaf, zegt hem dat je met slaven alles kunt doen wat je wilt. Cyrus is hier echter niet toe bereid. In plaats daarvan geselt hij de opzichters en ontketent dertig van de slaven. Zij loven hem met de woorden:

Op een nog hoger terras leert Cyrus de priesteres en opperbouwmeesteres Idonia kennen. Deze meent met Cyrus te kunnen spelen en het noodlot dat Babel wacht te kunnen ontlopen. Op de hoogste terrassen van Babel deelt Cyrus een tijdlang de luxe van de bouwmeesters. Zij bezitten prachtige tuinen die door aquaducten worden geïrrigeerd. Die overdaad is de vrucht van slavenarbeid; intussen zijn er beneden tienduizenden slaven bezig aan "het wonder" te werken, terwijl ze worden gegeseld door de sluiswachters en opzieners.

Een noodweer dat de hemel verduistert doet de bevolking vrezen dat Baäl ontevreden is. De machten die Babel beheersen reageren ieder op eigen wijze; de priesters roepen dat iedereen voor de god moet buigen en aan hem moet offeren. De wijsgeren zeggen de "waarheid en de wijsheid' ende zonen van Baäl te zijn, en roepen dat de bouwwerkzaamheden gestaakt moeten worden. De wichelaars op hun beurt stellen dat zij weten wat goed is. Zodra de hemel weer zichtbaar is, zullen zij immers weer uit de sterren kunnen lezen wat de wil der goden is.

Idonia is niet onder de indruk van het noodweer, en zegt tegen Cyrus dat hij zelf een god zonder medelijden moet zijn. Het bedrog van de menigte die aan Babel bouwde wordt door haar met de volgende woorden uitgelegd:

De priesters en bouwmeesters hebben Babel alleen breder, maar niet hoger gemaakt. Het reusachtige bouwwerk diende alleen te hunner glorie. De mensen op de lagere terrassen zijn bedrogen.

De meedogenloze bouwmeesteres en priesteres Idonia wordt door Cyrus gewurgd. Zij sterft "verschroeid "in de vlam, die zij in hare handen had willen wringen...".

Epiloog Dezelfde twee goden als in de proloog zien de chaos in Babel vanuit hun hemels verblijf aan. Astarte noemt Cyrus nu haar "uitverkoren zoon". Zij juicht over de "nieuwe menschelijkheid" die is "ontsproten op het harde graniet van Babels hoogmoedige treden" en roept "Baäl, er bloeit het Medelijden! Baäl, er bloeit het Medelijden!". Ze weent van vreugde wanneer Cyrus de hoge terrassen met hun weelde en comfort verlaat:

Achtergronden